Uitspraak
0 Overzicht
1.De feiten en het procesverloop in de eerste instanties
2.Het verzoek om een conclusie en diens achtergrond
5.Bestraffende en niet-bestraffende bestuurlijke sancties en maatregelen
criminal chargeniet nodig voor
full jurisdictionevenredigheidstoetsing
8.Gedifferentieerde evenredigheidstoetsing van niet-bestraffende sancties
9.Spanning in de trias
Toetsing van discretie-invullende beleidsregels
Toetsing van interpretatieve beleidsregels
contraavv
versusformele wet (art. 3:4(2) Awb) of algemeen rechtsbeginsel
contrade formele wet
10.Antwoord op de vraag van de Voorzitter
11.Algemene opmerkingen over de drie te beoordelen zaken
12.Art. 13b Opiumwet en diens parlementaire geschiedenis
13. Zaak 202006932/1 – [partij A]/[partij B]/[partij C] v. Burgemeester van Waadhoeke
Overwegingen
14.Zaak 202002668/1 - [partij D] v. Burgemeester van Harderwijk
Overwegingen
15.Zaak 202000475/1 - [partij E] v. College van B en W Amsterdam
Overwegingen
16.Lijst van verkort aangehaalde literatuur
Overzicht
stricto sensu. Om redenen van rechtseenheid en rechtszekerheid én ter voorkoming van omgekeerde discriminatie, ware deze geïntegreerde evenredigheidsbeoordeling in alle zaken toe te passen, ook die waarin dat niet dwingend volgt uit het Unierecht of het EVRM, een en ander conform de adoptie door de Afdeling van de EU-rechtelijke handhavings-drie-eenheid (waaronder evenredigheid) in de zaak
Greenpeace. [1] Deze adoptie heeft als wettelijke basis het discriminatieverbod van de artt. 14 EVRM, Protocol 12 EVRM, 26 IVBPR en 1 Grondwet, dat ook omgekeerde discriminatie (van alleen door intern recht beheerste gevallen) verbiedt. De invulling van art. 3:4(2) Awb conform het EU- en EVRM-recht bij niet-bestraffende sancties zien wij als eerste stap naar een algemene afstemming van art. 3:4(2) Awb op het Europese evenredigheidsconcept.
stricto sensu(de maatvoering van de sanctie na vaststelling van geschiktheid en noodzakelijkheid ervan). Bij de toetsing op evenredigheid in strikte zin behoren alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden, met name de ernst en omvang van de overtreding of de aantasting van de openbare orde en veiligheid, de mate van verwijtbaarheid van de door de sanctie getroffenen en de voorzienbare effectiviteit van de maat van de sanctie.
US Supreme Courtdrie opvolgende gradaties: terughoudende toetsing (
restraint) waar grote bestuurlijke ruimte onvermijdelijk is en grondrechten een bescheiden of geen rol spelen, vervolgens (in het midden van de schaal) toetsing op globale evenredigheid (
intermediate, dus met smallere bestuurlijke marges waar het gewicht van de belangen en de betrokkenheid van grondrechten oploopt), en indringend, i.e. op juistheid van het besluit (
intensive) waar die belangen en grondrechtenaantasting maximaal is, en waar de rechter als regel ook zelf de evenredigheidstoets overneemt.
Rechtskundigvolgen uit het algemene deel van deze conclusie voor de drie te beslechten gevallen slechts vier aanwijzingen:
stricto sensu.
intermediatetoetsingsintensiteit. Voor het invorderingsbesluit in zaak 3 geldt in beginsel dezelfde
intermediatetoetsingsintensiteit, tenzij de dwangsom in feite een voorwaardelijke boete is. In zaak 3 gaat het echter niet om het dwangsombesluit, maar om het invorderingsbesluit: de rechterlijke beoordeling wordt in die zaak beperkt door de formele rechtskracht van het dwangsombesluit.
in concretoafwegen. Het bestuursorgaan moet maatwerk en geen confectie leveren, zeker bij (ingrijpende) aantasting van het huisrecht en het eigendomsrecht.
zaak 1(woningsluiting in Ried) betwijfelen wij de noodzaak en in elk geval de evenredigheid van een sluiting voor meer dan zes maanden. Wij betwijfelen zelfs de evenredigheid van de reeds voltooide sluiting voor zes maanden. Wij geven de grote kamer in overweging het hoger beroep van de burgemeester van Waadhoeke ongegrond te verklaren.
zaak 2(woningsluiting in Harderwijk) menen wij dat sluiting voor maximaal zes maanden op zich evenredig zou kunnen zijn. De burgemeester had echter onvoldoende zicht op de betekenis van de sluiting voor een mogelijke huurontbinding en het risico op
blacklistingvoor [partij D] en zijn niet-betrokken kinderen. Wij menen daarom dat de rechtbank het besluit op bezwaar (hierna: Bob) terecht heeft vernietigd, maar het besluit in primo (hierna: Bip) niet had moeten herroepen, maar de burgemeester in de gelegenheid had moeten stellen een nieuw Bob te nemen. Bij het nemen hiervan moet de burgemeester onzes inziens afzien van sluiting als (i) zich sinds de doorzoeking en arrestatie van [partij D]s zonen [zoon A] en [zoon B] geen problemen meer hebben voorgedaan
en(ii) sluiting tot gevolg heeft dat het huurcontract van [partij D] wordt ontbonden
ofhij op een zwarte lijst wordt geplaatst bij verhuurders. Bovendien moet de burgemeester onzes inziens, ook als geen ontbinding of
blacklistingvolgt, zich
ex nuncberaden of sluiting nu, zoveel tijd later, nog een voldoende gewichtig doel dient om een ernstige inbreuk op het huisrecht van het (resterende) gezin te rechtvaardigen. Daarom geven wij - uitsluitend ter zake van de herroeping van het Bip - de grote kamer in overweging het hoger beroep van de burgemeester gegrond te verklaren en de burgemeester onder het geven van aanwijzingen in de gelegenheid te stellen een nieuw Bob te nemen. Nu de burgemeester niet heeft gesteld dat zich nog enige drugsactiviteit heeft voorgedaan in, om of vanuit de woning na de doorzoeking en de arrestatie van de twee daarbij betrokken zoons, [2] kan de grote kamer echter ook overwegen om de zaak zelf af te doen.
