Uitspraak
gemachtigde: A.M. Taconis
0 Samenvatting
Harderwijk-uitspraak. [1] Daarbij zal ook steeds moeten worden beoordeeld of er op grond van art. 4:84 Awb Pro aanleiding is om af te wijken van de beleidsregels.
contra legem. Het tot nu toe gehanteerde beperkte toetsingskader voor buitenwettelijke beleidsregels (waarin alleen wordt beoordeeld of het beleid consistent is toegepast en of geen sprake is van schending van fundamentele rechten), moet worden verlaten. Wel kan de omstandigheid dat sprake is van buitenwettelijke beleidsregels van invloed zijn op de toetsingsintensiteit, omdat het bestuursorgaan in het algemeen veel beleidsruimte heeft bij buitenwettelijk beleid. Maar omdat ook andere factoren de toetsingsintensiteit beïnvloeden, kan niet gezegd worden dat buitenwettelijke beleidsregels in alle gevallen terughoudend moeten worden getoetst door de rechter. Verder moet ook als een besluit genomen is met toepassing van buitenwettelijk beleidsregels (mits niet
contra legem), steeds worden getoetst of er op grond van art. 4:84 Awb Pro aanleiding is om af te wijken van de beleidsregels.
Harderwijk-uitspraak, is de uitkomst m.i. dat zij op gespannen voet staan met het evenredigheidsbeginsel, omdat zij niet evenwichtig zijn. Zo houden de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006 onvoldoende rekening met eigen nalatigheid van het UWV.
1.Feiten en procesverloop
2.Beleidsregels in de Algemene wet bestuursrecht
De wettelijke regeling in de Awb: totstandkomingsgeschiedenis
Avanti-arrest van de Hoge Raad uit 1985. [9] In dit arrest werd de Sloopregeling Binnenvaart 1976 door de civiele kamer van de Hoge Raad erkend als recht in de zin van art. 79 Wet Pro RO,
“nu deze regeling, die blijkens haar inhoud ertoe strekt om aan de betrokken eigenaren van binnenschepen onder bepaalde voorwaarden een recht jegens de Staat op een sloopuitkering toe te kennen en die is openbaar gemaakt in de (…) Staatscourant (…), moet worden beschouwd als een naar buiten werkende, de Staat jegens de betrokkenen bindende [10] regeling.” [11]
Leidraad-arrest werd dus niet alleen bevestigd dat beleidsregels als recht in de zin van art. 79 Wet Pro RO gelden, maar is ook een algemene beschrijving van de beleidsregel als zodanig gegeven.
besluitvastgesteld, (ii) is
geenalgemeen verbindend voorschrift, en (iii) is een algemene regel die wordt gehanteerd bij gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan, (iv) omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften.
Besluit
bij besluitworden vastgesteld, dat wil zeggen dat ze het resultaat zijn van een besluit. [19] Dit heeft tot gevolg dat alle regels die voor besluiten gelden, als neergelegd in hoofdstuk 3 van de Awb, ook van toepassing zijn op beleidsregels. [20] Daarmee zijn de bepalingen over zorgvuldigheid, belangenafweging, bekendmaking en motivering ook van toepassing op beleidsregels. [21]
nietbij besluit is vastgesteld, betekenisloos is. Ook dergelijk beleid kan op grond van het gelijkheidsbeginsel bindend zijn voor het bestuursorgaan. Echter, de wettelijke bepalingen voor beleidsregels (art. 4:81-4.84 Awb) zijn niet van toepassing. Zo zal voor niet bij besluit vastgesteld beleid de aanvaardbaarheid van dergelijk beleid in elk afzonderlijk geval moeten worden aangetoond, omdat art. 4:82 Awb Pro toepassing mist (zie nader onder 3.9 e.v.). [25] Een belangrijk verschil ten opzichte van beleidsregels in de zin van art. 1:3 lid 4 Awb Pro is verder dat voor afwijking van een werkinstructie niet vereist is dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit vereiste geldt op grond van art. 4:84 Awb Pro wel voor de afwijking van beleidsregels in de zin van art. 1:3 lid 4 Awb Pro (zie verder onder 3.9 e.v.). [26]
Geen algemeen verbindend voorschrift
“naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regels, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent”. [27] Het meest onderscheidende verschil tussen beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften is dat een beleidsregel gebaseerd is op een bestuursbevoegdheid, terwijl een algemeen verbindend voorschrift berust op een wetgevende bevoegdheid. Een wetgevende bevoegdheid moet te herleiden zijn tot de Grondwet of een formele wet. [28] Dit verschil in bevoegdheidsgrondslag brengt met zich mee dat beleidsregels, in tegenstelling tot algemeen verbindende voorschriften, burgers niet kunnen binden, in die zin dat burgers verplichtingen worden opgelegd. [29] Beleidsregels binden wel het bestuursorgaan zelf. [30] Een ander onderscheidend kenmerk van algemeen verbindende voorschriften is dat de binding daaraan absoluut is. Dit in tegenstelling tot beleidsregels, waarvoor op grond van art. 4:84 Awb Pro een inherente afwijkingsbevoegdheid geldt (zie verder onder 3.9 e.v.). [31]
regelgevendebevoegdheid en kwalificeert daarom niet als beleidsregel, maar als algemeen verbindend voorschrift. [33]
Algemene regel bij gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan
scheppendus geen bevoegdheid, maar
veronderstelleneen bevoegdheid. [36] Bröring en De Graaf noemen dit het wezenskenmerk van beleidsregels: beleidsregels zijn regels over de wijze waarop bestuurlijke bevoegdheden worden uitgeoefend. [37] Het doel is dus om een bestaande bestuursbevoegdheid te normeren of te structureren. [38] Doordat de beleidsregel gebaseerd is op een bestuursbevoegdheid, onderscheidt deze zich, als gezegd, van het algemeen verbindend voorschrift, dat gebaseerd is op een wetgevende bevoegdheid. [39]
“zo mogelijk”het wettelijk voorschrift wordt vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit betrekking heeft voortvloeit.
externebestuursbevoegdheden, dat wil zeggen, bevoegdheden van het bestuursorgaan die ingrijpen in de rechten of belangen van burgers. Dit brengt met zich mee dat door een bestuursorgaan gestelde regels die enkel betrekking hebben op de interne gang van zaken bij het bestuursorgaan of op de organisatie van werkzaamheden, geen beleidsregels zijn in de zin van art. 1:3 lid 4 Awb Pro. [41]
bevoegdheid, zonder dat daarbij wordt gespecificeerd dat dit zonder meer om een publiekrechtelijke bevoegdheid moet gaan. [42] Een bekend voorbeeld van een beleidsregel die betrekking heeft op een privaatrechtelijke bevoegdheid, is een gemeentelijke beleidsregel over de uitgifte van grond.
Afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften
kanbesluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen. Een discretionaire bevoegdheid kan ook vorm krijgen in een formulering als
“naar het oordeel van de minister”. [46]
dat er geen verschil is tussen het rechtskarakter van binnenwettelijke en buitenwettelijke beleidsregels. Kort na de inwerkingtreding van de Awb schreef Bröring in zijn monografie over beleidsregels dan ook dat de rubricering in binnenwettelijke en buitenwettelijke beleidsregels “
tegenwoordig van weinig betekenis is”. [55]
tegenwettelijke beleidsregelsworden ook wel geduid als
van de wet afwijkende beleidsregelsof beleidsregels
contra legem. Van dergelijke beleidsregels is sprake wanneer bij de uitvoering van wetten een zekere vrijheid wordt betracht, die niet uitdrukkelijk door de wet wordt geboden, en waarbij “
deze zelf genomen vrijheid […] door beleidsregelgeving wordt gereguleerd”. [56] Formeel gezien zijn tegenwettelijke beleidsregels onverbindend omdat zij in beginsel in strijd zijn met de wet, aldus de parlementaire geschiedenis. [57]
regels omtrent de afweging van belangen of de vaststelling van feiten”. [60] Met andere woorden, de typen (i) en (ii) kwalificeren als beleidsregels in categorie (a) of (b). Wetsinterpreterende beleidsregels (iv) vallen samen met de beleidsregels die in art. 1:3 lid 4 Awb Pro zijn aangeduid als beleidsregels met betrekking tot de interpretatie van wettelijke voorschriften (c).
om voor de hand liggende redenen in de begripsomschrijving niet afzonderlijk genoemd”, zo vermeldt de memorie van toelichting. [61] Vermeld is dat tegenwettelijke beleidsregels doorgaans wel beleidsregels zijn in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb Pro, maar dat zij wegens strijd met de wet in beginsel onverbindend zijn. Bevoegdheden van bestuursorganen vinden hun grenzen in de wet, en dat geldt – uiteraard – ook voor de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Indien de wetgever het bestuur geen ruimte heeft gegeven tot een belangenafweging, of een bepaalde wijze van feitenvaststelling heeft voorgeschreven, mag het bestuur daarvan niet afwijken, en derhalve ook geen beleidsregels van die strekking maken. Alleen voor zover op grond van het ongeschreven recht in de rechtspraak wordt erkend dat het bestuur zich in uitzonderlijke gevallen van de wet mag losmaken, ligt dit wellicht anders. Een en ander is in overeenstemming met het standpunt dat het toenmalige kabinet heeft ingenomen in navolging van het Eindrapport van de Commissie Wetgevingsvraagstukken: [62] een met de wet strijdig beleid is ongewenst en moet zo snel mogelijk worden beëindigd, aldus steeds de memorie van toelichting. [63]
contra legem) was hiermee tamelijk rechttoe-rechtaan: tegenwettelijke beleidsregels zijn ongewenst en in beginsel onverbindend.
bestuursorganenmoeten handelen bij de totstandkoming en naleving van beleidsregels. Nu het verschil in de mate van rechterlijke toetsing niet meebrengt dat er ook een verschil bestaat in de wijze waarop beleidsregels in de Awb geregeld moeten worden, is er geen reden om in de Awb aan te sluiten bij het onderscheid als vermeld onder (i) t/m (iv), aldus de memorie van toelichting. [64] Daar komt nog bij, zo is vermeld, dat de hiervoor onder (i) t/m (iv) genoemde typen beleidsregels in de praktijk sterk verweven zijn: in één beleidsregeling komen vaak beleidsregels van verschillende typen voor. Ook om die reden is het van belang dat de regels inzake totstandkoming en naleving van verschillende regels die binnen één beleidsregeling voorkomen, gelijk zijn. [65] De conclusie is dan ook: [66]
rechterlijke toetsingvan beleidsregels. In de wetsgeschiedenis is daarover het volgende te lezen: [67]
begunstigendvan aard moeten zijn. Niet-begunstigend buitenwettelijk beleid – waarin de burger verplicht wordt iets te doen of na te laten – dat niet op een wettelijke grondslag berust, zou in strijd komen met het legaliteitsbeginsel. [71] Vandaar dat vaak gesproken wordt over
buitenwettelijk begunstigendbeleid. [72] Dit begrip is overigens niet gebruikt in de parlementaire geschiedenis van de Awb.
in de contextvan een wettelijke regeling. [78] Dit onderscheid kan wellicht een rol spelen bij de vraag met welke toetsingsintensiteit buitenwettelijk beleid moet worden beoordeeld (zie daarover nader onder 5.43 e.v).
praeter legem-beleid en
contra legem-beleid. Met
praeter legem-beleid doelt Bröring (als ik het goed zie is het begrip door hem in het algemene bestuursrecht geïntroduceerd) op beleid “
dat niet door de wet gedekt is maar ook niet met de wet in tegenspraak”; dit beleid is “
juist in overeenstemming met de geest (strekking, bedoeling) van de wet”. Dergelijk beleid voldoet “
aan de wens om een aan de wet ten grondslag liggend beginsel beter tot zijn recht te doen komen, en aan het tegengaan van onbillijkheden van overwegende aard”’. Bij
contra legem-beleid gaat het daarentegen om beleid dat tegen de wet indruist en dus niet correspondeert met de strekking van de wet en de wèl in de wet geregelde gevallen. [79]
praeter legemis in de literatuur niet heel duidelijk omlijnd. Soms wordt de term ‘uitlegging
naar analogie’ gebruikt. [80] Soms wordt gedoeld op situaties waarin er sprake is van een leemte in de wet en de rechter deze in lijn met de bedoeling van de wetgever dient in te vullen. Happé omschrijft het
praeter legem-standpunt (van de fiscus) als
“het resultaat van een rechtstreekse, geïndividualiseerde concretisering van algemene materiële beginselen welke aan de belastingwet of de belastingwetgeving in haar geheel ten grondslag liggen”.Hiermee gaat het om een standpunt dat
binnende doelstellingen c.q. de materiële beginselen van de belastingwetgeving blijft. [81] Happé verwijst hier naar Wiarda (die overigens zelf de term niet gebruikt), die het heeft over “[
rechterlijke beslissingen]
waarin soms wél tegen de letter, maar niet tegen de strekking van de wet werd beslist en zij betreffen in het algemeen gevallen, waarin met grond kan worden verondersteld dat, zouden zij de wetgever voor ogen hebben gestaan, deze voor de mogelijkheid om van de gestelde regel af te wijken ruimte zou hebben gelaten.” [82] Praeter legem-uitleg is bij Wiarda dus een methode van rechtsvinding waarbij het doel of de strekking van de wet centraal staat bij de uitleg van een wettelijke bepaling. Enigszins verwarrend is dan dat in de opvatting van Wiarda
praeter legem-uitleg kan ingaan tegen de letter van de wet, terwijl de andere auteurs er van uitgaan, als ik het goed begrijp, dat
praeter legem-beleid geen grondslag heeft in een wettelijke bepaling maar ook niet strijdig is met de wet. In het navolgende zal ik
praeter legem-beleid op die laatste manier opvatten.
tegenwettelijkebuitenwettelijke beleidsregels (art. 2.23 Wet BRP laat geen beleidsruimte), werd dat niet expliciet overwogen door de Afdeling. Dat strookt met de lijn in de rechtspraak, waarin doorgaans wordt volstaan met de constatering dat sprake is van buitenwettelijk beleid en geen verschil wordt gemaakt tussen
praeter legem- en
contra legem-buitenwettelijk beleid. In de woorden van Bröring: alle buitenwettelijke beleidsregels worden op één hoop geveegd. [85]
3.Bijzondere bepalingen over beleidsregels: Titel 4.3 Awb (artt. 4:81-4:84)
nietin een beleidsregel is vastgelegd, nu in dat geval geen garantie bestaat dat de motivering van die gedragslijn voor betrokkenen kenbaar is. [95]
binnen de reikwijdte van de beleidsregel: [96]
“zo mogelijk”, omdat beleidsregels ook betrekking kunnen hebben op bestuursbevoegdheden zonder specifieke wettelijke grondslag (zie hiervoor onder 2.29).
