ECLI:NL:RVS:2022:2290
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit staatssecretaris over Afsluitingsregeling wegens ondeugdelijke motivering in identiteitskwestie
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen omdat de moeder haar identiteit niet had aangetoond, waardoor een contra-indicatie werd toegepast die ook aan de zoon werd toegerekend. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van werkelijke identiteitsverwarring bij de moeder. Hoewel de moeder verschillende identiteiten heeft opgegeven, heeft zij consistent verklaard over haar identiteit in Nederland. Hierdoor is het onredelijk bezwarend om het handelen en nalaten van de moeder aan de zoon toe te rekenen.
De Afdeling heeft in algemene zin het kader voor de evenredigheidstoetsing van besluiten op grond van de Afsluitingsregeling uiteengezet. De regeling bevat begunstigend beleid met belastende contra-indicaties. De toetsing van de toepassing van contra-indicaties moet intensiever zijn vanwege mogelijke aantasting van fundamentele rechten van het kind, zoals het non-discriminatiebeginsel uit het EVRM en het Kinderrechtenverdrag. De staatssecretaris moet in individuele gevallen gemotiveerd beoordelen of afwijken van het beleid noodzakelijk en evenredig is.
In deze zaak is het standpunt van de staatssecretaris dat de contra-indicatie van toepassing is op de moeder en daardoor ook op de zoon, niet voldoende gemotiveerd. De Afdeling beveelt de staatssecretaris aan een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de motiveringsvereisten. De proceskosten worden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens ondeugdelijke motivering omtrent identiteitsverwarring en onevenredige toerekening aan de zoon.