zaak 3(invordering dwangsom illegale verhuur Amsterdam) geven wij de grote kamer in overweging het hoger beroep van [partij E] af te wijzen. Hij heeft geen bezwaar tegen het dwangsombesluit ingesteld en heeft daarvoor geen verontschuldigende bijzondere omstandigheden gesteld; evenmin heeft hij bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die zouden nopen tot geheel of deels afzien van invordering. De dwangsom lijkt ons niet onevenredig, gegeven de vermoedelijke jaarhuur, en de (on)evenredigheid van de samenloop met de hem opgelegde boete moet beoordeeld worden door de boeterechter, niet door de herstelsanctierechter.
1.De feiten en het procesverloop in de eerste instanties
Woningsluiting in Ried - [partij A], [partij B] en [partij C] v. Burgemeester van Waadhoeke
huidigeomstandigheden de lange sluiting rechtvaardigen. Zij heeft de burgemeester geadviseerd dat (beter) te motiveren, maar heeft sluiting voor twaalf maanden niet onevenredig geacht.
ex nunctoetsing impliceert; de burgemeester verwijst naar uw uitspraak ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571 (grote kamer). Daarbij is met name van belang dat [partij A] en [partij B] hebben verzocht om heropening van het pand en dat de burgemeester dat verzoek bij besluit van 29 oktober 2020 heeft afgewezen, zodat e
x nunctoetsing inbreuk maakt op de formele rechtskracht van dat besluit. Bovendien zijn, anders dan de rechtbank stelt, de doelen van sluiting nog niet bereikt. Daarbij gaat het vooral om (i) verhinderen dat het pand opnieuw wordt gebruikt door het drugscircuit en voor drugshandel, (ii) afgeven van een signaal dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn en (iii) verminderen van de aantrekkingskracht van de gemeente als vestigingsplaats voor drugshandel- en productie. De rechtbank heeft volgens de burgemeester ten onrechte laten meewegen dat het pand alleen als opslag is gebruikt; dat doet afbreuk aan de ernst van de zaak.
ex nunckunnen heroverwegen of het besluit van 10 juni 2020 al dan niet moest worden herroepen, aldus de burgemeester.
Woningsluiting in Harderwijk - [partij D] v. de burgemeester van Harderwijk
blacklisting). De burgemeester heeft onvoldoende gewicht toegekend aan zijn huisrecht, aldus [partij D].
Dwangsominvordering bij illegale verhuur - [partij E]/College B en W Amsterdam
2.Het verzoek om een conclusie en zijn achtergrond
NJBheeft de voorzitter van de Afdeling een begin gemaakt met deze reflectie. [6] Onder het motto van ‘alles-of-niets’ naar ’maatwerk’ kondigde hij onder meer een
scanvan zaken aan om eventuele andere categorieën van zaken in beeld te krijgen waarin systeemfalen of apert onredelijke uitkomsten mogelijk zijn. Verder moet volgens hem gereflecteerd worden op de hardheid van wetgeving, beleid en uitvoering en moeten in strenge wetgeving en beleid ventielen beschikbaar komen om (rechterlijk) maatwerk te kunnen leveren. Ten slotte moet de Afdeling alert zijn op de gevolgen van haar rechtspraak in de uitvoering, opdat op tijd kan worden ingegrepen als de uitvoering van de wetgeving onbillijk uitpakt, ‘waar mogelijk met inzet van het evenredigheidsbeginsel’. Bij de zoektocht naar maatwerk krijgt de verhouding tussen de door art. 120 Grondwet Pro onschendbaar verklaarde formele wet en algemene rechtsbeginselen bijzondere aandacht omdat de toeslagenaffaire direct verband houdt met de door de Afdeling lang aangehangen opvatting dat de ‘alles-of-niets’-benadering zou voortvloeien uit dwingende formeel-wettelijke bepalingen, nl. artikel 1.7(1) Wko en artikel 26 Awir Pro.
Ex post factowordt die opvatting in de literatuur bestreden. [7] Of (een van) beide formeel-wettelijke bepalingen al dan niet dwong(en) tot het onevenredige alles-of-niets-beleid is daarin voldoende besproken.
evergreensen heeft zij al een onwenselijk grote omvang. De kwestie van samenloop van sancties opent weer een nieuwe doos van Pandora, die wij, behalve voor wat betreft de concrete samenloop van woningsluiting met de
civielesancties van huurontbinding en
blacklistingin zaak 2 en van een boete met een dwangsom in zaak 3, maar even ‘parkeren’ als geschikt thema voor een toekomstig conclusieverzoek van een van de bestuursrechtelijke colleges. We moeten ten slotte ook een volgende keer nog iets te doen hebben.