bevoegdheidom in bijzondere gevallen in gunstige zin van de beleidsregels af te wijken. [98] Deze afwijkingsbevoegdheid – ook wel: afwijkings
plicht– was volgens hem ‘
inherent’,omdat zij geldt voor iedere beleidsregel, ook als daarin niet uitdrukkelijk in de beleidsregels is voorzien. Deze bevoegdheid moet in overeenstemming met de eisen van het ongeschreven recht worden uitgeoefend. Van Kreveld wees er in dit verband op dat de inherente afwijkingsmogelijkheid bewerkstelligt dat beleidsregels,
“ook als ze in hun algemeenheid aanvaardbaar zijn, in het individuele geval niet onevenredig zwaar uitwerken”. [99] De afwijkingsbevoegdheid zou echter niet al te vaak tot afwijking moeten kunnen leiden, aangezien een
“omvangrijke afwijkingsverplichting veel van de zin van beleidsregelgeving wegneemt.”In de rechtspraak werd (pre-Awb) maar zelden aangenomen dat van de beleidsregel moest worden afgeweken. [100]
“ondanks de omstandigheid dat de in onze rechtsstaat daarvoor vereiste bevoegdheidsverlening bij wettelijk voorschrift ontbreekt.” [103] Er is daarom altijd ruimte voor afwijking van de beleidsregel. Afwijking van de beleidsregel is volgens de parlementaire geschiedenis mogelijk als aan twee cumulatieve eisen is voldaan. [104] Ten eerste moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Ten tweede dienen deze bijzondere omstandigheden met zich mee te brengen dat de nadelige of voordelige gevolgen van handelen overeenkomstig de beleidsregel onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het tweede vereiste moet in voorkomende gevallen mede worden beoordeeld aan de hand van de onderliggende wettelijke regeling, zo volgt uit de memorie van toelichting: [105]
incidenteleafwijking van een beleidsregel in een “normaal” geval, dus zonder bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen, zou in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel. [106] Een
structureleafwijking in normale, door de beleidsregel voorziene gevallen, zou zelfs materieel een wijziging van de beleidsregel inhouden, zo vermeldt de memorie van toelichting. [107] Ook in de literatuur is benadrukt dat afwijking van een beleidsregel op grond van art. 4:84 Awb Pro slechts bij hoge uitzondering mogelijk zou moeten zijn. [108]
praeter legem) als voor wetsinterpreterende beleidsregels. Daarmee vallen alleen tegenwettelijke beleidsregels buiten het toepassingsbereik van de bepaling. Ten aanzien van het afwijken van
wetsinterpreterendebeleidsregels is in de parlementaire geschiedenis het volgende te lezen: [109]
aan de rechterom te beoordelen in hoeverre het volgen of juist afwijken van de beleidsregel juist is. Hiermee gaat het om een volle toetsing op evenredigheid.
nietin de beleidsregel verdisconteerd waren, als bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 Awb Pro aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak hoefde bij de beoordeling van een concreet geval, geen acht te worden geslagen op omstandigheden die bij de vaststelling van de beleidsregel zijn meegenomen. Omdat niet altijd makkelijk te achterhalen was welke omstandigheden bij het opstellen van een beleidsregel al dan niet waren meegenomen, is dit criterium van
“verdisconteerd zijn”in de jurisprudentie enigszins verworden tot een
“passe-partout”,zo signaleerde Klap. [110]
bindingaan beleidsregels, in plaats van op de inherente
afwijkingsmogelijkheiddaarvan. Hiermee is – ten onrechte – de binding als
hoofdregelgepresenteerd en de afwijking als
uitzondering. [111] Dit heeft ertoe geleid, in de woorden van Klap, dat beleid
“steeds vaker als ‘in beton gegoten’ lijkt te zijn”,en beleidsregels zijn verworden tot algemeen verbindende voorschriften. [112]
nietin de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden begrepen zijn, als omstandigheden die daarin
wélzijn verdisconteerd. Een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid kan dus niet worden afgewezen op de enkele grond dat sprake is van in de beleidsregels verdisconteerde omstandigheden. Als gevolg van deze nieuwe lijn in de rechtspraak is het criterium
“bijzondere omstandigheden”van de Afdeling gerelativeerd, en is de nadruk bij de toepassing van art. 4:84 Awb Pro verschoven naar de evenredigheidstoets. [114] Bij de toepassing van art. 4:84 Awb Pro moet daadwerkelijk worden onderzocht of een beleidsregel in een concreet geval onevenredig uitwerkt (zie hierover nader onder 4.29).
“wegens bijzondere omstandigheden”in art. 4:84 Awb Pro te schrappen. Met het schrappen van deze woorden wordt tot uitdrukking gebracht dat ook normale omstandigheden tot afwijking van een beleidsregel kunnen nopen, aldus de toelichting. [117] De toelichting vermeldt dat het criterium ‘bijzondere omstandigheden’ de afgelopen jaren aan betekenis heeft ingeboet. Verder is vermeld dat de Afdeling recentelijk heeft bevestigd dat, bij een beroep tegen een besluit waarvoor een beleidsregel is vastgesteld, eerst wordt nagegaan of de beleidsregel zelf rechtmatig is, en als dat het geval is, de toets aan art. 4:84 Awb Pro dezelfde is als die aan het huidige art. 3:4 Awb Pro (zie nader onder 4.20 e.v.).
verplichtingbevat om af te wijken van een beleidsregel als dat noodzakelijk is voor een evenredige rechtstoepassing. Ook hiermee wordt overigens geen wijziging beoogd, nu reeds bij de totstandkoming van art. 4:84 Awb Pro is opgemerkt dat deze bepaling zowel een bevoegdheid als een verplichting inhoudt om in bijzondere omstandigheden van een beleidsregel af te wijken. [120] Hoewel dit uitgangspunt ook herhaaldelijk is bevestigd in de rechtspraak, [121] bleek uit de praktijk dat de ruimte die art. 4:84 Awb Pro biedt niet altijd wordt benut. [122]
“aan beleidsregelgeving verwante verschijnselen”die buiten de werkingssfeer van titel 4.4 Awb vallen, zoals interne beleidslijnen. [127] De algemene beginselen van behoorlijk bestuur gelden dus óók bij de toetsing van beleid dat niet kwalificeert als beleidsregel in de zin van art. 1: lid 4 Awb Pro.
4.De toetsing van een besluit dat berust op binnenwettelijke beleidsregels
“de aanzuigende werking die zij verwacht van het toekennen van beroep tegen deze besluiten, en op de overbelasting voor de nieuwe gerechten in eerste aanleg die daaruit zou voortvloeien.” [129] In 1998 is bij wet bepaald dat de uitzondering tot een nader bij de wet in formele zin te bepalen tijdstip zou worden gehandhaafd. [130]
Landbouwvliegers. [134] In dit arrest aanvaardde de Hoge Raad de mogelijkheid dat de rechter algemeen verbindende voorschriften (wetgeving in materiële zin) toetst aan algemene rechtsbeginselen. Maar, zo werd overwogen, deze toetsing is beperkt van omvang. Het oordeel dat algemeen verbindende voorschriften onrechtmatig zijn kan namelijk alleen worden gebaseerd:
Binnenvaart-arrest overwoog de Hoge Raad dat de rechter wetgeving in materiële zin aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht kan toetsen. [135] Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts, zo is overwogen, brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten. Wel kan de rechter onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen, aldus de Hoge Raad.
“geconditioneerde respons van rechterlijke afstandelijkheid”. [139] Van den Berge noemt het een
“doctrinaire fixatie op aparte stoelen en afzonderlijke domeinen”. [140]
, “een beperking van het blikveld volgens een allang achterhaald bipolair begrip van het bestuursrecht.” [141]
Verdeelmodel Participatiewet). [148] In deze uitspraken volgde de CRvB een conclusie van Widdershoven. [149] Widdershoven bepleitte daarin dat bestuursrechters een algemeen verbindend voorschrift exceptief moeten toetsen aan zowel materiële als formele algemene rechtsbeginselen, en dat het voorschrift buiten toepassing moet worden gelaten of onverbindend moet worden geacht als het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. De willekeursluis van het
Landbouwvliegers-arrest dient daarbij niet langer als ‘extra horde’ te fungeren, aldus Widdershoven.
inhoudelijkmoeten worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met welke toetsingsintensiteit dit moet gebeuren, hangt af van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft. Als sprake is van beslissingsruimte die kan worden of is ingevuld aan de hand van politiek-bestuurlijke afwegingen, is het niet de taak van de rechter om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Verder geldt dat naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn, de beoordeling intensiever kan zijn.
Reclamedrukwerkheeft de civiele kamer van de Hoge Raad overwogen dat het nieuwe toetsingskader van de CRvB ‘naar zijn strekking’ niet afwijkt van het toetsingskader in het
Binnenvaart-arrest (zie onder 4.9). [154] Hiermee moet ervan worden uitgegaan dat er geen verschil is tussen de civielrechtelijke en de bestuursrechtelijke toetsing (hoewel dat niet direct blijkt uit de formulering van de beoordelingskaders door CRvB respectievelijk Hoge Raad). Dat een gelijk toetsingskader wordt gehanteerd is belangrijk, omdat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een belanghebbende niet-ontvankelijk is bij de civiele rechter in een vordering die gericht is tegen een algemeen verbindend voorschrift. De reden daarvoor is dat hij in de bestuursrechtelijke procedure voldoende rechtsbescherming geniet. [155] De belanghebbende kan namelijk in het kader van het bestuursrechtelijke beroep tegen het besluit de rechtmatigheid van het algemeen verbindend voorschrift aan de orde stellen (de exceptieve toetsing). Om ‘voldoende bestuursrechtelijke rechtsbescherming te genieten’, is dan wel nodig dat de bestuursrechtelijke toetsing niet beperkter is dan die van de civiele rechter. [156]
beleidsregelseen verruimd toetsingskader gegeven, namelijk in de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 (
Harderwijk). [157] De uitspraak is gewezen door de grote kamer, waarmee duidelijk is dat de uitspraak onderschreven wordt door de drie bestuursrechtelijke appelcolleges. [158]
Harderwijk-uitspraak ging het om een door de burgemeester van Harderwijk opgelegde maatregel tot woningsluiting wegens drugshandel, gebaseerd op het zogenoemde Damoclesbeleid Harderwijk 2019. Het Damoclesbeleid vindt zijn grondslag in art. 13b van de Opiumwet. De vraag was met welke intensiteit de bestuursrechter bestuurlijke maatregelen als deze moet toetsen, en wat daarbij de betekenis is van het evenredigheidsbeginsel.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen") brengt tot uitdrukking dat het bestuur bij de toepassing van die norm er steeds voor moet zorgen dat sprake is van een evenredige doel- en middelverhouding. Essentieel is dat de bepaling twee gelijkwaardige ‘ijkpunten’ heeft: aan de ene kant het met het besluit beoogde doel en aan de andere kant de (nadelige) gevolgen van het besluit. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is dus niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Een besluit met ‘harde’ gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. En omgekeerd kan een besluit met ‘zachte’ gevolgen toch onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen niet zwaar wegen. De toepassing van het evenredigheidsbeginsel vergt daarom een scherp inzicht, van zowel het bestuur bij de besluitvorming als de bestuursrechter bij de toetsing, in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn, aldus nog steeds de Afdeling.
Maxis-Praxis), maar bij voorkeur (rechtstreeks) moet aansluiten bij de bewoordingen van art. 3:4 lid 2 Awb Pro (rov. 7.6).
oriëntatiepunten(rov. 7.9):
eerste stapwordt getoetst (eventueel impliciet) of de beleidsregel zélf evenredig is. Als bij de eerste stap is geoordeeld dat de beleidsregels de toetsing doorstaan en dus niet onrechtmatig zijn, volgt de
tweede stap. Bij deze tweede stap wordt getoetst of de gevolgen van het individuele besluit wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Deze toetsing is gebaseerd op art. 4:84 Awb Pro. Zoals besproken, had de Afdeling eerder al geoordeeld dat onder ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van art. 4:84 Awb Pro zowel niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden, als omstandigheden die daarin wél zijn verdisconteerd begrepen moeten worden (zie onder 3.19).
Harderwijk-uitspraak is een toetsingskader gegeven voor de toetsing van
alle besluiten waarbij het bestuursorgaan beleidsruimte heeft(zie ook rov. 7.3 [159] ). Het in de uitspraak omschreven stappenplan is specifiek geschreven voor gevallen – zoals de casus Harderwijk – waarin de beleidsruimte is ingevuld met beleidsregels. Hoewel dit niet expliciet is overwogen, is duidelijk dat het hierbij gaat om
binnenwettelijkebeleidsregels. Dit volgt uit de eerste zin van rov. 7.11 (geciteerd onder 4.27), waarin staat:
“gevallen als deze, waarin het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels”. Dergelijke beleidsregels zijn naar hun aard binnenwettelijke beleidsregels (zie onder 2.28). Dat het toetsingskader en stappenplan uitsluitend bedoeld was voor binnenwettelijke beleidsregels, volgt ook uit het feit dat ná de
Harderwijk-uitspraak voor besluiten die berusten op buitenwettelijke beleidsregels een ander, beperkt toetsingskader is blijven gelden (zie hierna onder 5.13-5.19).
Harderwijk-uitspraak voorafgaande conclusie van de A-G’s Widdershoven en Wattel was bepleit om de evenredigheidstoets steeds in drie stappen uit te voeren: (i) is het besluit geschikt om het doel te bereiken? (ii) is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? (iii) is de maatregel evenwichtig? [160] De Afdeling onderschrijft dat de elementen geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid bij de evenredigheidstoetsing een rol kunnen spelen. Volgens de Afdeling zal de bestuursrechter van geval tot geval, in het verlengde van de tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden, moeten bepalen of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel (uitdrukkelijk) bij de toetsing moeten worden betrokken (rov. 7.8).
