ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bovenwettelijke WW-uitkering wegens onjuiste toepassing regelgeving
Appellant kreeg ontslag en ontving daarop WW- en bovenwettelijke uitkeringen. Na vernietiging van het ontslagbesluit werden deze uitkeringen herzien en teruggevorderd omdat appellant op het moment van uitkering niet werkloos was. Appellant stelde dat de terugvorderingen niet terecht waren vanwege finale kwijting en dringende redenen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de reguliere WW-uitkering terugvorderde op grond van artikel 36 WW Pro, omdat deze onverschuldigd was betaald en geen dringende redenen voor kwijtschelding bestonden. De terugvordering van de bovenwettelijke uitkering was echter onjuist omdat het EMC de regels van de RWBAZ toepaste terwijl de aanspraken betrekking hadden op een periode vóór de inwerkingtreding van die regeling.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot terugvordering van de bovenwettelijke uitkering en de bijbehorende uitspraak van de rechtbank. Het EMC moet een nieuw besluit nemen waarbij de juiste regelgeving wordt toegepast en de betekenis van finale kwijting wordt onderzocht. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Terugvordering van de reguliere WW-uitkering wordt bevestigd, terugvordering van de bovenwettelijke uitkering wordt vernietigd en het EMC moet een nieuw besluit nemen.