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro impliceren, voor de oplegging en berechting waarvan bijzondere strafrechtelijke waarborgen gelden: de onschuldpresumptie, het zwijgrecht, verdedigingsrechten, een strenge legaliteitseis en de
ne bis in idem-regel. Niet-bestraffende sancties zijn in termen van art. 6 EVRM Pro
civil obligationsof vallen helemaal buiten art. 6 EVRM Pro (zoals in belasting- en vreemdelingenzaken) en hun oplegging en berechting is niet onderworpen aan die bijzondere waarborgen.
criminal chargeaan hangt, terwijl nihilstelling en volledige terugvordering van € 30.000 aan voor 90% wél verantwoorde kinderopvangtoeslag niet eens als sanctie in de zin van de Awb geldt en hoogstens marginaal wordt getoetst of zelfs dat niet omdat zij bij formele wet zou zijn gefixeerd. Hoe toetsing op maat in concreto uitvalt, staat niet vast omdat zij afhangt van de concrete omstandigheden van het geval; wel dat de toetsing moet worden afgestemd op het gewicht van de betrokken algemene en individuele belangen en op de aard van de toepasselijke rechtsregels, zoals met name grondrechten. Bovendien moet bij de justitiabele overkomen dat zijn belangen en argumenten serieus zijn genomen, ook al wordt zijn beroep afgewezen. Als motivering slechts verwijzen naar algemene regels of abstracte leerstukken of naar ‘het beleid’ volstaat wellicht in de autonome of bureaucratische rechtsstaat, maar niet in de responsieve rechtsstaat. [23]
ofgehandhaafd wordt als bij de beslissing
welkesanctie zal worden opgelegd. Bij beide beslissingen moet het evenredigheidsbeginsel, zoals ook gecodificeerd in art. 3:4(2) Awb, de belangrijkste bestuurlijke gedragsnorm zijn. Onderdeel 4 van deze conclusie diept daarom de geschiedenis van en de rechtspraak (van vooral de Afdeling) over deze bepaling uit. Zoals boven al opgemerkt, belijdt deze rechtspraak in abstracto maar twee toetsingsintensiteiten, al zal in concrete gevallen een individuele rechter daar wel eens tussenin gaan zitten om recht te kunnen doen.
criminal chargeworden gekwalificeerd. Alle andere bestuurlijke sancties en maatregelen worden als nietbestraffend aangemerkt en daarom tot nu toe slechts terughoudend getoetst.
criminal chargeof ‘bestraffend’ omdat (i) dat niet altijd strookt met de Europeesrechtelijke nomenclatuur en rechtspraak, (ii) het zou leiden tot toepasselijkheid van strafrechtelijke waarborgen die voor de beoordeling van de desbetreffende sanctie niet steeds geëigend zijn, en (iii) ook bij vergaande oprekking van ‘bestraffend’ nog steeds nietbestraffende sancties resteren waarbij indringender toetsing op evenredigheid op haar plaats is.
evergreenvan de
triasaan. Gegeven het toetsingsverbod in art. 120 Grondwet Pro en het nog vigerende
Harmonisatiewet-arrest rijst immers de vraag of en zo ja hoe die gewenste gedifferentieerde rechterlijke toetsing aan evenredigheid kan worden gerealiseerd als de sanctionering (formeel)wettelijk gefixeerd lijkt. In dat onderdeel gaan we ook in op beleidsmatige fixatie.
proxyvoor de toeslagenaffaire worden beschouwd. Wij gaan niet concreet in op de evenredigheidstoetsing van toeslagbeslissingen. Daar is voldoende over gezegd en geschreven.
evergreens, over elk waarvan vele dissertaties, monografieën, beleidsnota’s, artikelen, annotaties en andere beschouwingen zijn geschreven. Hoewel wij veel bronnen op enig moment wel hebben geraadpleegd, is het ondoenlijk om daarvan binnen de termijn die voor een conclusie staat wetenschappelijke verantwoording af te leggen. Hieronder wordt daarom vooral verwezen naar rechtspraak en parlementaire geschiedenis en slechts incidenteel naar (de belangrijkste) literatuur.
seminaluitspraak is die van 9 mei 1996 in de zaak
Maxis-Praxis. [35] De Afdeling overwoog over art. 3:4(2) Awb, dat de wetgever ‘met dit tot het bestuur gerichte voorschrift’:
binnende werkingssfeer van het Unierecht, in het bijzonder in zaken over het vrije verkeer binnen de EU en de codificatie van het vrije dienstenverkeer in de Dienstenrichtlijn. [36]
Maxis-Praxis-leer van de Afdeling geldt echter niet bij bestraffende bestuurlijke sancties. Dat blijkt een kleine maand later, in juni 1996, uit de uitspraak in de zaak
Keuringsplaats Zeewolde, [37] over een ministeriële intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning van een auto-keuringsplaats wegens schending van een wettelijk voorschrift door de erkenninghouder. De Afdeling stelde enerzijds voorop dat het gebruik van discretionaire bevoegdheden in het algemeen terughoudend moet worden getoetst naar de
Maxis-Praxis-maatstaf, maar zij vervolgde als volgt:
Maxis-Praxis-maatstaf (‘niet in redelijkheid kunnen komen tot …’). Bestuurlijke sancties waarbij leedtoevoeging c.q. afschrikking wél ‘voorop staat’, worden daarentegen indringend op positieve evenredigheid getoetst naar de
Keuringsplaats-Zeewolde-maatstaf. Die dichotomie heeft er toe geleid, zoals te verwachten viel, dat de Afdeling zich de laatste 25 jaar vaak heeft moeten buigen over de vraag of bij een concrete bestuurlijke sanctie of maatregel al dan niet ‘het bevorderen van de naleving van rechtsnormen door middel van toevoeging van extra leed, ter afschrikking, voorop staat’. Op die rechtspraak gaan we in onderdeel 5 in.