Harderwijk-uitspraak is positief ontvangen en uitgebreid becommentarieerd in de literatuur. [161] Sindsdien is deze overweging in meerdere uitspraken van de Afdeling te vinden. [162] Het toetsingskader uit de
Harderwijk-uitspraak is ook overgenomen in de rechtspraak van de CRvB [163] en het CBb. [164]
Afsluitingsregeling). [165] Het ging in deze zaak om de aanvraag van een moeder en zoon met de Keniaanse nationaliteit, die een aanvraag hadden ingediend om verblijf op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen, ook wel Kinderpardon genoemd). Omdat aan de moeder een contra-indicatie werd tegengeworpen (namelijk: het niet aantonen van haar identiteit), werd ook aan de zoon het verblijf onthouden.
verplichtingvoortvloeit voor het treffen van zo’n regeling langdurig verblijvende kinderen, is de Afsluitingsregeling in eerdere rechtspraak van de Afdeling als begunstigend gekwalificeerd. [167] Met betrekking tot de voorganger van de Afsluitingsregeling had de Afdeling geoordeeld dat de staatssecretaris bij deze regeling een hoge mate van beleidsvrijheid toekomt, wat maakt dat de bestuursrechter slechts marginaal toetst aan de uitleg en toepassing van deze regeling. [168]
Harderwijk-uitspraak geformuleerde nieuwe toetsingskader voor het evenredigheidsbeginsel rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van begunstigend beleid. De Afdeling heeft over deze vraag en over de in de Afsluitingsregeling neergelegde contra-indicaties conclusie gevraagd aan A-G Widdershoven. [169]
Harderwijk-uitspraak te hebben herhaald, overweegt de Afdeling dat dit toetsingskader en stappenplan ook van toepassing is op de Afsluitingsregeling, nu deze beleidsregels invulling geven aan een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris (rov. 6.1-7). De Afdeling overweegt vervolgens (in het kader van de eerste stap) dat de wet- en regelgever relatief veel ruimte heeft gelaten om het beleid in de Afsluitingsregeling vorm te geven, en dat de regeling zich kenmerkt door een hoge mate van politieke gevoeligheid. De rechter heeft deze ruimte en politieke gevoeligheid te respecteren. Dit komt tot uitdrukking in de toetsingsintensiteit: deze moet bij de toetsing van de evenredigheid van de Afsluitingsregeling terughoudend zijn (rov. 7.1-7.3). Volgens de Afdeling is het door de staatssecretaris in de Afsluitingsregeling neergelegde beleid in algemene zin evenredig (rov. 7.4).
belastendeelementen inzitten. In lijn met de conclusie van Widdershoven oordeelt de Afdeling dat bij de toetsing van de evenredigheid van tegengeworpen contra-indicaties een indringender toets is aangewezen (rov. 8.1-8.3 en 8.9). Dat wil zeggen: indringender dan geldt voor de (begunstigende) voorwaarden uit de Afsluitingsregeling die een terughoudende evenredigheidstoetsing rechtvaardigen. Overwogen wordt in dit verband dat toepassing van de contra-indicaties ernstige nadelige gevolgen kan hebben voor het betrokken kind en fundamentele rechten van het kind kan aantasten (rov. 8.6). Ook de omstandigheid dat er mogelijk een inbreuk wordt gemaakt op fundamentele rechten van het kind, rechtvaardigt een meer indringende rechterlijke toetsing (rov. 8.10).
gerechtvaardigd doeldient en daarvoor een
geschiktmiddel is. Dit is het geval (rov. 9.4-9.4.5).
noodzakelijkis (kan het doel ook met een minder vergaand middel worden bereikt?) en
evenwichtigis (is toepassing van de contra-indicatie geen onredelijk bezwarend middel is, gelet op het daarmee beoogde doel). Bij deze vragen onderscheidt de Afdeling twee subvragen: is de contra-indicatie
in algemene zinnoodzakelijk (rov. 9.5-9.7.1), en is toepassing van de contra-indicatie
in dit concrete gevalnoodzakelijk (rov. 9.8-9.9). Hetzelfde toetsingsschema wordt gehanteerd voor de toetsing aan evenwichtigheid: is de contra-indicatie
in algemene zinevenwichtig (rov. 9.10-9.15.2) en is toepassing van de contra-indicatie
in dit concrete gevalevenwichtig (rov. 9.16-9.17.2).
Afsluitingsregeling-uitspraak blijkt dat bij de toetsing van een op basis van (binnenwettelijke) beleidsregels genomen besluit, heel precies moet worden geanalyseerd welke elementen in het beleid zijn te identificeren, en of die elementen een belastend of een begunstigend karakter hebben. Bij belastende elementen is een meer indringende toetsing aangewezen dan bij begunstigende elementen.
Afsluitingsregeling-uitspraak, net als uit de
Harderwijk-uitspraak, dat de toetsing van een op basis van (binnenwettelijke) beleidsregels genomen besluit aan het evenredigheidsbeginsel in twee stappen plaatsvindt. Bij de eerste stap wordt de beleidsregel zelf, althans een specifiek element daaruit, getoetst op evenredigheid. Als de beleidsregel stand houdt, wordt toegekomen aan de tweede stap: is het op basis van de beleidsregel genomen
besluitevenredig. In dat kader vindt een toetsing plaats aan art. 4:84 van Pro de Awb: is er aanleiding om in het concrete geval af te wijken van de beleidsregel, omdat toepassing daarvan voor de belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
gebondenbevoegdheid, verankerd in een wettelijke bepaling. De eerste vraag die hiermee voorlag was of een wettelijke bepaling getoetst kan worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder aan het evenredigheidsbeginsel. De ABRS beantwoordde deze vraag – in lijn met de conclusie van A-G Snijders [171] – ontkennend. De Afdeling houdt hiermee vast aan het toetsingsverbod uit het
Harmonisatiewet-arrest van de Hoge Raad. [172]
niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel. Na te hebben overwogen dat ook de CRvB [173] en het CBb [174] deze zogenoemde contra-legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht bij wetsbepalingen hebben aanvaard, overweegt de Afdeling dat ook zij zich hierbij aansluit (mijn onderstrepingen):
Ten tweede kan het gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.”
contra legemkan worden toegepast. [175] De ‘niet verdisconteerde omstandigheden’ die aanleiding kunnen zijn om bij wijze van exceptieve toetsing een formele wetsbepaling buiten toepassing te laten, kunnen namelijk niet alleen zijn gelegen in het handelen van het bestuursorgaan bij de uitvoering of de toepassing van de wettelijke bepaling. Deze uitzondering volgde al uit het
Harmonisatie-arrest. Daarnaast kan echter ook sprake zijn van niet verdisconteerde omstandigheden, wanneer
de gevolgenvan de toepassing van de wettelijke bepaling niet stroken niet met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Hiermee lijkt een verruiming te zijn gegeven aan de contra-legem toepassing van het evenredigheidsbeginsel, [176] die echter niet zover gaat als was voorgesteld door de A-G’s Widdershoven en Wattel [177] en A-G Snijders. [178] Maar of dit inderdaad het geval is, is impliciet gebleven. Volgens Laninga en Duchateua is het dan ook tijd “dat de rechtspraak én de wetgever kleur bekennen”. [179]
vaste gedragslijnaan de evenredigheidstoetsing uit de
Harderwijk-uitspraak is onderworpen. Bij een vaste gedragslijn is geen sprake van een beleidsregel in de zin van art. 1:3 lid 4 Awb Pro, maar dat betekent niet dat het beleid niet genormeerd is door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie onder 3.32). Door de CRvB is overwogen dat ook voor dergelijk beleid het evenredigheidsbeginsel van betekenis is, en dat ook hier het toetsingskader uit de
Harderwijk-uitspraak geldt. [180] De vaste gedragslijn is dan ook beoordeeld aan de hand van de ijkpunten geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
eenuitleg van art. 3:4 lid Pro 2), moet worden opgeheven. Voor wat betreft het toetsingskader wordt in de toelichting aansluiting gezocht bij de
Harderwijk-uitspraak (zie onder 4.20 e.v.). Vermeld is dat het karakter van formele wetten in de praktijk naar verwachting wel zal leiden tot een verschil in toetsingsintensiteit. [183]
Harderwijk-uitspraak aan het evenredigheidsbeginsel moeten worden getoetst.
5.De toetsing van een besluit dat berust op buitenwettelijke beleidsregels
consistentworden toegepast. [186] De beleidsregels zelf worden als een gegeven beschouwd. Het toetsingskader dat in de
Harderwijk-uitspraak is geformuleerd wordt dus niet toegepast op buitenwettelijke beleidsregels.
met dit besluitconsistent is toegepast. [187] Verwarrend is volgens haar bovendien dat soms wordt overwogen dat het beleid
en de toepassingvan het beleid als een gegeven wordt aanvaard, terwijl ook wel is te lezen dat het beleid als een gegeven wordt aanvaard. [188] Voor het eerste punt neem ik aan dat het erom gaat of in het voorliggende besluit het beleid consistent is toegepast; voor het tweede punt denk ik dat bedoeld wordt dat het beleid en de toepassing daarvan als een gegeven wordt aanvaard.
praeter legembuitenwettelijk beleid, maar ook bij tegenwettelijk beleid. [191]
praeter legem. Zo wordt soms getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zij het dat de toetsing zeer summier is en volstaan wordt met de overweging dat er geen reden is om af te wijken van het beleid of dat het besluit niet onevenredig is. [197] Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de TOGS-uitspraken van het CBb. [198] In deze uitspraken is soms ook getoetst aan het gelijkheidsbeginsel. [199] Ook in de bed-bad-brood-uitspraken van de Afdeling, waarin de bestreden besluiten berusten op buitenwettelijk gemeentelijk beleid, is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel (kennelijke onredelijkheid) en het gelijkheidsbeginsel. [200] Op een enkele uitzondering na, [201] wordt bij buitenwettelijk beleid niet expliciet toetst aan art. 4:84 Awb Pro.
tegenwettelijkbeleid is het volgens vaste rechtspraak van de CRvB niet mogelijk om te beoordelen of zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in art. 4:84 Awb Pro, op grond waarvan van het buitenwettelijke beleid moet worden afweken. Zie bijvoorbeeld de volgende overweging: [202]
Anders dan appellante veronderstelt, is het voor de Raad niet mogelijk om te beoordelen of zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb die afwijking van buitenwettelijk begunstigend beleid rechtvaardigen. Dit is al eerder overwogen.”
praeter legem; voor buitenwettelijk beleid
contra legemligt dit anders (zie daarover nader onder 5.47 e.v.).
mogelijkheid(
“zoukunnen worden aangesloten bij de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften (…)”,
“zoudende algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer vormen”). Uit deze uitspraak kan dus niet de conclusie worden getrokken dat de Afdeling al daadwerkelijk een ruimer toetsingskader voor buitenwettelijke beleidsregels heeft aanvaard.
opmaatom het bestaande toetsingskader te verlaten.
Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleidsruimte.
Met dit standpunt heeft de minister het beleid ook niet inconsistent toegepast. Het kabinet heeft ervoor mogen kiezen om een jaar te hanteren als minimumperiode waarin een persoon structureel substantiële werkzaamheden heeft verricht voor die organisaties. Als de minister de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen, niet faciliteert, schendt hij niet hun fundamentele rechten. Ook niet als de Taliban dat mogelijk wel doen. Zoals de Afdeling onder 4 heeft overwogen, wordt personen die buiten dit beleid vallen namelijk niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben.
Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.”
Harderwijk-uitspraak ontwikkelde toetsingskader (zie onder 4.20 e.v.). Hiermee is ook deze uitspraak, als gezegd, niet meer dan een (nadere) opmaat voor een indringender toetsing van buitenwettelijk beleid.
“rechtsvrije ruimte voor het bestuur”,waarin kennelijk nauwelijks normen gelden. [214] Een ontbrekende toetsing van buitenwettelijke beleidsregels zou wellicht nog gecompenseerd kunnen worden, als de bestuursrechter het concrete besluit wél indringend zou toetsen. Dat gebeurt echter ook niet: als gezegd wordt alleen getoetst of het beleid consistent is toegepast, aangevuld met een toetsing op een mogelijke schending van fundamentele rechten. Ook is het volgens Bröring onaanvaardbaar dat de rechter, wanneer bijvoorbeeld als beroepsgrond is aangevoerd dat de buitenwettelijke beleidsregels op een onjuiste feitelijke grondslag berusten, dit punt terzijde laat omdat het om buitenwettelijke beleidsregels gaat. [215]
besluitenzijn, waarop de algemene bepalingen van hoofdstuk 3 Awb van toepassing zijn. Dat maakt het moeilijk te volgen dat het rechterlijke toetsingskader beperkt kan worden tot een consistente toepassing. [216] Dit is een terechte constatering, zoals blijkt uit wat hiervoor is besproken (zie onder 2.30-2.31 en 2.38-2.39). In het wettelijke systeem vallen beide soorten beleidsregels onder de wettelijke omschrijving van art. 1:3 lid 4 Awb Pro.
overgangsmaatregelwordt gehanteerd. [218]
Deze wijze van toetsing betekent dat het vaststellen van onredelijk buitenwettelijk begunstigend beleid niet problematisch wordt geacht, mits de toepassing daarvan consistent gebeurt. Het onredelijke beleid zelf wordt niet aan rechterlijke toetsing onderworpen. In zoverre is sprake van een rechtsvrije ruimte voor het bestuur. Zeker in het geval een coronasteunregeling min of meer toevallig niet op een wettelijke grondslag berust, omdat deze niet voorhanden is, is dat problematisch. Hoewel ik de mening van Bröring deel dat ook bij exceptieve toetsing de uitkomst in de meeste gevallen niet anders zal zijn – dit blijkt uit de hiervoor besproken jurisprudentie over de NOW waarin het gaat om exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift –,
lijkt zo’n supermarginale toetsing niet meer van deze tijd en nauwelijks verdedigbaar.(…) Het lijkt erop dat het CBb zelf ook worstelde met deze terughoudende toetsing. (…) De marginale toetsing van coronasteunregelingen die de vorm van buitenwettelijk begunstigend beleid hebben, moet wat mij betreft gewoon van tafel. Nu de bestuurswetgever vrij willekeurig kan besluiten om een coronasteunregeling vorm te geven als een subsidieregeling dan wel als buitenwettelijk begunstigend beleid, is het belangrijk dat ook in het laatste geval de rechter kritisch kijkt of dat beleid zich verdraagt met algemene rechtsbeginselen en niet alleen of dat beleid consistent is toegepast.
Evident onredelijk beleid kan immers ook consistent worden toegepast.”
evident onredelijkbeleid door de rechter in stand wordt gelaten.
, “in elk geval op evenredigheid”?, zo vraagt hij zich af. Damen constateert dat er (ook) op dit punt
“nog geen frisse PKW waait”(‘Post-Kinderopvangtoeslagenschandaal-wind’). [220]
Besluit betalen private schuldenop: [221]
nietde eis geldt dat de regelsteller in redelijkheid tot de vaststelling moet hebben kunnen komen. Volgens Van Kreveld bestaat er wat betreft de toetsing van binnenwettelijk en buitenwettelijk beleid aan het verbod van onredelijkheid geen principieel onderscheid: [222]
helemaalgeen normering zou gelden. Integendeel, ook bij buitenwettelijke beleidsregels zal de rechter gewoon moeten toetsen of de beleidsregels in overeenstemming zijn met hogere regelgeving en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In feite staat het zeer beperkte toetsingskader dat de afgelopen decennia voor buitenwettelijke beleidsregels is gehanteerd, haaks op de bedoeling van de Awb-wetgever, “
dat de beleidsregels voor de burger het voordeel heeft, dat het bestuursoptreden beter voorspelbaar wordt en de behoorlijkheid daarvan met behulp van de beleidsregel beter kan worden getoetst”. [227] Er is geen reden om te veronderstellen dat het hier geformuleerde oogmerk uitsluitend betrekking had op binnenwettelijke beleidsregels. Maar in het beperkte toetsingskader heeft helemaal geen toetsing plaatsgevonden van ‘de behoorlijkheid van het bestuursoptreden met behulp van de beleidsregel’.
dezelfde) beleidsregels in de ene situatie kwalificeren als buitenwettelijk beleid, maar in een andere situatie als binnenwettelijke beleid. Dit leidt tot arbitraire verschillen in het rechterlijke toetsingskader. Voorbeelden zijn de coronasteunmaatregelen en de beleidsregels voor herstelmaatregelen in de kinderopvangtoeslagaffaire.
