ECLI:NL:CRVB:2011:BT2333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering verhoging Wajong-uitkering bij verblijf in inrichting
Betrokkene ontving een Wajong-uitkering verhoogd naar 85% wegens hulpbehoevendheid. Na verhuizing naar een woonvorm (inrichting) waarvan de verblijfskosten door een zorgverzekering werden gedekt, beëindigde het UWV de verhoging met terugwerkende kracht en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de verhuizing gevolgen had voor de uitkering. Het beroep in hoger beroep richtte zich op de vraag of betrokkene voldoende duidelijkheid had en of er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden.
De Raad stelde vast dat artikel 9 van Pro de Wajong geen onderscheid maakt tussen tijdelijk of permanent verblijf in een inrichting en dat het UWV verplicht is de verhoging in te trekken en onverschuldigde betalingen terug te vorderen. Ook vond de Raad geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering bevestigd.