Maxis-Praxisniet zichtbaar verlaten en (dus) evenmin de tweedeling in indringende positieve evenredigheidstoetsing van leedtoevoegende/afschrikwekkende sancties en terughoudende
Maxis-Praxis-toetsing van vrijwel alle andere besluiten, inclusief de meeste bestuurlijke sancties. Zij heeft wel enige richting gegeven aan de rechterlijke toetsing bij bestuurlijke beslissingsruimte buiten het terrein van de bestuurlijke sancties. De intensiteit van de rechterlijke toetsing hangt bij die andere besluiten dan sancties af van de beslissingsruimte die het bestuursorgaan wegens de ‘aard en inhoud van de uitgeoefende bevoegdheid’ heeft. [41] Die ruimte kan, gelet op de ‘aard van de bevoegdheid’, groot zijn (i) vanwege de complexiteit van de materie en de noodzakelijke deskundigheid voor beoordeling daarvan, (ii) omdat de op die punten gemaakte politieke keuzes moeten worden gerespecteerd en, in het verlengde daarvan, (iii) vanwege de betrokkenheid van het algemeen belang en belangen van derden. In dergelijke omstandigheden is de rechterlijke toetsing aan art. 3:4(2) Awb terughoudend. De ‘inhoud van de uitgeoefende bevoegdheid’ verwijst naar de mate waarin uitoefening van de bevoegdheid ingrijpt in het leven van burgers en hun fundamentele rechten aantast. Naarmate dat meer het geval is, ligt een indringender rechterlijke toetsing in de rede.
Groninger gaswinningillustreert hoe op basis van deze maatstaf de rechterlijke toets van de uitoefening van een bestuurlijke bevoegdheid met veel beslissingsruimte kan uitvallen. [42] De uitspraak in die zaak lijkt de terughoudende
Maxis-Praxis-maatstaf te nuanceren. De zaak betrof het beroep van een groot aantal belanghebbenden tegen het op 30 september 2016 ter inzage gelegde besluit tot instemming met het door de NAM ingediende winningsplan Groningen Gasveld 2016. De Afdeling overwoog:
Maxis-Praxis-formule van vóór de Awb (‘niet in redelijkheid kunnen …’), maar de huidige formulering in art. 3:4(2) Awb: de Afdeling ‘beziet’ of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Deze formulering suggereert een minder afstandelijke toetsing dan de dubbel terughoudende
Maxis-Praxis-formule (‘zodanig onevenwichtig’ dat ‘niet in redelijkheid …’). De factoren die van belang zijn voor de bepaling van de intensiteit van de rechterlijke toetsing worden opgesomd: deskundigheid, complexiteit, politieke verantwoording, ingrijpendheid voor bewoners en aantasting van grondrechten (recht op leven, privacy, eigendom, voorzorg), het algemene belang en de belangen van derden. Uiteindelijk valt het oordeel van de Afdeling uit ten voordele van de bewoners.
Maxis-Praxisen
Keuringsplaats Zeewolde) nog steeds uiteen te vallen in slechts twee intensiteiten: intensief bij leedberokkenende sancties, met name de bestuurlijke boete, en terughoudend bij alle andere sancties, conform de
Maxis-Praxismaatstaf. Wij kunnen ons echter slecht voorstellen dat de stap naar differentiatie in indringendheid in
Groninger gaswinninggeen betekenis zou hebben voor de toetsing van bestuurlijke sancties, nu de in
Groninger gaswinningopgesomde criteria voor toetsingsintensiteit evenveel betekenis (kunnen) hebben bij oplegging van bestuurlijke sancties. Wij zien niet in dat naarmate, in geval van een bestuurlijke sanctionering, de betrokken belangen gewichtiger zijn en/of grondrechten meer in geding komen, de rechter daar niet evenredig beter naar zou moeten kijken.
Maxis-Praxis-maatstaf (‘niet in redelijkheid kunnen …’) waarbij de bestuurlijke doel-middel-beoordeling nauwelijks getoetst lijkt te worden en de Afdeling zich niet zichtbaar inspireert op de rechtsstelsels waarop de wetgever zich met zoveel woorden wél inspireerde, waaronder het EU-recht.
5.Bestraffende en niet-bestraffende bestuurlijke sancties en maatregelen
criminal chargesin de zin van art. 6 EVRM Pro inhouden. De Afdeling heeft beide termen ook lang door elkaar gebruikt. De laatste jaren onderscheidt zij beide van elkaar, maar blijken toch alle bestraffende sancties een
criminal chargete zijn. Op deze termen komen we in onderdeel 6 terug.
Kledingwinkel Rivièra [51] had de burgemeester een kledingwinkel, nadat de winkelier bij eerdere overtredingen al was gewaarschuwd, voor vijf jaar gesloten omdat er vanuit de winkel soft drugs werd verkocht. Zowel de waarschuwing als de sluiting waren conform het (vermoedelijk gepubliceerde) lokale beleid, dat niet voorzag in afwijkingen. De Afdeling overwoog:
criminal chargeis in de zin van art. 6 EVRM Pro en daarom niet ‘bestraffend’ is en verwerpt zij bovendien een beroep op art. 8 EVRM Pro. Op dat laatste aspect van de uitspraak komen we terug in onderdeel 7.2. De Afdeling overwoog:
Engel en anderen tegen Nederland, § 82, heeft het EHRM drie criteria geformuleerd om te bepalen of sprake is van een bestraffende sanctie. Het eerste criterium betreft de classificatie van de maatregel naar nationaal recht. Het tweede criterium ziet op de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de maatregel. Soms beoordeelt het EHRM dit criterium aan de hand van de aard van de norm die wordt overtreden. Het gaat er daarbij om of een algemene strafrechtelijke norm aan de orde is. De Afdeling wijst in dit verband op het arrest van het EHRM van 21 februari 1984, Öztürk tegen Duitsland, ECLI:NL:XX:1984:AC9954. Het derde criterium betreft de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat van een bestraffende sanctie sprake is. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen.
