Uitspraak
Datum: 18 mei 2022
Staatsraad Advocaat-Generaal
Raad van State
Deze uitspraak van de Raad van State betreft de toetsing van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen aan het evenredigheidsbeginsel ‘nieuwe stijl’. De regeling beoordeelt aanvragen in de context van het gezin, waarbij het gedrag van ouders dat onder contra-indicaties valt, zoals gevaar voor de openbare orde of het niet kunnen aantonen van identiteit, wordt toegerekend aan het kind en het gezin, wat kan leiden tot weigering van een verblijfsvergunning.
De Afdeling bespreekt de beleidsvrijheid van de staatssecretaris bij het vaststellen van deze regeling, die begunstigend maar ook beperkende elementen bevat. De rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bestaat uit een drietrapstoets op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de intensiteit van de toetsing afhangt van de aard van de belangen en de mate van inbreuk op fundamentele rechten.
De uitspraak analyseert de toepassing van fundamentele rechten, met name het recht op privé- en familieleven (artikel 8 EVRM Pro) en het non-discriminatiebeginsel (artikel 14 EVRM Pro en artikel 2 IVRK Pro). Het EHRM-arrest Butt wordt besproken, waarin wordt bevestigd dat het gedrag van ouders onder omstandigheden aan kinderen kan worden toegerekend om misbruik van verblijfsrechten te voorkomen. De Raad concludeert dat het onderscheid in de Afsluitingsregeling tussen kinderen met ouders onder contra-indicaties en anderen gerechtvaardigd kan zijn, mits het evenredig is.
De zaak bevat uitgebreide feiten over twee zaken (vreemdelingen A en B) waarin de staatssecretaris contra-indicaties toepaste en de aanvragen afwees. De rechtbanken oordeelden verschillend over de toepassing van de regeling en de toetsing aan fundamentele rechten. De Raad van State behandelt de juridische vragen over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, de beleidsruimte en de bescherming van kinderen binnen het gezinsverband.
De conclusie is dat de Afsluitingsregeling onder het nieuwe evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst, waarbij het toerekenen van het gedrag van ouders aan kinderen alleen proportioneel is als er een reëel risico bestaat dat de ouder aan het verblijfsrecht van het kind kan ontlenen. De regeling moet ook rekening houden met de ernst van de contra-indicaties en de fundamentele rechten van het kind, met een intensieve rechterlijke toetsing waar nodig.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard; staatssecretaris moet aanvragen opnieuw beoordelen met inachtneming van het nieuwe evenredigheidsbeginsel en fundamentele rechten.