ECLI:NL:CRVB:2006:AY5977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde WAO-voorschotten zonder dringende reden
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering van een bedrag van €16.816,23 aan ten onrechte betaalde WAO-voorschotten over de periode van 29 mei 2000 tot en met 31 augustus 2001. De rechtbank ’s-Gravenhage had het terugvorderingsbesluit van het UWV in stand gelaten, waarbij werd vastgesteld dat de terugvordering wettelijk verplicht is volgens artikel 57, eerste lid, van de WAO, tenzij sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
De rechtbank oordeelde dat de financiële situatie van appellante weliswaar zwaar was, maar dat dit geen dringende reden vormde om af te zien van terugvordering. Ook het feit dat het UWV lang had gewacht met het nemen van het terugvorderingsbesluit deed hieraan niet af. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb werd verworpen omdat de terugvordering dwingend is voorgeschreven in de WAO.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. De Raad benadrukte dat vergelijkbare gevallen waarbij verrekening met andere uitkeringen plaatsvindt, niet automatisch een dringende reden opleveren. Ook het argument dat te lang was getalmd met het terugvorderingsbesluit levert geen dringende reden op. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten wegens het ontbreken van dringende redenen.