criminal charge. Aldus reeds een uitspraak van 23 mei 1995, over een horeca-inrichting die voor drie dagen was gesloten wegens niet-naleven van de voorgeschreven sluitingstijden. De Afdeling overwoog: [53]
criminal chargewas: [56]
criminal charge(zie 5.7 hieronder). Opmerkelijk is dat de sluiting in de APV zelf werd aangeduid als last onder bestuursdwang. Daarmee zou zij
ex legeeen herstelsanctie zijn, die volgens de huidige rechtspraak van de Afdeling slechts terughoudend zou kunnen worden getoetst. Aldus zou de APV-gever indirect de intensiteit van de rechterlijke toetsing kunnen bepalen. Dat lijkt ons niet de bedoeling. Op dit punt komen wij in 6.4 terug.
criminal chargemoet worden opgevat omdat de last dan feitelijk fungeert als voorwaardelijke boete van € 5.000 die bij elk van de volgende vier overtredingen kan worden geëffectueerd. [60] Als een strafrechtelijke voorwaardelijke boete ‘bestraffend’ is, moet volgens deze auteurs ook een dergelijke last onder dwangsom als zodanig worden aangemerkt.
Maxis Praxis; W&W], had de rechtbank zich moeten beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot wijziging van de rijksbijdrage over de jaren 2002 en 2003 en tot terugvordering van de ten onrechte door de stichting ontvangen bedragen.’
Maxis-Praxismaatstaf en verklaarde zij het beroep alsnog ongegrond:
geheelintrekt wegens onjuiste of onvolledige informering van het bestuursorgaan of het niet-voldoen aan een meldplicht, hoewel de gesubsidieerde, had hij de juiste informatie wel (volledig) verstrekt of wel gemeld, recht zou hebben gehad op althans een deel van de subsidie.
Triplewood, [65] waarin B en W van Amsterdam 75% van een huurwoningverbeteringssubsidie hadden teruggevorderd omdat de belanghebbende de plicht tot melding van verkoop van de woningen niet had nageleefd. Had hij dat wel gedaan, dan zou beduidend minder zijn teruggevorderd. De rechtbank had terugvordering van 75% daarom aangemerkt als
criminal chargeonder art. 6 EVRM Pro, volgens B en W ten onrechte omdat ‘geen sprake is van leedtoevoeging.’ De Afdeling was het eens met B en W:
criminal offencein de zin van art. 7 EVRM Pro en had de intrekking vernietigd wegens het ontbreken van een voorafgaande wettelijke grondslag. De Afdeling oordeelde echter dat het ging om een maatregel tot herstel van de rechtmatige toestand (vangstbeperking en compensatie van onrechtmatig genoten voordeel):
criminal chargeis in de zin van art. 6 EVRM Pro. De burgemeester had de exploitatievergunning van een coffeeshop voor een week ingetrokken en de shop bovendien voor een week geschrapt van de lijst van inrichtingen waar verkoop van softdrugs werd gedoogd, een en ander wegens het voeren van lichtreclame in strijd met de gestelde voorschriften. De Afdeling overwoog:
criminal charge.
criminal chargeis. Deze kwalificatie trof in een uitspraak van 2 november 2005 de intrekking van een erkenning als APK-keurder, [75] hoewel de Afdeling in 1996 zo’n intrekking nog als een bestraffende sanctie had aangemerkt die indringend op evenredigheid moest worden getoetst. [76] Een decennium later oordeelde de Afdeling expliciet tegengesteld, daarbij voorop stellende dat:
criminal chargeinhoudt. [77]
ne bis in idem-beginsel, hetgeen de Afdeling noopte om na te gaan of (ook) de intrekking een
criminal chargewas. Dat was volgens haar niet het geval:
ne bis in idemof van het evenredigheidsbeginsel, nu het ging om een sanctie voorzien in een gemeentelijke marktverordening en de geschreven
ne bis in idemregels niet van toepassing lijken. [81]
criminal chargeaanmerkt de intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens de onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf, waardoor het
ne bis in idembeginsel niet in de weg stond aan die combinatie van intrekking en veroordeling.
criminal chargeis, zodat de rechterlijke toetsing van het besluit terughoudend is:
criminal chargeaan, met als direct gevolg afstandelijke toetsing op evenredigheid tussen doel en middel. Dat neemt niet weg dat in de als herstelsancties aangeduide niet-bestraffende bestuurlijke sancties een leedberokkenend element kan schuilen, dat alsdan door de rechter geëlimineerd moet worden, zo blijkt uit de rechtspraak over het Damocles-sluitingsbevel (zie 5.3 hierboven) en de last onder dwangsom (zie 5.5 hierboven).
Praxis-Maxis-maatstaf. Volgens ons is de weg daar naartoe echter niet een ruimere opvatting van wat ‘bestraffend’ of een
criminal chargeis, nu wij niet inzien dat het recht alleen in geval van een
criminal chargeevenredigheid van bestuurlijke besluiten eist. Het evenredigheidsbeginsel is immers een algemeen rechtsbeginsel, dat dus geenszins slechts binnen het punitieve recht geldt. Niets weerhoudt de Afdeling van het intensiveren van haar evenredigheidsbeoordeling van bestuurlijke sancties zonder te hoeven morrelen aan de afbakening tussen (overheersend) punitieve en (overheersend) niet-punitieve bestuurlijke sancties.
