ECLI:NL:RVS:2023:772
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens ontbreken belangenafweging
De zaak betreft de vraag of appellante in januari 2018 nog kinderopvangtoeslag kon aanvragen voor de maanden februari tot en met september 2017. De Belastingdienst stelde dat alleen toeslag kan worden toegekend over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, conform artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (Wko). De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellante voerde aan dat zij geen fraude had gepleegd en dat de strikte termijn niet op haar van toepassing mocht zijn. Ook stelde zij dat zij mocht vertrouwen op het voorschot dat zij had ontvangen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de wettelijke termijn dwingend is en niet kan worden doorbroken, ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Wel stelde de Afdeling vast dat de Belastingdienst bij de beslissing op bezwaar niet had getoetst aan het evenredigheidsbeginsel bij de terugvordering van het te veel betaalde voorschot. Dit leidde tot vernietiging van dat deel van het besluit. De Afdeling bevestigde echter dat de terugvordering in zijn geheel in stand kan blijven, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn die matiging rechtvaardigen. Appellante kan een betalingsregeling aanvragen.
De Belastingdienst is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over de terugvordering wordt vernietigd wegens het ontbreken van een belangenafweging, maar de terugvordering blijft in stand.