Afsluitingsregeling-uitspraak is reeds een kader gegeven voor de wijze waarop begunstigende elementen in binnenwettelijke beleidsregels moeten worden beoordeeld. Hiermee ligt het zonder meer voor de hand om ook voor buitenwettelijke beleidsregels (je zou ook kunnen zeggen: beleidsregels die uitsluitend begunstigende elementen bevatten) hierbij aan te sluiten.
Harderwijk-uitspraak moeten worden gevolgd (zie onder 4.20 e.v.). Zowel de beleidsregel zelf als de toepassing daarvan in het concrete geval moeten voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de drietrapstoets geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. De evenredigheidstoetsing van de beleidsregel vindt exceptief plaats en kan ertoe leiden dat vereisten of aspecten van de beleidsregel die in strijd zijn met art. 3:4 lid 2 Awb Pro buiten toepassing worden gelaten. Is de beleidsregel evenredig, maar is de toepassing in het concrete geval vanwege bijzonder omstandigheden onevenredig, dan kan het nodig zijn om op grond van art. 4:84 Awb Pro af te wijken van de beleidsregel.
Harderwijk-uitspraak, waarin is overwogen dat de toetsingsintensiteit wordt bepaald door onder meer
de aard en de mate van de beleidsruimtevan het bestuursorgaan (zie onder 4.25).
Harderwijk-toetsingskader echter niet alleen afhankelijk van de aard en de mate van de beleidsvrijheid, maar ook van
de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen, de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt.M.i. kan dan ook niet worden gezegd dat buitenwettelijk beleid
steedsterughoudend moet worden getoetst. In een situatie als die van de corona-steunmaatregelen, waarin enkel vanwege het spoedeisend karakter de beleidsregels aanvankelijk een wettelijke grondslag ontbeerden en dus buitenwettelijk waren, zie ik weinig reden om die beleidsregels anders te toetsen dan de latere beleidsregels die wél op een wettelijke grondslag berusten. Ook het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen kunnen met zich meebrengen dat de toetsingsintensiteit van een buitenwettelijke beleidsregels vergelijkbaar is met die van binnenwettelijke beleidsregels. Steeds zal per geval ook een precieze analyse zal moeten worden gemaakt van alle relevante omstandigheden.
praeter legemis, dus buitenwettelijk beleid dat in overeenstemming is met de strekking van de wet (zie onder 2.49). Buitenwettelijke beleidsregels kunnen echter ook
contra legemzijn. Zoals gezegd, wordt in de rechtspraak geen
explicietonderscheid gemaakt tussen
praeter legemen
contra legembuitenwettelijk beleid (zie onder 2.52).
de toepassingvan het beleid in het voorliggende besluit toetst en niet de inhoud van het beleid. Als de rechter het tegenwettelijke beleid zou toetsen, zou al snel worden getreden in een toetsing van een formele wet, waar het tegenwettelijke beleid haaks op staat. Dat is echter (nog steeds) niet toegestaan, zoals volgt uit de
Wet Kinderopvangtoeslag-uitspraak (zie onder 4.47). In dit voorstel is dus geen sprake van een toetsing in twee stappen conform de
Harderwijk-uitspraak; de beleidsregel zelf wordt niet getoetst.
het concrete besluitechter wél inhoudelijk. Ook besluiten die berusten op tegenwettelijk beleid zijn genormeerd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter dient dergelijke besluiten dan ook te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij respecteert de rechter de door het bestuursorgaan gemaakte beleidskeuzes en wordt de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel dan ook met terughoudendheid uitgevoerd. Slechts bij uitzondering zal de rechter tot het oordeel komen dat het bestuursorgaan op grond van art. 4:84 van Pro de Awb aanleiding had moeten zien om in het concrete geval af te wijken van de tegenwettelijke beleidsregel, omdat toepassing daarvan voor de belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Wet Kinderopvangtoeslag-uitspraak (zie onder 4.47 e.v.). Daarin is immers overwogen dat het de rechter vrijstaat om in bepaalde (groepen van) gevallen een wetsbepaling buiten toepassing te laten op de grond dat toepassing van de bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel. Daarbij is erop gewezen dat de niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden verschillend van aard kunnen zijn. Die kunnen namelijk gelegen zijn in het handelen van het bestuursorgaan bij de uitvoering of de toepassing van de wettelijke bepaling, maar ook in gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Het zal m.i. met name deze laatstbedoelde categorie van bijzondere omstandigheden zijn waarin er aanleiding kan zijn om op grond van art. 4:84 Awb Pro af te wijken van de tegenwettelijke beleidsregel.
fact of lifedat hij geconfronteerd met tegenwettelijk beleid. M.i. is het merkwaardig om geen rechtsbescherming te bieden, als het bestuur (toch) gebruik maakt van tegenwettelijk beleid. Als tegenwettelijk beleid onverbindend wordt verklaard, staat de burger met lege handen. [232] Er valt dan immers helemaal niets meer te toetsen.
Wet Kinderopvangtoeslag-uitspraak, waarin er toch een héél klein kiertje is om in bijzondere gevallen af te wijken van een formele wetsbepaling (of dat nu wel of niet is geankerd in tegenwettelijk beleid). Dat hele kleine kiertje wordt echter niet benut als alleen op een consistente toepassing van het beleid wordt getoetst.
juist(en nog meer dan bij binnenwettelijke bestuurstaken) bij het uitoefenen van een buitenwettelijke bestuurstaak, er aanleiding is om beleidsregels vast te stellen en te hanteren: [233]
6.Het wettelijke systeem van herziening en terugvordering van uitkeringen
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
verplichtinghebben tot herziening en terugvordering van het volledige bedrag dat onverschuldigd is uitgekeerd. Daarvóór was in de verschillende socialezekerheidswetten een
bevoegdheidtot herziening en terugvordering opgenomen. Dat sprake is van een verplichting blijkt uit het gebruik van de woorden
herziet(of trekt in) en
wordt teruggevorderdin de wettekst (zoals in de geciteerde bepalingen van art. 2:58 lid 1 en Pro art. 2:59 lid 1 Wajong Pro). Er is met andere woorden dus geen spraken van een zogenoemde ‘kan’-bepaling.
dringende reden(art. 2:58 lid 3 en Pro art. 2:59 lid 5 Wajong Pro). De andere socialezekerheidswetten kennen vergelijkbare bepalingen.
verplichting(ook wel aangeduid als een
rechtsplicht) tot terugvordering. [247] Alleen als sprake is van een dringende reden, geldt de verplichting niet. Vanwege het verplichtende karakter van terugvordering is er volgens de memorie van toelichting geen ruimte voor toetsing van een terugvorderingsbesluit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie de regeringsreactie op vragen van de Sociale Verzekeringsraad (SVr): [248]
herzieningvan een uitkering is in de memorie van toelichting vermeld dat niet van belang is of de reden voor herziening is gelegen in een fout van het bestuursorgaan of in handelen van een betrokkene. Ook is vermeld dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin sprake is van ‘toedoen’ van betrokkene en waarin dat niet het geval is maar wel redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn voor betrokkene dat er iets mis was met de toegekende uitkering. Verder wordt benadrukt dat de uitkeringsinstantie in elk concreet geval een afweging moet maken aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie bijvoorbeeld de volgende passage (mijn onderstrepingen): [249]
Het artikel maakt - anders dan de huidige wet in de terugvorderingsbepalingen doet - geen onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de betrokkene een rol speelt en gevallen waarin geen sprake is van toedoen van de betrokkene maar aan deze wel redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval is er immers geen reden voor een verdergaande bescherming; het feit dat de betrokkene zelf geen enkele rol heeft gespeeld in de foutieve toekenning is geen reden om hem eerder te vrijwaren tegen acties tot correctie en hem ongerechtvaardigde voordelen te laten behouden.
Het verdient de voorkeur dat het uitvoeringsorgaan in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot herziening van de toekenningsbeschikking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet bij voorbaat in de wet verschillende gevolgen worden verbonden aan de omstandigheid dat betrokkene wel of niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan de foutieve toekenning.
artikel 84, lid 3, Abw), dat een soortgelijke uitzondering op de terugvorderingsplicht bevat. Voor een nadere toelichting, met name op het begrip «dringende redenen», zij verwezen naar de toelichting bij het voorgestelde artikel 36, lid 2, WW en artikel 84, lid 3, Abw.Doel van deze bepaling is voorts om aan te geven dat het uitvoeringsorgaan omtrent het achterwege laten van herziening of intrekking dient te «besluiten»; hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de desbetreffende besluitvorming zichtbaar moet worden gemaakt, door vastlegging in een (gemotiveerd) besluit. Dit is wenselijk zowel vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor de betrokkene als ten behoeve van het toezicht op de uitvoering. Tevens kan zo'n besluit een nuttige rol vervullen als (vastgelegde) waarschuwing aan het adres van de betrokkene.”
steedsplaats zou moeten vinden. Ook staat er niet dat herziening een
verplichtingof
rechtsplichtvan de uitkeringsinstantie is. Overigens is in het algemene deel van de memorie van toelichting wél te lezen dat “
de herzieningsplicht een bijdrage [kan] leveren aan de bevordering van de rechtshandhaving in de sociale zekerheid.” [250] Maar ook in het algemene deel is veel méér benadrukt de
“rechtsplicht tot terugvordering.” [251]
dat in het wetsvoorstel wel degelijk wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak (herziening/intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht is niet toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had). De werking van dit beginsel brengt namelijk omgekeerd geformuleerd mee dat herziening/intrekking met terugwerkende kracht wel is toegestaan indiende belanghebbende wist of had moeten weten dat zijn gedrag laakbaar was. Hoofdlijn van het wetsvoorstel is: indien die laakbaarheid bestaat uit schending van de inlichtingenplicht wordt een boete opgelegd. Indien de laakbaarheid bestaat uit het schenden van andere verplichtingen dan wordt met terugwerkende kracht tot aan het tijdstip van de schending een maatregel opgelegd. Een voorbeeld ter illustratie. Indien een uitkeringsgerechtigde in de loop van zijn WW-uitkering passende arbeid weigert dan wordt vanaf dat moment de resterende uitkeringsduur blijvend geheel geweigerd.”
Wel kunnen zich bijzondere gevallen voordoen waarin herziening en terugvordering niet behoren plaats te vinden. Dat deze bijzondere gevallen niet te snel mogen worden aangenomen hebben wij tot uitdrukking gebracht in de dringende reden bepaling; in geval van dringende reden kan immers worden afgezien van herziening en terugvordering. Bij de invulling van de dringende reden bepaling dienen, zoals wij al eerder hebben opgemerkt, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen. Onzes inziens zullen hierbij de eventuele tekortkomingen van het uitvoeringsorgaan en de mogelijk wetenschap van de betrokkene moeten worden betrokken.”
In het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak (herziening/intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht is niet toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had). De werking van dit beginsel brengt namelijk, omgekeerd geformuleerd, mee dat herziening/intrekking met terugwerkende kracht wel is toegestaan indien de belanghebbende wist of had moeten weten dat zijn gedrag laakbaar was.”
Het kabinet is van mening dat bijvoorbeeld het enkele feit dat het uitvoeringsorgaan een administratieve vergissing heeft begaan er niet toe kan leiden dat het teveel betaalde niet teruggevorderd kan worden. Dat betekent niet dat altijd in alle gevallen teruggevorderd zal worden, omdat ook hier geldt dat in bijzondere gevallen op grond van dringende reden kan worden afgezien van terugvordering.”
herzieningwél een rol blijft spelen. Onderschreven wordt namelijk (zie met name onder 6.17) dat als betrokkene niet had hoeven te begrijpen dat hij geen recht op uitkering had, de rechtszekerheid aan herziening in de weg
kanstaan (maar niet per definitie, zie onder 6.20). Kennelijk blijft ook in de ogen van de regering het rechtszekerheidsbeginsel een rol spelen. Als het gaat om
terugvorderingworden de kaders strakker getrokken: dan moet worden teruggevallen op de dringende reden (zie met name onder 6.13).
herzieninger steeds getoetst moet worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het is uitdrukkelijk níet de bedoeling geweest om het rechtszekerheidsbeginsel geheel uit te rangeren. Maar áls eenmaal die afweging is gemaakt en een besluit tot herziening of intrekking is genomen, dan is er bij de tweede stap,
terugvordering, veel minder ruimte om al dan niet tot terugvordering over te gaan. Dat kan dan alleen nog maar als sprake is van een dringende reden.
Het verdient overigens wel de voorkeur dat de bedrijfsvereniging in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot de herziening c.q. intrekking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet de wet zelf de verschillende gevolgen dwingend verbindt aan de omstandigheid dat de jonggehandicapte al dan niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan foutieve toekenning.
Toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan er onder omstandigheden ook toe leiden dat de bedrijfsvereniging zal moeten afzien van herziening of intrekking. Het tweede lid van dit artikel geeft voor een beoordeling van de bedrijfsvereniging op dat punt de basis. Het gaat in dit artikel niet om het opleggen van een maatregel of sanctie. Het artikel strekt uitsluitend tot correctie, tot herstel in de rechtmatige toestand. In het artikel is in het eerste lid een viertal gronden aangegeven op basis waarvan de bedrijfsvereniging tot correctie (herziening of intrekking) moet overgaan, behoudens, zoals hiervoor vermeld, in gevallen waarin het tweede lid toepassing [A-G: geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien bij een dringende reden] vindt.”
moetworden afgezien van herziening of intrekking.