criminal chargeen
criminal offencein de zin van het EVRM lijkt ons ook in het licht van de rechtspraak van het EHRM en het HvJ niet onverdedigbaar. Hoe dan ook zou intensivering van de toetsing van sancties die thans als niet-bestraffend gelden door middel van het doen uitdijen van het
criminal chargebegrip leiden tot een te ruim
criminal chargebegrip, dat ver uit de pas loopt met dat van het Europese recht. [85] Dat achten wij nergens voor nodig als het gaat om indringender toetsing van bestuurlijke sancties en het zou leiden tot toepasselijkheid van strafprocessuele waarborgen, zoals de onschuldpresumptie, het zwijgrecht, verdedigingsrechten, een strenge legaliteitseis en de
ne bis in idem-regel, waarvan men zich moet afvragen of die bij veel bestuurlijke sancties wel zinvol of passend zijn. Hieronder lichten wij dat toe.
criminal chargeons niet onverdedigbaar lijkt in het licht van de rechtspraak van het EHRM en het HvJ. Ter onderbouwing volgt hierna een kort overzicht van die rechtspraak. [86] Daarna toetsen wij de opvatting van de Afdeling daaraan.
criminal chargein de zin van het EVRM of een ‘sanctie van strafrechtelijke aard’ in de zin van het Handvest inhouden. Zoals de Afdeling in de boven geciteerde rechtspraak vaak uiteenzette, gebruikt het EHRM drie criteria, de
Engel-criteria, [87] om te beoordelen of een overheidssanctie een
criminal chargeinhoudt die de genoemde strafvorderlijke waarborgen engageert. Het HvJ EU heeft die
Engel-criteria in zijn arrest in de subsidiezaak
Bonda [88] overgenomen, om te bepalen of een sanctie binnen de werkingssfeer van het Unierecht ‘van strafrechtelijke aard’ is en daarmee bepaalde waarborgen activeert. De drie criteria zijn: (a) de al dan niet strafrechtelijke classificatie van de sanctie naar nationaal recht, (b) de aard van de overtreding en (c) de aard en zwaarte van de sanctie op die overtreding. De criteria gelden niet cumulatief; onder omstandigheden kan een sanctie worden aangemerkt als
criminal chargeals aan een ervan wordt voldaan. Het tweede en derde criterium kunnen ook, hoewel op zichzelf aan geen van beide overtuigend voldaan is, bij twijfel in samenhang tot deze kwalificatie leiden. Het eerste criterium, de classificatie naar nationaal recht, is in het algemeen minder belangrijk omdat het een formeel criterium is waarmee lidstaten de kwalificatie als
criminal chargenaar eigen inzicht zouden kunnen in- of uitschakelen. De inhoudelijke criteria (b) en (c) leggen daarom meer gewicht in de kwalificatieschaal. Zoals boven bleek, worden de bestuurlijke sancties waar het in deze conclusie om gaat, naar nationaal recht niet als bestraffend aangemerkt.
criminalwordt beschouwd. Richten de te sanctioneren regels zich slechts tot een ‘given group possessing a special status’, [89] zoals in het disciplinaire recht, dan is de sanctie in beginsel geen
criminal charge, tenzij de sanctie zwaar is, maar dan gaat het al om het derde criterium. Dit groepsnormcriterium wordt door beide Europese rechters ook gebruikt om bestuurlijke sancties op overtreding van subsidieregels die verder gaan dan herstel toch niet als
criminal chargeaan te merken. In de genoemde zaak
Bonda [90] bijvoorbeeld, achtte het HvJ de verplichting om meer landbouwsteun terug te betalen dan het onrechtmatig verkregen steunbedrag en de uitsluiting van de steunregeling voor het daarop volgende jaar niet van strafrechtelijke aard, zulks op basis van zowel het groepsnormcriterium (de norm kon alleen worden overtreden door bepaalde marktdeelnemers die er vrijwillig voor hadden gekozen om beroep te doen op de steunregeling) als op basis van de aard van de sancties, die geen van beide leedberokkening beoogden, maar alleen goed financieel beheer van de steunfondsen. Een vergelijkbare toepassing van het groepsnorm-criterium biedt het EHRM-arrest in de zaak
Suceava, [91] waarin een bestuurlijke boete wegens verhandeling van een niet-geregistreerde brandstof niet werd aangemerkt als
criminal chargeomdat de overtreden norm niet algemeen gold, maar gericht was op een beperkte kring van adressaten.
purpose) of oogmerk dat de oplegger van de sanctie wordt geacht te hebben gehad. [92] Is dat oogmerk bestraffing en afschrikking -
punitive and deterrent- dan is daarmee meestal gegeven dat de sanctie een
criminal chargeinhoudt. Dat geldt met name voor bestuurlijke boeten. [93] Toetsing van de intrekking van vergunningen aan dit derde criterium leidde het EHRM meestal tot het oordeel dat die intrekking niet kon worden gezien als
criminal charge. Het EHRM achtte bijvoorbeeld de intrekking van een drankvergunning wegens ongeschiktbevinding van de klaagster om nog langer alcoholische dranken te schenken niet
punitive and deterrentomdat slechts werd beoogd te voorkomen dat iemand die niet voldoet aan geschiktheidseisen blijft beschikken over een vergunning. [94] Evenmin
criminalvan aard achtte het EHRM in de zaak
Escoubetde intrekking van een rijbewijs voor vijftien dagen meteen na de te sanctioneren overtreding. [95] Het EHRM zag daarin een
preventive measuremet het oog op de veiligheid van weggebruikers. Die sanctie was bovendien niet zo zwaar dat zij op die grond als ‘criminal’ zou moeten worden gekwalificeerd.
