ECLI:NL:CRVB:2006:AY7077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet-melding ZW-uitkering afgewezen voor periode vóór 3 juni 2002
Appellante ontving een WW-uitkering die met ingang van 25 maart 2002 werd herleefd, terwijl zij vanaf 17 maart 2002 ook een ZW-uitkering ontving. Het UWV herzag de WW-uitkering en vorderde ten onrechte betaalde bedragen terug wegens het niet melden van de ZW-uitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit tot terugvordering voor het gehele tijdvak, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Raad oordeelt dat appellante vóór 3 juni 2002 niet redelijkerwijs kon weten dat zij ten onrechte WW-uitkering ontving, omdat zij pas op 3 juni 2002 officieel op de hoogte werd gesteld van de ZW-uitkering.
Vanaf dat moment gold wel de meldingsplicht, die zij niet is nagekomen. De Raad wijst het beroep op psychische stoornissen en zwakbegaafdheid af, omdat appellante niet onder curatele stond en werd bijgestaan. Het beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering faalt eveneens.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de periode vóór 3 juni 2002 en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens veroordeelt hij het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van WW-uitkering wordt vernietigd voor de periode tot 3 juni 2002, maar bevestigd vanaf die datum wegens niet-melding van de ZW-uitkering.