7.Herziening en terugvordering in de rechtspraak van de CRvB
Herzieningsbesluiten
evenredigheidsbeginsel. Dat ligt overigens anders voor intrekkings- en herzieningsbesluiten van de SVB. Volgens een vaste gedragslijn van de SVB wordt de
herzieninggematigd als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid wordt onder andere gekeken naar de mate waarin aan de belanghebbende en aan de SVB een verwijt kan worden gemaakt. Toepassing van deze gedragslijn maakt het mogelijk dat als de SVB (ook) zelf een verwijt treft, de SVB de terugvordering matigt. De CRvB toetst herzieningsbesluiten aan dit (vanaf 2010 als buitenwettelijk gekwalificeerde) beleid. In een uitspraak uit 2023 vernietigde de CRvB een terugvorderingsbesluit, omdat het SVB zijn beleid op dit punt (aangeduid als ‘het oude 3:4 beleid’) niet consistent had toegepast. [263]
Leidraad-arrest van de Hoge Raad [265] – dat beleidsregels, anders dan algemeen verbindende voorschriften, niet ambtshalve door de rechter te hoeven worden toegepast. [266] Dit neemt niet weg, zo schrijft Bröring, dat bestuursrechters in een groot aantal zaken aan beleidsregels toetsen zonder dat de eiser deze beleidsregels zelf heeft ingeroepen. Dat kan de rechter doen waar hij ‘een haakje’ heeft om die beleidsregels erbij te betrekken, zoals een beroep op het gelijkheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. [267] De rechtvaardiging voor de gedachte dat beleidsregels niet ambtshalve hoeven te worden toegepast, is dat het geen doen is voor de rechter om zelf actief op zoek te gaan naar de toepasselijke beleidsregels. Maar sinds beleidsregels moeten worden gepubliceerd, gaat deze gedachte niet meer op en is er op dit punt geen wezenlijk verschil met algemeen verbindende voorschriften (vgl. onder 2.13). Nu de bestuursrechter bovendien te maken heeft met ‘repeat players’, waarvan bij het rechterlijke college in het algemeen wel bekend is welke beleidsregels worden gehanteerd, is eigenlijk niet goed te begrijpen waarom niet ambtshalve zou worden getoetst aan beleidsregels. [268] Ook binnen het fiscale recht lijkt de jurisprudentielijn te zijn dat de rechter ambtshalve toepassing mag geven aan beleidsregels, zolang daarmee de grenzen van de rechtsstrijd niet worden overschreden. [269]
praeter legem, zodat ook dan moet worden beoordeeld of er aanleiding is om op grond van art. 4:84 Awb Pro af te wijken van de Beleidsregels (zie onder 7.10 en 8.69).
8.Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
konweten, en feitelijke wetenschap dus niet is vereist. De hier beschreven situatie doet zich ook voor in de zaak die voorligt; volgens de rechtbank had betrokkene bekend kunnen zijn met de
verrekeningssystematiekvan de Wajong (zie onder 1.6).
Maatwerk bij terugvordering, waarin wordt voorgesteld de herzieningsperiode te beperken tot vijf jaar (dan wel drie jaar, zie daarover nader onder 14.10).
indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van verplichting en dit niet of niet behoorlijk nakomen, gelet op de aard van de overtreding of de omstandigheden ten tijde van de overtreding, degene op wie de verplichting rustte verminderd of niet verweten kan worden” (zie hierna onder 14.12). Overigens staan deze omstandigheden in het wetsvoorstel in de sleutel van de terugvordering, terwijl ze m.i. reeds bij de herziening of intrekking van een uitkering een rol zouden moeten spelen (met andere woorden: ‘aan de voordeur’).
herzienings‑ en intrekkingsbeleid; het zesmaandenbeleid zou volgens hem namelijk betrekking hebben op de bevoegdheid tot
terug‑ en invordering. [283] Bröring had daarin in zoverre gelijk, dat uit de rechtspraak volgt dat de CRvB de zesmaanden-jurisprudentie ophing (en ophangt) aan de
terugvordering. Naar mijn mening ligt het echter meer voor de hand om de zesmaanden-jurisprudentie te zien als een beperking van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een uitkeringsrecht te herzien of in te trekken. Daarom vind ik het zuiverder om het zesmaandenbeleid op te nemen in het herzienings- en intrekkingsbeleid, zoals het Lisv had gedaan.
“de zesmaanden-jurisprudentie terug te willen”. Het UWV had die beleidslijn nooit willen verlaten, maar was ‘daartoe van hogerhand gedwongen’. De vertegenwoordiger van het UWV riep de CRvB met zoveel woorden op om in zijn rechtspraak tot uitdrukking te brengen dat de beleidsregels op dit punt moeten worden aangepast. Het feit dat in de Beleidsregels op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de eigen nalatigheden (stilzitten) van het UWV, wordt door het UWV zelf kennelijk als zeer onbevredigend ervaren.
er zou moeten zijn.Als de rechter in een individueel geval stuit op onbillijkheden, op een schending van algemene rechtsbeginselen, behoort het tot de rechterlijke taak het bestuursorgaan bij te sturen of te corrigeren. Soms kan het bestuursorgaan wellicht volstaan met het intrekken of bijstellen van een individueel besluit. Maar als de rechter herhaaldelijk de uitkeringsinstantie corrigeert in vergelijkbare zaken met vergelijkbare aspecten, zal dat reden zijn voor de uitkeringsinstantie om de beleidsregels aan te passen. Dat was ook de gedachte van de Awb-wetgever (zie onder 3.24). Deze rechterlijke correctie is nodig om het bestuursorgaan scherp te houden op zijn eigen taakvervulling. [287] De dynamiek tussen bestuursorgaan en rechter is nodig voor het goed functioneren van de rechtsstaat.
wilhet bestuursorgaan kennelijk bijgestuurd worden, omdat het zelf óók vindt dat de beleidsregels en de daarop gebaseerde uitvoeringspraktijk onbevredigend zijn. Waarbij natuurlijk wel de gedachte opkomt waarom het UWV dan niet op enig moment –
post-kinderopvangtoeslagenschandaal?– zélf zijn beleidsregels heeft bijgesteld. Los hiervan: het is niet de taak van de rechter om te voorkomen dat een bestuursorgaan in de problemen wordt gebracht. Het is de taak van de rechter om rechtsbescherming te bieden aan rechtszoekenden, en te voorkomen dat deze rechtszoekenden (op onevenredige wijze) in de problemen komen. Voor een goede vervulling van die taak moet de rechter tegenwicht bieden aan het bestuursorgaan, en niet voorsorteren op veronderstelde uitvoeringsproblemen.
Hardvochtige effecten op burgers door knelpunten in (uitvoering) wet- en regelgeving binnen de sociale zekerheid’ (zie hierover nader onder 14.2-14.5). [288] Daarin is te lezen dat een deel van de medewerkers in uitvoeringsorganisaties “
onvoldoende weet welke discretionaire ruimte zij wanneer hebben” en “
dat er onduidelijkheid bestaat over de omvang van de discretionaire bevoegdheid.” Verwijzing en uitwerking naar de inherente afwijkingsbevoegdheid in de Beleidsregels 2006 kan wellicht voor meer houvast zorgen.
Richtlijn l: Het bedrag aan teveel ontvangen uitkering.
“(…) wordt getoetst vanuit een realistisch burgerperspectief” en dat “
hiermee de drempel wordt verlaagd en iets minder snel zal worden aangenomen dat het de burger wel redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn.” [292] Deze ontwikkelingen binnen de koers van het UWV lijken mij toe te juichen.
Ruimte in de regelsen het
Handvest Maatwerkvan het UWV. [293] In het
Handvest Maatwerkis het belang onderschreven van
maatwerk(“i
) het onderkennen van bijzondere situaties die tot een onbedoelde benadeling van de burger (kunnen) leiden en ii) in dat geval de ruimte in de regels te benutten om een uitzondering te maken die past bij de bedoeling van de regel”) en
de menselijke maat(“
De menselijke maat is omvattender dan maatwerk. Het gaat namelijk over een dienstbare overheid, onder andere in contact tussen overheid en burger. Daarbij wordt uitgegaan van een realistisch beeld van de burger als persoon die niet altijd bekend is met de regels en procedures en een fout kan maken.”). In
Ruimte in de regelswordt de nadruk gelegd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder toepassing van het evenredigheidsbeginsel volgens de
Harderwijk-uitspraak, en op het in individuele gevallen afwijken van een beleidsregel of werkinstructie.
individuele omstandighedenvan mensen. [297] De in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de Awb moeten bijdragen aan ‘een realistischer mensbeeld in de Awb en in het daarop gebaseerde handelen van het bestuur’. Deze nieuwe benadering sluit aan bij een lange tijd in de literatuur (en samenleving) geuite oproep dat er in het bestuursrecht meer oog moet zijn voor de menselijke maat en dat het bestuursrecht meer responsief moet zijn (zie over dat laatste ook hiervoor onder 4.11-4.14). [298]
normstelling. De Awb kan niet als vangnet dienen voor niet goed doordachte, te strenge of niet uitvoerbare regelgeving. Deze regels dienen zelf te voldoen aan de menselijke maat. De inzet van de regering is er daarom op gericht om het proces van totstandkoming van wet- en regelgeving zo aan te passen dat bij het opstellen van wetten en regels beter wordt nagedacht over de menselijke maat en hoe hardheden bij de uitvoering kunnen worden voorkomen of tegengegaan. [299]
maar ook met wie die burger is en wat gelet op zijn of haar individuele situatie van hem of haar kan worden verwacht”. [301]
er […] in dit verband helemaal niks gevraagd [wordt] van het doenvermogen van betrokkene”. Dat lijkt mij niet juist. Van betrokkene wordt immers gevraagd om áls (of zodra) hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte of tot een te hoog bedrag een uitkering ontving, bij het UWV aan de bel te trekken en zo te voorkomen dat gedurende langere tijd ten onrechte of teveel uitkering wordt betaald. Dat is de gedachte achter de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006: ingetrokken wordt tot aan het moment dat betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel of ten onrechte uitkering ontving. Als het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn, wordt ingetrokken tot aan het moment dat het UWV betrokkene daarop heeft gewezen. Daarmee wordt wel degelijk iets gevraagd van het doenvermogen van betrokkene, namelijk (a) begrijpen dat teveel of ten onrechte uitkering wordt ontvangen en (b) hiervan melding maken bij het UWV. Het begrip doenvermogen (afkomstig uit het WRR-rapport
Weten is nog geen doen) is immers een ruim begrip: de “
non-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen en een plan maken, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleidingen en tegenslag.” [302] Ook het vermogen om in actie te komen valt derhalve onder het doenvermogen van een mens.
“het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien (…) de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 2:7, eerste lid, en dit niet of niet behoorlijk nakomen, gelet op de aard van de overtreding of de omstandigheden ten tijde van de overtreding, degene op wie de verplichting rustte verminderd of niet verweten kan worden”. Met name het ‘verminderd of niet verweten kan worden’ geeft ruimte om rekening te houden met het doenvermogen van betrokkene. Dit is met zoveel woorden vermeld in de concept-memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. [303]
per bepalingmoeten worden nagegaan of deze als binnenwettelijk of buitenwettelijk kwalificeert (zie ook onder 4.45). In de voorliggende zaak gaat het over de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006, zodat ik mij daartoe beperk.
buitenwettelijkbegunstigend beleid. [305] Dit heeft tot gevolg dat, eveneens volgens vaste rechtspraak van de CRvB, het beleid slechts beperkt getoetst wordt, namelijk alleen op consistentie. Dat is immers het vaste toetsingskader voor de inhoud en toepassing van buitenwettelijk beleid (zie onder 5.1 e.v.). Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraak uit 2021 over de intrekking van een Wajong-uitkering (mijn onderstreping): [306]
Dit beleid dient naar vaste rechtspraak te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. [307] Dit brengt mee dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.”
binnenwettelijkebevoegdheid bevatten: de bepalingen hebben immers tot strekking om invulling te geven aan de wijze waarop art. 2:58 lid 1 Wajong Pro (en de intrekkings- en herzieningsbepalingen in andere socialezekerheidswetten) moet worden toegepast. Anders gezegd: de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006 geven aan
hoede plicht tot herziening of intrekking die in art. 2:58 lid 1 Wajong Pro is neergelegd, moet worden ingevuld.
nietinhoudt dat het UWV uitkeringsbeschikkingen in de onder a t/m c van lid 1 genoemde situaties in alle gevallen op het bedrag stelt waarop het had moeten worden vastgesteld. Er staat slechts dat het UWV in de onder a tot en met c genoemde situaties uitkeringsbeschikkingen
herziet of intrekt. De bepaling kan daarom ook zó worden gelezen, dat het UWV weliswaar een plicht heeft tot herziening of intrekking, maar dat het
ruimte heeft bij de wijze waaropde uitkeringsbeschikking wordt herzien. Dit strookt ook met de rechtspraak van de CRvB, waaruit volgt dat niet het toekenningsbesluit wordt herzien, maar het
recht op uitkering. [313] In het herzieningsbesluit wordt dus neergelegd
hoe(tot welke hoogte en/of tot welk moment) het recht op uitkering wordt herzien.
beslissingsruimtein de wijze waarop het UWV de plicht om tot herziening of intrekking over te gaan, in een concreet geval invult. De artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006 bepalen
hoevan die ruimte gebruik moet worden gemaakt. Daarmee gaat het om binnenwettelijke beleidsregels.
beginselconformeuitleg. In recente rechtspraak van de CRvB is beginselconforme uitleg, die inhoudt dat de rechter bepalingen in een wet in formele zin zo veel mogelijk moet interpreteren in overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, tot uitgangspunt genomen. [315] De beginselconforme uitleg houdt pas op, zo overwoog de CRvB, bij onverenigbaarheid met de tekst van de wet of met de onmiskenbare en uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. Dit doet zich in het onderhavige geval m.i. niet voor.
in alle gevallenherzien of intrekken van het recht op uitkering; de genoemde beginselen kunnen er immers aan in de weg staan dat met terugwerkende kracht wordt herzien of ingetrokken. Dit bevestigt dat het UWV beslissingsruimte heeft bij het met terugwerkende kracht herzien van een uitkeringsrecht.
bevoegdheidgeven tot herziening en terugvordering, en dat die bevoegdheid nader is uitgewerkt in de Beleidsregels 2006. [316] Ortlep spreekt over een
“impliciete discretionaire bevoegdheid”waaraan de Beleidsregels 2006 invulling geven. [317] Deze benadering komt m.i. het dichtst in de buurt van de wettekst: de wettelijke bepalingen geven
implicieteen bevoegdheid aan de uitkeringsinstantie om in voorkomende gevallen af te zien van het met terugwerkende kracht herzien of intrekken van het recht op uitkering. [318]
Harderwijk-uitspraak moet worden gebruikt (zie onder 4.20 e.v.). In de uitspraak
Afsluitingsregelingis nader gepreciseerd dat hoe die toetsing eruitziet voor beleidsregels die zowel begunstigende als belastende elementen bevatten (zie onder 4.33 e.v.).