Nilson, [96] eveneens betreffende de intrekking van een rijbewijs, maar dan voor anderhalf jaar en pas acht maanden na de overtreding. Het EHRM achtte deze sanctie wel
criminalop grond van (i) dier zwaarte en (ii) het doel van de sanctie, dat, gelet op die intrekking pas zoveel later, niet slechts
prevention and deterrencemet oog op de veiligheid van weggebruikers kon zijn, zodat het doel in belangrijke mate ook
retribution(vergelding) moest zijn geweest. Ook een aantal andere maatregelen tot schorsing of ongeldigverklaring van rijbewijzen is door het EHRM als
criminal chargebeschouwd. [97] In de zaak
Salina v. Malta [98] ten slotte, beschouwde het EHRM een last onder bestuursdwang tot verwijdering van een illegaal gebouwde schuur als een rechtsherstellende (
remedial) sanctie die geen
criminal offencein de zin van art. 7 EVRM Pro inhield en daarmee, naar wij aannemen, evenmin een
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro. In de zaak
Hamer v. Belgiëwerd een
door de strafrechteropgelegd bevel tot sloop van een illegale woning wel als
criminal chargeaangemerkt. [99]
Öztürkdoor het EHRM is gekwalificeerd als
criminal chargeis bescheiden. In die zaak is in 1984 de bestuurlijke boete aangemerkt als
criminal chargeen sindsdien is er maar één bestuurlijke
criminal chargebij gekomen, nl. de (langdurige) intrekking van een rijbewijs wegens een verkeersdelict. Gelet hierop, is het begrijpelijk dat de Afdeling terughoudend is bij het aanmerken van bestuurlijke sancties als
criminal charge. Op basis van de Straatsburgse rechtspraak moet men ervan uitgaan dat van de bestuurlijke sancties en maatregelen besproken in onderdeel 5 hierboven de last onder bestuursdwang en last onder dwangsom in beginsel geen
criminal chargeinhouden, tenzij zij duidelijk verder gaan dan nodig voor herstel van de rechtmatige toestand of voorkoming van een onrechtmatige toestand. Gelet op de HvJ-zaak
Bondaen de EHRM-zaak
Suceavakan de intrekking en terugvordering van subsidies denkelijk in het algemeen evenmin worden aangemerkt als
criminal charge, ook niet als zij verder gaan dan terugvordering van alleen het onrechtmatig genoten deel omdat subsidieverplichtingen slechts een beperkte groep adressaten betreffen en niet tot doel hebben te straffen, maar om de subsidiefondsen goed te beheren. Veel sluitingen en veel (tijdelijke) intrekkingen van vergunningen worden opgelegd met als primair doel de bescherming van de openbare orde of veiligheid, waardoor het onwaarschijnlijk lijkt dat het EHRM hen zal aanmerken als
criminal charge. Datzelfde geldt voor intrekkingen op de grond dat de betrokkene niet aan bepaalde kwaliteits- of geschiktheidseisen voldoet.
criminal charge. De ‘aard’ van de sanctie daarentegen wijst niet in die richting: of er een verdachte is en of er iemand verwijtbaar heeft gehandeld, doet immers niet ter zake; het gaat in de eerste plaats om de openbare orde en veiligheid; rust op straat en in de buurt. De huidige EHRM-rechtspraak biedt dan ook geen duidelijk aanknopingspunt voor de kwalificatie van een Damocles-sluiting als
criminal charge. Dat het EHRM terughoudend is bij het aanmerken van bestuurlijke sancties als
criminal chargeheeft vermoedelijk te maken met de rechtsgevolgen van die kwalificatie.
criminal chargeheeft tot gevolg dat voor de sanctie in kwestie op grond van het EHRM en het Handvest bijzondere strafrechtelijke waarborgen gelden, met name de onschuldpresumptie (art. 6(2) EVRM en art. 48(1) Handvest) en diverse rechten van de verdediging, waaronder het
nemo teneturbeginsel (het recht op vrijwaring van gedwongen zelfincriminatie, waaronder het zwijgrecht: art. 6(1) en (3) EVRM en art. 48(2) Handvest). Bijzondere waarborgen zijn verder het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel, waaronder het verbod op terugwerkende kracht en het
lex mitior-beginsel (art. 7 EVRM Pro en art. 49(1) Handvest). De laatste bijzondere waarborg is het
ne bis in idem-beginsel, het recht om niet opnieuw te worden vervolgd of bestraft voor een strafbaar of beboetbaar feit waarvoor de betrokkene al onherroepelijk is bestraft of vrijgesproken (art. 50 Handvest Pro, art. 4 Protocol Pro 7 EVRM en art. 14(7) IVBPR). Nederland heeft art. 4 Protocol Pro 7 EVRM echter niet geratificeerd en heeft bij art. 14(7) IVBPR een voorbehoud gemaakt om de reikwijdte te beperken tot die van art. 68 Sr Pro. Nationaalrechtelijk zijn bovendien de artt. 5:43 Awb (enkelvoudige beboeting) en 5:44 Awb (
una via) niet van toepassing op andere bestuurlijke sancties dan bestuurlijke boeten. Zoals uit het rechtspraakoverzicht in onderdeel 5 blijkt, past de Afdeling het beginsel desondanks toe als twee bestuurlijke sancties voor dezelfde feiten beide kunnen worden aangemerkt als
criminal charge(EVRM) of van ‘bestraffende aard (EU). [100] Als die dubbele sanctionering zich afspeelt binnen de werkingssfeer van het EU-recht, geldt art. 50 Handvest Pro, waarop geen uitzondering of voorbehoud mogelijk is, zodat alsdan toepassing van
ne bis in ideminderdaad onontkoombaar is, maar onduidelijk is op welke rechtsbasis de Afdeling
ne bis in idemtoepast buiten de werkingssfeer van het EU-recht, nu art. 4 Protocol Pro 7 EVRM niet geldt in Nederland en art. 14(7) IVBPR niet verder dan de reikwijdte van art. 68 Sr Pro., dat niet ziet op bestuurlijke sancties. Wij hopen het algemene rechtsbeginsel en juichen dat toe.
