ECLI:NL:RVS:2022:3135
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing compensatie individuele Joodse eigenaar naoorlogse naheffingen Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag van appellant om compensatie op grond van de Regeling individueel Joods moreel rechtsherstel aanvankelijk af, maar kende later een vergoeding toe voor het particuliere woonhuis van zijn grootouders. De aanvraag voor compensatie voor panden van naamloze vennootschappen werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college de regeling onjuist toepaste door alleen particuliere eigenaren te compenseren, dat de toegepaste oprentingsfactor te laag was, en dat proceskosten ten onrechte niet werden vergoed. De Afdeling oordeelde dat de regeling als buitenwettelijk begunstigend beleid terughoudend getoetst moet worden en dat het college beleidsruimte heeft om de regeling te beperken tot particuliere eigenaren.
De Afdeling vond het college terecht de oprentingsfactor 13 te hanteren en verwierp de betogen over schending van mensenrechten en discriminatie. Wel oordeelde de Afdeling dat het college in bezwaar onvoldoende onderzoek deed naar het ontbreken van een Verwalter in het Kadaster, waardoor proceskostenvergoeding in bezwaar terecht is toegekend. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het proceskosten betreft en bevestigd voor het overige.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor het toekennen van proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep; de rest van de uitspraak wordt bevestigd.