aardvan de beleidsruimte in dit geval niet noopt tot een terughoudende toetsing. Het gaat hier niet om politiek-bestuurlijke keuzes, waarbij de rechter uit rechtsstatelijk of democratisch oogpunt zich terughoudend moet opstellen en de door het bestuur gemaakte afwegingen moet respecteren. In plaats daarvan hebben we te maken met beleidsruimte in de uitvoeringspraktijk, en waar bij de invulling van die beleidsruimte geen democratische controle heeft plaatsgevonden. Dit pleit voor een meer indringende rechterlijke toetsing. Daarvoor pleit bovendien dat de bepalingen ook
belastendeelementen bevatten. Zo leidt de omstandigheid dat sprake is van
toedoen(art. 3 lid Pro 1) of
van redelijkerwijs duidelijk zijn of hebben kunnen zijn(art. 3 lid 3 en Pro art. 4 lid 1 en Pro lid 2) ertoe dat het uitkeringsrecht verder terug in de tijd wordt herzien of ingetrokken, dan wanneer hiervan géén sprake zou zijn. In zoverre wordt de beperkende werking van het rechtszekerheid die in de bepalingen besloten ligt, gerelativeerd. Dit is m.i. reden om deze begrippen wel indringend te toetsen (vgl. de uitspraak
Afsluitingsregeling, onder 4.38).
redelijkerwijs duidelijk zijn of hebben kunnen zijndat in de bepalingen is gehanteerd, is ook van belang wat daarover is vermeld in de Werkinstructie ‘redelijkerwijs duidelijk’. Daarmee is nader invulling gegeven aan deze begrippen uit de bepalingen in de Beleidsregels 2006. Deze werkinstructie is geen beleidsregel in de zin van de Awb, maar slechts een vaste gedragslijn. Het UWV kan ter motivering van een besluit dus niet volstaan met een verwijzing naar deze gedragslijn (art. 4:82 Awb Pro, zie onder 5.55). Echter, ook voor beleid dat niet kwalificeert als beleidsregel zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing (zie onder 3.32).
praeter legem, en niet om tegenwettelijk beleid. Ook als de Beleidsregels 2006 niet worden toegepast, toetst de CRvB binnen het wettelijke kader van de Wajong (en andere socialezekerheidswetten) immers aan het rechtszekerheidsbeginsel (zie onder 7.1-7.4 en 8.53). Daarmee zijn de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006 in lijn met de strekking van de wet.
praeter legemwordt gehanteerd, niet houdbaar is en dat ook voor dergelijk beleid het toetsingskader uit de
Harderwijk-uitspraak geldt (zie onder 5.42).
groot belangbij een herzieningsbesluit en zo’n besluit kan
ingrijpendegevolgen voor hem hebben. Ook kan het besluit leiden tot een terugvordering die betrokkene mogelijkerwijs aantast in
fundamentele rechten, namelijk in het recht op bestaanszekerheid (zie daarover hierna onder 16.12.16.13). M.i. leiden deze omstandigheden er toe dat ook als de Beleidsregels 2006 zouden kwalificeren als buitenwettelijke beleidsregels
praeter legem, met eenzelfde intensiteit moet worden getoetst als wanneer het gaat om binnenwettelijke beleidsregels (zie onder 8.60).
praeter legem) ook dan getoetst worden aan art. 4:84 Awb Pro. Beoordeeld moet dus worden of er reden is voor afwijking van de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006. Art. 4:84 Awb Pro geldt immers ook voor buitenwettelijk beleid (zie onder 3.15). Ook langs die route zou een vergelijkbaar resultaat kunnen worden behaald.
dringende redenente benaderen. Het gaat hier om omstandigheden die zich in veel meer zaken voordoen. Toepassing van de dringende reden is dan niet het passende instrument om tot aanvaardbare uitkomst te komen in dit type van zaken; de dringende reden is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. Het voorliggende geval is in feite geen uitzonderlijke situatie. Voor de goede orde: de vertegenwoordiger van het UWV heeft op de zitting die in deze zaak heeft plaatsgevonden, opgemerkt dat ook het UWV worstelt wordt met dit type van zaken, en dat – in mijn woorden – wordt uitgekeken naar een rechterlijk oordeel dat houvast biedt om een andere koers te varen.
terugvordering; in het systeem van de Wet BMTI is er nauwelijks beoordelingsruimte als eenmaal is vastgesteld dat teveel of ten onrechte uitkering is ontvangen (vgl. onder 6.22). Bovendien is terugvordering in feite het sluitstuk van herziening of intrekking. Daarmee ligt het voor de hand ligt om vooraan te beginnen, dus bij het herzienings- of intrekkingsbesluit. Dáár doet zich de spanning met het rechtszekerheidsbeginsel voor.
het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien (…) c de nadelige gevolgen van de terugvordering niet opwegen tegen andere belangen dan met de terugvordering te dienen doelen.” Uit het voorgaande volgt dat een evenredigheidstoetsing m.i. óók bij het herzienings- of intrekkingsbesluit moeten plaatsvinden.
9.Beleidsregel terug- en invordering
“als de klant binnen een redelijke termijn na ontvangst van het te veel betaalde heeft aangegeven dat hij het te veel betaalde niet wil behouden en hij het te veel betaalde direct na terugvordering ook daadwerkelijk terugbetaalt.”
ook een juiste benadering [is] uit een oogpunt van vergelijking met gelijke grootheden”. [334]
“hetgeen .. onverschuldigd is betaald of verstrekt” (art. 2:29 lid 1 Wajong Pro). Daaronder wordt verstaan, zo volgt uit het uitgangspunt,
wat (netto) is betaald vermeerderd met de daarover afgedragen loonheffing. Hiermee wordt dus een interpretatie gegeven aan wettelijke bepalingen bij het gebruik van een (gebonden [341] ) bevoegdheid van een bestuursorgaan (dat sprake is van een gebonden bevoegdheid maakt dit niet anders.
aan de rechterom te beoordelen in hoeverre het volgen of juist afwijken van de beleidsregel juist is (zie onder 3.15).
Beschouwingen over de rechtspraak over de herziening/intrekking en terugvordering van uitkeringen
eersteplaats blijkt dat er bij het intrekken of herzien van een uitkering ruimte is voor toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat dat bij de terugvordering in beginsel niet het geval is. Deze benadering lijkt mij in zoverre juist, dat het UWV bij herziening of intrekking een impliciete discretionaire bevoegdheid heeft, terwijl die beleidsvrijheid ontbreekt bij de terugvordering (behoudens de toepassing van de dringende reden) (zie ook onder 6.22).
Wet Kinderopvangtoeslag-uitspraak (zie onder 4.47.). Dat betekent m.i. dat ook bij gebonden bevoegdheden als die van de terugvordering, er een klein kiertje is voor de rechter om met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de formele wetsbepaling buiten toepassing te laten. Waarbij dan direct de vraag rijst of dit kiertje nodig is, nu de terugvorderingsbepalingen een hardheidsclausule bevatten in de vorm van een dringende reden (waarover hierna meer).
tweedeplaats valt op dat de CRvB in zijn rechtspraak het UWV veel ruimte heeft gegeven. De – tamelijk beperkte – invulling die het UWV in de Beleidsregels 2006 heeft gegeven aan de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie onder 8.62), in het bijzonder aan het rechtszekerheidsbeginsel, heeft de CRvB ‘afgedekt’. De CRvB heeft het UWV in zijn rechtspraak bepaald niet genoopt tot een aanscherping van het beleid, met als uiteindelijk gevolg dat het UWV daar nu over ‘klaagt’. Dat de CRvB dat niet heeft gedaan, is niet los te zien van de jurisprudentielijn dat de Beleidsregels 2006 buitenwettelijke beleidsregels zijn en om die reden niet getoetst kunnen worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie onder 8.41). Op de zitting van 2 oktober 2023 gaf de vertegenwoordiger van het UWV dan ook te kennen af te willen van het etiket van buitenwettelijk beleid.
Umwertung aller Werte. Het is niet het bestuursorgaan, het CAK, dat juiste, rechtmatige besluiten moet nemen, en dat liefst in één keer goed. Het is niet het bestuursorgaan, het CAK, dat naar aanleiding van het informatieverzoek van 19 juli 2009 — dus al een tweede kans voor het CAK om het goed te doen! — nog eens zorgvuldig had moeten kijken of het besluit van 24 januari 2009 wel correct was. Nee, het is juist de — alerte, argwanende en assertieve — burger die op basis van een bijgevoegde brochure moet controleren of het bestuursorgaan wel het juiste besluit heeft genomen. Ook op de brief van 11 augustus 2009 mag appellante niet vertrouwen. Zij had juist close reading moeten toepassen en moeten zien dat daarin foutieve informatie was opgenomen. Ook in de latere jaren, 2011 en 2012, had appellante niet mogen afgaan op de besluiten van het CAK, maar had zij het beter moeten weten dan het CAK.
níetkan ontlenen aan een besluit tot het verstrekken van een uitkering, met de leer in de rechtspraak van de Hoge Raad, dat een vergunninghouder in beginsel mag vertrouwen op de rechtmatigheid van de vergunning.
dat de rechtspraak in complexe situaties aan de burger de eis stelt dat hij zelf ongerijmdheden in het bestuurlijk handelen opmerkt en als hij dat niet doet, hij minder bescherming geniet tegen een besluit te zijnen nadele met terugwerkende kracht.” [350]
Harderwijk-uitspraak gebruikt worden.
11.Het begrip ‘dringende reden’
Wetsgeschiedenis
dringende redenis. Dit is ook bepaald in de hier toepasselijke Wajong (zie de artt. 27 en 28 Wajong, geciteerd onder 6.2). Overigens geldt ook voor besluiten waarbij een maatregel of boete is opgelegd, dat daarvan op grond van een dringende reden kan worden afgezien, maar dit blijft hier buiten bespreking.
kanhet bestuursorgaan wegens een dringende reden afzien van herziening of terugvordering. Het gaat dus om een discretionaire bevoegdheid van de uitkeringsinstantie en niet om een verplichting.
Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Zoals eveneens al vermeld moet het mogelijk zijn dat op de algemene regel een uitzondering moet worden gemaakt, in die zin dat geheel of gedeeltelijk van uitoefening van de betrokken verplichting wordt afgezien. De voorgestelde bepaling heeft tot doel dit in de wet tot uitdrukking te laten komen.
Uit het woord «dringend» blijkt dat er wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden; van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Voor de goede orde zij vermeld dat de toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen is niet primair of uitsluitend aan financiële redenen gedacht; ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat betreft de financiële omstandigheden dient nog te worden bedacht dat in het algemeen reeds voldoende bescherming wordt geboden door de toepasselijke beslagvrije voet(zie de artikelen 27g, lid 9, en 36a, lid 2, WW, resp. 14f, lid 10, en 93, lid 2, ABW).
De hier bedoelde dringende redenen kunnen overigens in hun algemeenheid moeilijk nader worden aangeduid. Voor zover het al doenlijk zou zijn acht ik het niet wenselijk: een opsomming zou een afgrenzing betekenen waardoor nieuwe, op voorhand niet bedachte gevallen, er buiten zouden vallen. In dit verband zij er voorts op gewezen, dat met dringende redenen niet tevens wordt gedoeld op doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de betrokken verplichting kan worden afgezien (dit speelt vooral bij terugvordering een rol). (…)”
onaanvaardbareconsequenties.
Bij de invulling van de dringende reden bepaling dienen, zoals wij al eerder hebben opgemerkt, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen. Onzes inziens zullen hierbij de eventuele tekortkomingen van het uitvoeringsorgaan en de mogelijk wetenschap van de betrokkene moeten worden betrokken.”
Een beroep op de dringende reden-clausule kan daarom slechts in een beperkt aantal gevallen slagen. Hierbij dient te worden bedacht dat de invulling van de beginselen van behoorlijk
Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn.
Toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet alleen aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen.
Wat de financiële omstandigheden kan nog worden bedacht dat in het algemeen voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet(zie artikel 55, tweede lid, jo. 45, negende lid). Dringende redenen worden niet gevormd door doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting door de bedrijfsvereniging kan worden afgezien. Uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en preventieve werking is het consequent ten uitvoer leggen van deze besluiten van groot belang.”
in het algemeenvoldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet. In andere, latere socialezekerheidswetten is een vergelijkbare toelichting gegeven. [358]
terugvorderingwaaraan getoetst zal moeten worden. Daarbij zal beoordeeld moeten worden of bijzondere omstandigheden in een concreet geval aanleiding moeten zijn om toepassing te geven aan de dringende reden: heeft de terugvordering (ondanks dat uitgangspunt is dat steeds moet worden teruggevorderd) in het concrete geval gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig nadeel opleveren voor betrokkene ten opzichte van het doel van terugvordering?
intrekking of herzieningvan het uitkeringsrecht. Zij geven namelijk inkleuring geven aan de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel. Omdat het UWV aan het rechtszekerheidsbeginsel nader invulling heeft gegeven in de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels 2006, dienen dergelijke omstandigheden m.i. daarin te worden verdisconteerd (zie ook onder 8.70). Hetzelfde geldt voor kwesties als het ‘redelijkerwijs duidelijk zijn’ of de vraag tot hoe ver terug in de tijd kan worden herzien. Het lijkt mij minder juist om dergelijke omstandigheden mee te wegen in het kader van de dringende reden. Bij de dringende reden gaat het immers om een hardheidsclausule, waarvan de toepassing is gerelateerd aan bijzondere omstandigheden in het individuele geval (zie onder 11.7).
12.De dringende reden in de rechtspraak van de CRvB
in de onaanvaardbaarheid van de gevolgendie een herziening of een terugvordering voor een verzekerde heeft.”
de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene optreden”. [361]
invorderingrekening wordt gehouden met de beslagvrije voet. Zie bijvoorbeeld de volgende overweging: [366]
Daarbij is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De door betrokkene naar voren gebrachte problematiek, die vooral ziet op de schulden en de daaraan verbonden aflossingen, maakt niet dat sprake is van dringende redenen, zoals hier bedoeld.”
gevolgis van de terugvordering. Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraak (terugvordering Participatiewet): [368]
als gevolg daarvanin een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen. Dat appellant gevoelens van teleurstelling, verdriet en boosheid ervaart is onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden in de hiervoor bedoelde zin.
bijstandsuitkeringen. [376] Zijn tamelijk onthutsende conclusie is de volgende: [377]
geen enkel gevalgeweest waarin de rechter in bijstandszaken een beroep op een dringende reden heeft gehonoreerd.
Een en ander laat overigens onverlet dat - zoals ook in evenvermelde Memorie van Toelichting is vermeld - een uitvoeringsorgaan bij de toepassing van dringende redenen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen.”
De Raad is, zoals hiervoor al is aangegeven, van oordeel dat het vaststellen van een dringende reden zijn eigen beoordelingskader kent en in die zin los staat van de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het kan niet zo zijn dat een schending van bijvoorbeeld het vertrouwens- of rechtzekerheidsbeginsel op zichzelf een dringende reden oplevert.”
13.Kritiek op de invulling van de dringende reden in de rechtspraak
contra legemof
praeter legemmoeten worden toegepast. [386]
lijktalsof bestuursorganen met de ‘kan-bepaling’ om af te zien van herziening en terugvordering als sprake is van een dringende reden een ruime beleidsvrijheid hebben, maar dat dit in werkelijkheid niet het geval is. [389] Andere auteurs doen vergelijkbare observaties. [390]
au fondvoor het grootste deel uit de wet weggeredeneerd. Verder merkt Riphagen op dat het geen uitgemaakte zaak is dat de wetgever een zo beperkte invulling op het oog had dat de dringende reden in de praktijk bijna een dode letter is geworden. De uitspraak uit juni 2021 (zie onder 12.15) beschouwt Riphagen als een “gaatje in de betonnen vesting” van de dringende reden. In een annotatie bij de
Harderwijk-uitspraak (zie onder 4.20 e.v.) schrijft Riphagen dat het nieuwe beoordelingskader voor de evenredigheid de CRvB zou moeten aanzetten tot een ruimhartiger interpretatie van de dringende reden. [392]
living instrument. Dit betekent onder meer dat gedachten over de reikwijdte van het begrip ‘dringende redenen’ (art. 58 lid 8 Pw Pro) in de loop der tijd kunnen veranderen. Sterker, die gedachten zijn aan het veranderen, getuige de plannen van een aantal Tweede Kamerfracties om terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand tot een bevoegdheid te transformeren. Waarom verwijst de CRvB in r.o. 5.16.1 niet naar de actuele maatschappelijke en politieke discussies over terugvordering van uitkeringen – nota bene naar aanleiding van de aangevallen rechtbankuitspraak (Rb. Midden Nederland 14 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4746, «USZ» 2021/21)! – maar wel naar een uitspraak die ruim zestien jaren geleden is gedaan? Naar mijn mening had de CRvB uitgebreider moeten motiveren waarom hij ‘toch’ vasthoudt dat het bij ‘dringende redenen’ moet gaan om echt schrijnende situaties. Ook bestuursrecht is een discursieve grootheid.”
vandaagbegint om in individuele zaken een ruimere toepassing aan de dringende reden te geven. Zoals uit het volgende hoofdstuk blijkt, staan alle seinen daarvoor op groen.
Herziening, terugvordering en de dringende reden na de Kinderopvangtoeslagaffaire
Hardvochtige effecten op burgers door knelpunten in (uitvoering) wet- en regelgeving binnen de sociale zekerheid’ is daarover te lezen dat doordat het begrip dringende reden restrictief is uitgelegd in de rechtspraak, in de uitvoeringspraktijk de dringende redenen niet of nauwelijks aanwezig wordt geacht. [398] Verder staat er in het rapport dat, hoewel duidelijk is dat de wet- en regelgeving strikt, en soms streng, is ten aanzien van het opleggen van maatregelen, boetes en terugvorderingen, door uitvoerders onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de discretionaire ruimte die de wet- en regelgeving biedt. Als verklaringen worden genoemd dat een deel van de medewerkers onvoldoende weet welke discretionaire ruimte zij wanneer hebben, en dat bepaalde uitzonderingssituaties soms maar één of twee keer per jaar voorkomen. Verder noemen de onderzoekers als verklaring het volgende: [399]
ontbrekenvan dynamiek.
Zo was er volgens de Centrale Raad van Beroep geen sprake van een dringende reden in het geval van een bijstandsgerechtigde die, nadat hij een maatregel opgelegd had gekregen, onvoldoende geld had om te eten en daarom bij familieleden zijn maaltijden nuttigde. [401] Door de restrictieve uitleg in de vaste rechtspraak wordt in de uitvoeringspraktijk niet of nauwelijks de ruimte gevoeld om van een besluit af te zien wegens dringende redenen
. Een oplossing kan zijn dat SZW samen met de uitvoering komt tot een invulling van de «dringende reden» die in de praktijk wel kan worden toegepast.”
Hierdoor kan de menselijke maat een steviger plaats krijgen in het terugvorderingsbeleid en kunnen toekomstige schrijnende situaties worden voorkomen”, aldus de concept-memorie van toelichting.
Handhaving sociale zekerheidin consultatie gebracht. [414] Dit wetsvoorstel heeft tot doel om ‘passend sanctioneren’ mogelijk te maken. Dit betekent dat er voor een uitkeringsinstantie voldoende ruimte moet zijn om onderscheid te kunnen maken tussen gevallen waar iemand een fout heeft gemaakt, en gevallen waar misbruik wordt gemaakt van het stelsel van sociale zekerheid. Deze benadering vergt een wijziging van het huidige stelsel van handhaving in de sociale zekerheid, zo is vermeld in de concept-memorie van toelichting. Waar in het huidige stelsel wordt voorgeschreven dat het opleggen van een boete een passende reactie is op een overtreding van de inlichtingenplicht, wordt met het onderhavige wetsvoorstel een instrumentarium geboden waaruit uitkeringsinstanties kunnen putten om in een gegeven geval een passende sanctie op te leggen. [415]
In het geval van de terugvordering of de boete kan er een dringende reden zijn om af te zien het besluit als het ontstaan van een schuld tot onevenredige gevolgen leidt. Bijvoorbeeld als het ontstaan van een nieuwe schuld ertoe leidt dat een lopend schuldsaneringstraject wordt stopgezet met een onaanvaardbare situatie tot gevolg. In het geval van de maatregel kan er, bijvoorbeeld, een dringende reden zijn als een mindering in de het maandelijks beschikbare inkomen tot onevenredige gevolgen leidt zoals een huisuitzetting of een hoge mate van afhankelijkheid van de Voedselbank.
Uit onderzoek [418] en gesprekken met de uitvoering blijkt dat in het huidig wettelijk kader de mogelijkheid om bij «dringende reden» af te zien van een maatregel of terugvordering zeer zelden wordt gebruikt. Dit heeft te maken met een strenge interpretatie van deze afwijkingsmogelijkheid in de memorie van toelichting bij het toenmalige wetsvoorstel, de zogenaamde Fraudewet. [419] Bij de nieuwe visie op handhaving en maatwerk past het om de afwijkingsmogelijkheid bij dringende redenen te versterken. Dit doen wij samen met de uitvoering.
ruimere invullingaan de dringende reden wordt gegeven. Daarbij wordt wederom aangehaakt bij het bestaan van ‘onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene’. De crux zit dan, zo blijkt uit de voorbeelden die worden gegeven, dat op een andere manier wordt gekeken naar ‘financiële onaanvaardbaarheid’. Zoals besproken, wordt tot nu toe in de rechtspraak zelden of nooit geoordeeld dat sprake is van financiële onaanvaardbaarheid omdat betrokkene bij de invordering de beschikking houdt over een bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet (zie onder 12.4). Maar als ook als ‘financieel onaanvaardbaar’ wordt beschouwd ‘
onevenredige gevolgen van voor een lopend schuldsaneringstraject door het ontstaan van een nieuwe schuld’, of ‘
het niet kunnen voorzien in de basisbehoeften door een korting op de uitkering met een onaanvaardbare situatie tot gevolg’, leidt dat tot een veel ruimer toepassingsbereik van de dringende reden.
15.Beschouwing over de toepassing van de dringende reden
eerste puntdat opvalt is dat het UWV tot nu toe geen beleidsregels heeft opgesteld ter invulling van het begrip dringende reden. Er is alleen sprake van een vaste gedragslijn, die erop neerkomt dat vrijwel nooit sprake is van een dringende reden.
geen algemene categorieënvan gevallen kunnen worden aangeduid waarin sprake zou zijn van een dringende reden, en dat dat ook onwenselijk zou zijn. Het moet immers gaan om uitzonderlijke gevallen. De gedachte hierachter is duidelijk: voorkomen moet worden dat te snel zou worden aangenomen dat sprake is van een dringende reden. Het strenge herzienings- en terugvorderingsregime van de Wet BMTI zou daarmee kunnen worden ondergraven.
een invulling van de ‘dringende reden’ die in de praktijk wel kan worden toegepast” (zie onder 14.5).
tweede puntdat opvalt is dat het UWV een zeer strikte invulling heeft gegeven aan de dringende reden. De praktijk is dat eigenlijk nooit toepassing wordt gegeven aan de dringende reden (zie ook onder 14.3-14.4).
derde punt, de zeer strikte invulling die de CRvB heeft gegeven aan het begrip dringende reden. M.i. was de CRvB niet verplicht om de strikte uitleg van het UWV te volgen. Juist omdat sprake is van een
open norm(‘dringende redenen’) heeft de rechter immers ruimte gekregen om daaraan op de door haar gewenste wijze invulling aan te geven. [424]
“het bij dringende redenen om incidentele gevallen gaat gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden”(zie onder 11.4). Als bij déze toelichting was aangeknoopt, had bij de invulling van de dringende reden ook kunnen worden gekeken naar andere omstandigheden dan louter de gevolgen, namelijk naar ‘
allerelevante omstandigheden’. Dit had temeer voor de hand gelegen nu in de wetsgeschiedenis is benoemd dat bij de invulling van de dringende reden óók eventuele tekortkomingen van het uitvoeringsorgaan en de mogelijke wetenschap van een betrokkene een rol kunnen spelen (zie onder 11.9).
“de dringende reden-clausule moet voorkomen dat onbillijkheden van overwegende aard zullen voorkomen”(zie onder 11.10). Als dit tot leidraad was genomen, had ook tot een ruimere toepassing van de dringende reden kunnen worden gekomen. ‘Onbillijkheden van overwegende aard’ legt immers de lat minder hoog dan ‘onaanvaardbaarheid’ (zie ook onder 11.12). In dit verband is het opmerkelijk dat in de nieuwe werkinstructie ‘redelijkerwijs duidelijk’ ook wordt verwezen naar ‘onbillijkheden van overwegende aard’ (zie onder 8.24).
wettekststaat dat alleen bij onaanvaardbare gevolgen een uitzondering mogelijk is (zoals bijv. art. 6:248 lid 2 BW Pro spreekt over ‘onaanvaardbaarheid’). Maar dat staat er niet: er staat dat kan worden afgezien van herziening, intrekking of terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – en dan met name het evenredigheidsbeginsel – als richtsnoer zouden worden gebruikt bij de invulling van de dringende reden, zou tot een meer ruimhartige invulling kunnen worden gekomen van de dringende reden.
vierde punt, is het zeer twijfelachtig of opmerkingen in de parlementaire geschiedenis steeds leidend moeten zijn voor wetsinterpretatie en wetstoepassing door de rechter. Uit een oogpunt van rechtsvinding is de parlementaire geschiedenis in feite slechts één van de instrumenten uit de ‘gereedschapskist van de rechter’. [425] De bedoeling van de wetgever die uit die parlementaire geschiedenis kan worden gedestilleerd is weliswaar een belangrijk gezichtspunt voor de rechter. Maar bij de uitleg van de wet komt daaraan niet per definitie
doorslaggevendebetekenis toe. Hierbij moet bedacht worden dat het niet zelden voorkomt dat in de parlementaire geschiedenis tegenstrijdige uitlatingen zijn te vinden; dat soms opzettelijk wordt gekozen voor vage beschouwingen om een wet door het parlement te loodsen en dat,
last but not least, de parlementaire geschiedenis in zekere zin een momentopname is van wat er op dát moment wordt bediscussieerd in het parlement, tegen de politieke en maatschappelijke achtergrond in díe tijd. De wet gaat echter veel langer mee en moet steeds opnieuw geïnterpreteerd en toegepast worden, ook als de politieke en maatschappelijke achtergrond inmiddels sterk veranderd is. Het is daarom niet juist om uitlatingen in de parlementaire geschiedenis steeds als leidend te gebruiken bij de wetsinterpretatie, al helemaal niet wanneer het gaat om uitlatingen van enkele decennia geleden.
waarin de wetgever zelf al een openheid voor toekomstige ontwikkelingen heeft ingebouwd” (Vranken onder punt 152). Die openheid is immers karakteristiek voor de open norm van de dringende reden. Bovendien gaat het hier bij uitstek “
om een terrein dat sterk in beweging is” (Vranken onder punt 150).
rechteris om de wet uit te leggen, en dat zij daarbij niet gebonden is aan uitlatingen van de regering in de parlementaire geschiedenis. [428]
vijfde plaatsheeft de restrictieve invulling die de CRvB aan de dringende reden heeft gegeven, de wettelijke hardheidsclausule die de dringende redenen had moeten zijn, in feite uitgehold. De gevallen waarin een beroep op de dringende reden wordt gehonoreerd is immers verwaarloosbaar klein (zie onder 12.10-12.13). Besproken is dat dit ook weerslag heeft gehad op de uitvoeringspraktijk (zie onder 14.2-14.4). De CRvB heeft in dat opzicht juist níet de bedoeling van de wetgever gevolgd. De flexibiliteit die de wetgever met de keuze voor een open norm
bewustheeft gecreëerd, is daardoor juist ontnomen aan het wettelijke systeem. In plaats van een flexibel systeem,
law as a living instrument, zijn de rechtsregels tot een inflexibel instrument verworden. [429]
doelvan hardheidsclausules is. Dat is, ontleend aan het proefschrift van Bakker, de ‘Aristotelische billijkheidscorrectie’. [430] Bakker citeert Aristoteles onder meer als volgt: [431]
contra legem-toepassingen, maar op situaties waarin de wet ruimte laat voor een billijkheidsuitzondering. Ook in dat geval wordt die ruimte niet volledig benut. Ik zie dat als een gemiste kans.
Wet Kinderopvangtoeslagmoeten worden verlaten (zie onder 4.47). De memorie van toelichting vermeldt in dit verband het volgende: [435]
zesde puntis dat er geen noodzaak was voor de CRvB om te oordelen dat ernstige financiële gevolgen van herziening en terugvordering voor betrokkene in de regel geen rol kunnen spelen, omdat bij de invordering de beslagvrije voet in acht wordt genomen (zie onder 12.4). In de wetsgeschiedenis is dit weliswaar te lezen, maar hieraan is toegevoegd ‘in het algemeen’ (zie onder 11.4 en 11.14). Dus zelfs als men bij de uitleg van de dringende reden steeds vast zou willen houden aan de parlementaire geschiedenis (zoals gezegd is dat m.i. niet juist), was er een kiertje geweest voor het maken van uitzonderingen in situaties waarin betrokkene
nietvoldoende bescherming werd geboden door de beslagvrije voet. Hiervan is in de rechtspraak echter zelden of nooit gebruik gemaakt.
aanname. Er zijn meerdere redenen te noemen waarom deze aanname niet juist is en ook bij toepassing van de beslagvrije voet financiële nood kan ontstaan. Sterker gezegd: ook bij toepassing van de beslagvrije voet kunnen
financieel onaanvaardbare gevolgenontstaan. Dus zelfs als de ondergrens bij ‘onaanvaardbare gevolgen’ gelegd zou worden, wordt die grens soms gepasseerd. Daarbij beschouw ik als ‘onaanvaardbaar gevolg’, dat betrokkene door de terugvordering onder het bestaansminimum zakt en niet kan voorzien in zijn basisbehoeften, of dat de terugvordering onevenredige gevolgen heeft voor betrokkene, bijvoorbeeld in verband met nieuwe schulden in een lopend schuldsaneringstraject. In de kamerbrief van 30 juni 2023 hebben de ministers Schouten en Van Gennip een min of meer vergelijkbaar criterium voorgesteld (zie onder 14.16).
onderde beslagvrije voet. [444] Ook wordt onvoldoende in kaart gebracht wat betrokkene in de praktijk per maand kan aflossen. Overigens heeft het UWV eigen beleidsregels voor beslaglegging, de Juridische Leidraad Beslag van april 2021. [445]
Maatwerk bij terugvorderingis voorgesteld om de wettelijke termijnen van terugvordering (art. 2:59 lid 2 Wajong Pro) van vijf naar drie jaar terug te brengen indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet niet te boven is gegaan (zie onder 14.11).
zevende puntten slotte gaat over de stelplicht en bewijslast bij de dringende reden. Zoals hiervoor kort is genoemd, wordt er in de rechtspraak van de CRvB van uitgegaan dat het aan betrokkene is om zich op de aanwezigheid van een dringende reden te beroepen (zie onder 12.6 en 13.8).
weetdat hij zich kan beroepen op een dringende reden, laat staan dat hij weet welke informatie hij moet verstrekken ter onderbouwing daarvan. Op zijn minst zal van het bestuursorgaan kunnen worden gevraagd om betrokkene hiervan op de hoogte te stellen en betrokkene nadrukkelijk uit te nodigen relevante informatie aan te dragen. Ook Schuurmans onderkent dit, waar zij schrijft dat het bestuursorgaan betrokkene niet aan zijn lot mag overlaten maar hem moet begeleiden bij de bewijsvoering. [450] Uitgangspunt is immers dat sprake is van een actieve onderzoeksplicht van het bestuursorgaan. [451]
Bestuursrecht op maatvan Schuurmans, Leijten en Esser. [453] Het rapport gaat uit van een responsieve overheid, die in al haar handelen het belang van haar burgers voorop stelt. In plaats van een strikte toepassing van regels, kijkt een responsief bestuur meer naar de uitkomst in het individuele geval. De opstellers van het rapport schrijven dat maatwerk niet enkel een wens is die past in responsief denken, het kan met name in tweepartijengeschillen ook werkelijk een
rechtsplichtzijn, voortvloeiend uit mensenrechtenbescherming. [454] Maatwerk, zo concluderen de onderzoekers, heeft gevolgen voor het algemene bestuursrecht: het rechtszekerheids- en rechtsgelijkheidsbeginsel verliezen aan relatief gewicht; het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel nemen juist in zwaarte toe.
Bestuursrecht op maat(mijn onderstrepingen): [455]
Een verandering naar responsief en dienstbaar bestuur vereist dat bestuursorganen actief op zoek gaan naar relevante informatie en de informatie van burgers op een burgervriendelijke manier interpreteren. Dit heeft gevolgen voor de bewijslastverdeling in de besluitvormingsfase.Momenteel wordt deze verdeling beheerst door de artikelen 3:2 en 4:2 Awb. Op grond van het zorgvuldigheidsvereiste van artikel 3:2 Awb Pro moet het bestuursorgaan de relevante informatie vergaren. Op grond van artikel 4:2 Awb Pro moet de aanvrager echter ook zelf de relevante informatie aanleveren. Dat is ook logisch, want de overheid kan niet zelf uitzoeken in welke situatie de burger precies verkeert.
Het vergt een meer proactieve opstelling van het bestuursorgaan, wat mogelijk moet leiden tot een ruimere toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 Awb over het horen van betrokkenen bij de voorbereiding van het primaire besluit.
Bestuursrecht op maat. [456] In het daarin voorgestelde art. 2:1 lid 1 van Pro de Awb staat het volgende: [457]
responsieveen
dienstbare,
maatwerkleverende overheid (dat ook door het UWV zelf is omarmd, zie onder 8.31-8.32) dat het UWV
pas in de bezwaarfaseonderzoekt of er aanleiding is voor toepassing van de dringende reden. Als gezegd, is dit thans de praktijk van het UWV (zie onder 15.38). Deze benadering is m.i. niet juist. Het gevolg kan zijn dat als een betrokkene géén bezwaar maakt tegen een herzienings- of terugvorderingsbesluit, in het geheel niet wordt beoordeeld of sprake is van dringende redenen. Bovendien staat het m.i. haaks op het wettelijke systeem, waarin voor zowel het intrekkings- of herzieningsbesluit als voor het terugvorderingsbesluit afzonderlijk moet worden beoordeeld of er dringende redenen aanwezig zijn. De aanwezigheid van dringende redenen dient daarom door het bestuursorgaan m.i. reeds bij het primaire besluit te worden beoordeeld.
16.Bestaanszekerheid als grondrecht
“de sociaal-economische en maatschappelijke ontplooiing van de mens en de overheid oproepen tot activiteit in dezen (…).” [460] Anders dan klassieke grondrechten – die strekken tot onthouding van overheidsbemoeienis – geldt dat sociale grondrechten (ook) een bepaalde inspanning van de overheid verlangen. [461] De verankering van sociale grondrechten in de Grondwet vond plaats in het licht van wat
“algemeen als maatschappelijke verworvenheid en als plicht van de overheid ten aanzien van de ontplooiing van de mens wordt ervaren (…).” [462]
“bestaanszekerheid”ruimer is dan de in het tweede en derde lid genoemde sociale zekerheid en bijstand. Tot de bestaanszekerheid worden bijvoorbeeld ook het beleid tot vaststelling van een minimumloon en het algemene economische beleid gerekend. [464] Het gaat daarmee, zo vermeldt de wetsgeschiedenis, om de bestaanszekerheid in sociaaleconomische zin. [465] Verder is in de memorie van toelichting te lezen dat met de zinsnede
“spreiding van de welvaart”een ruime doelstelling wordt beoogd, zodat
“er zorg voor moet worden gedragen, dat niemand van de algemene welvaart verstoken blijft”. [466]
“die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waarbij inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.”Het hier beschreven recht beoogt de vrijheid van vrees en gebrek (
“freedom from fear and want”) als omschreven in de preambule van de UVRM te waarborgen, en is nader uitgewerkt in het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). Art. 11 IVESCR Pro bepaalt dat staten die partij zijn bij het IVESCR passende maatregelen nemen om de verwezenlijking van het recht op een levensstandaard te verwezenlijken. [468]
fundamentelerechtsnormen, die ertoe strekken de persoonlijke vrijheid en ontplooiing te beschermen en te bevorderen. [469] Art. 20 Gw Pro bevat geen in rechte inroepbare bepalingen, maar draagt taken op aan de overheid (lid 1) en de wetgever (lid 2 en lid 3). [470] Hoewel de tekst van lid 3 van art. 20 Gw Pro anders zou kunnen doen vermoeden (
“recht op bijstand”), volgt ook hieruit geen rechtens afdwingbare aanspraak op bijstand. In dit verband geldt dat deze aanspraak niet wordt ontleend aan de Grondwet, maar aan de Participatiewet. [471] Vonk merkt in dit verband op dat uit art. 20 Gw Pro geen materiële invulling ten aanzien van het socialezekerheidsbegrip valt af te leiden, en dat hieruit evenmin een verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de overheid en de samenleving volgt. Mede gelet hierop is het volgens hem begrijpelijk dat art. 20 Gw Pro nauwelijks als concrete richtsnoer of ijkpunt heeft gefungeerd voor de toetsing van socialezekerheidsmaatregelen. [472]
Een zeker bestaan Idat in juni 2023 verscheen, signaleert de commissie dat de bestaanszekerheid van een omvangrijke groep mensen in het geding is, en doet de commissie diverse voorstellen tot een verhoging van het sociaal minimum. [474] Daarbij hanteert de commissie een brede opvatting van het begrip bestaanszekerheid: [475]
“die ten minste voorziet in noodzakelijke levensbehoeften (zoals voeding, kleding en onderdak) en daarbij een goede gezondheid, werk dat loont, een adequate opleiding, gezonde sociale relaties en een zinvol leven, in de wetenschap dat er voorzieningen zijn in geval van werkloosheid, schulden, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen.” [476] Hoewel de rapportage van de commissie zich richt op
financiëlebestaanszekerheid, [477] brengt de bredere begripsopvatting met zich dat het stelsel er niet alleen voor moet zorgen dat burgers in staat zijn te voorzien in elementaire levensbehoeften, maar ook in maatschappelijke participatie, zoals sociale en culturele activiteiten en sport. [478]
Een zeker bestaan II,september 2023
–staat de commissie nader stil bij de onderliggende systematiek van het stelsel van het sociaal minimum, dat volgens de commissie vooral voorspelbaarder en toegankelijker moet worden, zodat huishoudens gebruik kunnen maken van de voorzieningen waar zij recht op hebben. [479] Onderdeel daarvan is dat in situaties van ontoereikendheid perspectief moet worden geboden, onder meer door het bieden en benutten van de ruimte voor maatwerk om individuele schrijnende gevallen op te lossen. Daarbij acht de commissie het behulpzaam
“dat de rechter indringender gaat toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, wat inhoudt dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding met het beoogde doel van dat besluit.” [480] Ook uitvoeringsorganen moeten hier meer gebruik van gaan maken, zo betoogt de commissie. [481]
fundamenteel rechtkan worden beschouwd, en dat het op grond van art. 20 lid 1 Gw Pro ‘voorwerp van zorg der overheid’ dient te zijn. Daarmee is het wel degelijk een relevant gezichtspunt voor de rechter.
17.Beantwoording van de vragen
Harderwijk-uitspraak ontwikkelde toetsingskader moeten worden toegepast (zie onder 4.22-4.29). Dit toetsingskader geldt immers voor alle besluiten waarbij het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid heeft, al dan niet ingevuld aan de hand van beleidsregels (zie onder 4.30). Dat betekent dat een dubbele evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd: zowel de Beleidsregels 2006 als het met toepassing van de beleidsregels genomen individuele besluit moeten worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Als de beleidsregels zelf niet onrechtmatig zijn, toetst de rechter het besluit aan de norm van art. 4:84 Awb Pro, namelijk of toepassing van de beleidsregels voor betrokkene gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (zie onder 4.28-4.29).
Harderwijk-uitspraak van toepassing op buitenwettelijke beleidsregels (zie ook het antwoord op vraag 3). Ook bij besluiten die berusten op buitenwettelijke beleidsregels moet dus een dubbele evenredigheidstoetsing worden uitgevoerd.
praeter legemis en buitenwettelijk beleid dat
contra legemis (tegenwettelijk beleid) (zie onder 2.49-2.51). Dit onderscheid wordt tot nu toe niet expliciet gemaakt in de rechtspraak (zie onder 2.52 en 5.45).
praeter legemzijn moeten op dezelfde wijze worden getoetst als binnenwettelijke beleidsregels. Ook deze beleidsregels moeten worden getoetst op rechtmatigheid, waarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer vormen (zie onder 5.39). Verder geldt ook voor deze beleidsregels het toetsingskader van de
Harderwijk-uitspraak (zie onder 5.40 en 8.57).
Harderwijk-uitspraak betekent dat een dubbele evenredigheidstoetsing dient plaats te vinden, waarbij zowel de beleidsregel zelf als het concrete besluit wordt getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij zal er bij buitenwettelijke beleidsregels
praeter legemin het algemeen sprake zijn van een ruime beleidsruimte voor het bestuursorgaan. Dat kan betekenen dat het buitenwettelijke beleid met meer terughoudendheid wordt getoetst, omdat de rechter de door het bestuur gemaakte politiek-bestuurlijke afwegingen respecteert. Daarmee kan toepassing van het toetsingskader tot een andere uitkomst leiden dan wanneer sprake zou zijn van binnenwettelijke beleidsregels (zie onder 5.43).
contra legemis ligt de zaak anders. Tegenwettelijke beleidsregels aanvaardt de rechter als een gegeven en zij treedt niet in een beoordeling van de rechtmatigheid daarvan. De dubbele evenredigheidstoetsing van de
Harderwijk-uitspraak geldt dus niet (zie onder 5.47).
Wet Kinderopvangtoeslag-uitspraak, waaruit volgt dat algemene rechtsbeginselen onder omstandigheden
contra legemkunnen werken (zie onder 4.48 en 5.49).
praeter legeminhouden. Daarvan uitgaande is het antwoord op de vraag bevestigend. Voor alle beleidsregels die voldoen aan de omschrijving van art. 1:3 lid 4 Awb Pro geldt dat daarvan met toepassing van art. 4:84 Awb Pro of art. 3:4 lid 2 Awb Pro kan (
en moet, zie onder 3.25) worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dat geldt dus ook voor buitenwettelijke beleidsregels (zie onder 5.10-5.12 en 5.41).
herzieningvan een uitkeringsrecht. Zij zouden dan ook verdisconteerd moeten worden in de Beleidsregels 2006 (zie onder 8.62). De dringende reden is bedoeld voor uitzonderlijke situaties (zie onder 11.7).
“Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ….”. In de tweede plaats omdat in de parlementaire toelichting op het begrip dringende redenen in de verschillende wetsbepalingen steeds in dezelfde bewoordingen een toelichting is gegeven (zie onder 11.15). Dat is een aanwijzing dat bedoeld is dat het begrip in de verschillende bepalingen op dezelfde wijze moet worden uitgelegd. In de derde plaats omdat er in wetssystematisch opzicht geen reden is om de begrippen níet op dezelfde wijze uit te leggen. Integendeel, het gaat steeds om een hardheidsclausule waarop de uitkeringsinstantie in voorkomende gevallen kan terugvallen.
hetgeen … onverschuldigd is betaald” (zie onder 9.22).
knelpuntis, waar een oplossing voor moet worden gevonden (zie onder 9.28-9.29). Ook het UWV zelf ziet de bruto-terugvordering als een knelpunt (zie voetnoot bij 9.28).
Harderwijk-uitspraak zal de rechter moeten beoordelen of (i) de Beleidsregels 2006 in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij met name het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel een belangrijke rol spelen, zo dat het geval is, of (ii) de gevolgen van een individueel besluit dat met toepassing van de Beleidsregels 2006 is genomen wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, zodat er aanleiding is om met toepassing van art. 4:84 Awb Pro af te wijken van de beleidsregels.