criminal chargeaan te merken, is dat niet zozeer ingegeven door de wens om een of meer van deze waarborgen te doen gelden. Dat ligt ook niet voor de hand omdat die waarborgen uit het strafrecht komen en niet steeds passen bij de bestuurlijke sancties en maatregelen die in onderdeel 5 zijn besproken. Dat geldt bijvoorbeeld voor het
nemo teneturbeginsel, waarvan bij ons weten niemand heeft betoogd dat het zou moeten gelden bij nalevingstoezicht dat kan leiden tot een sluitingsbevel of de intrekking van een vergunning. Evenmin lijkt ons dat het
ne bis in idem-beginsel in de weg zou moeten staan aan de combinatie van een sluitingsbevel/vergunningsintrekking en een bestuurlijke boete of strafvervolging als de sluiting/intrekking geen punitief doel dient. Ook de onschuldpresumptie en het strafrechtelijke legaliteitbeginsel met een absoluut verbod op terugwerkende kracht en met een
lex mitior, lijken ons in bestuursrechtelijke context wat te veel van het goede.
criminal charge, is dan ook een andere, nl. de wens om een opgelegde sanctie of maatregel indringender door de rechter op evenredigheid te doen toetsen dan volgens de
Praxis-Maxis-maatstaf. Zoals boven al opgemerkt, lijkt ons dat echter het paard achter de wagen spannen. Voor indringender evenredigheidstoetsing van bestuurlijke sancties is het niet nodig om al die sancties en maatregelen als
criminal chargesaan te merken. Wij zien geen rechtsregel die de bestuursrechter verhindert om andere dan punitieve bestuurlijke sancties zo nodig even indringend op evenredigheid te toetsen als bestraffende bestuurlijke sancties, althans indringender dan volgens de
Maxis-Praxis-maatstaf.
criminal chargesdoor de rechter indringend op evenredigheid moeten worden onderzocht, wordt gebaseerd op de eis van
full jurisdictionals één van de
fair hearing-eisen van art. 6 EVRM Pro, met name op de EHRM-zaak
Albert en Le Compteuit 1983 en diens voorganger
Le Compte, Van Leuven en De Meyereuit 1981. [101] Beide zaken betroffen de rechtsbescherming tegen de oplegging van disciplinaire sancties aan Belgische artsen, waarbij uiteindelijk de vraag was of het Hof van Cassatie
full jurisdictionhad zodat het cassatieberoep gebreken op het punt van de
fair hearingeisen van art. 6 EVRM Pro in de eerdere procesfasen kon compenseren. Volgens het EHRM was dat niet het geval: [102]
full jurisdiction, de evenredigheid moet kunnen beoordelen tussen de overtreding en de sanctie. Hoe indringend die rechterlijke beoordeling moet zijn, kan uit het citaat noch uit andere overwegingen worden afgeleid. [103] Voor het onderwerp van onze conclusie is belangrijk dat de vereiste evenredigheidsbeoordeling van sancties niet samenhangt met de kwalificatie van die sancties als
criminal charge. De litigieuze disciplinaire sancties vielen immers onder het hoofd ‘civil rights and obligations’ van art. 6 EVRM Pro en niet onder het hoofd ‘criminal charge’, omdat de gesanctioneerde disciplinaire regels zich richtten tot een speciale groep (artsen) en niet tot burgers in het algemeen (zie 6.2 hierboven): het ging expliciet om ‘disputes concerning civil rights and obligations’. Dat betekent dat de eis dat de rechter sancties op evenredigheid beoordeelt, geldt voor bestuurlijke sancties die
civil rights and obligationsraken, al is niet duidelijk hoe indringend die beoordeling moet zijn. Voor de hand ligt de veronderstelling dat zij indringender is naarmate verder gaande aantasting van een grondrecht dreigt en grotere belangen voor de justitiabele op het spel staan, gegeven ook de rechtspraak onder het
criminal charge limbvan art. 6 EVRM Pro over ‘what is at stake’ voor de belanghebbende bij - bijvoorbeeld - vooronderstellingen van schuld aan fiscale overtredingen. [104] Uit de zaken
Bendenoun [105] en
Janosevic, [106] eveneens over fiscaal-bestuurlijke sancties, volgt dat
full jurisdictiononder het
criminal chargehoofd van art. 6 EVRM Pro betekent: ‘a judicial body that has full jurisdiction, including the power to quash in all respects, on questions of fact and law, the challenged decision.’ Wij nemen aan dat
full jurisdictiononder het
civil rights and obligationshoofd van art. 6 EVRM Pro hetzelfde inhoudt.
Menarini Diagnostics [107] van eind 2011 heeft het EHRM het vereiste van
full jurisdictionbij bestuurlijke boeten - dus onder het
criminal chargehoofd van art. 6 EVRM Pro - geconcretiseerd. De zaak betrof een kartelboete opgelegd door de Italiaanse mededingingsautoriteit
Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato(AGCM). Er kan uit worden afgeleid dat de rechter een bestuurlijk boetebesluit op alle punten wat betreft zowel de feiten als het recht moet kunnen toetsen, de gegrondheid en de proportionaliteit ervan moet kunnen beoordelen en het besluit zo nodig moet kunnen vernietigen en herzien (
curs. W&W):
le pouvoir de réformer[vernietigen; herzien; W&W] en tous points, en fait comme en droit, la décision entreprise, rendue par l’organe inférieur. Il doit notamment avoir compétence pour se pencher sur toutes les questions de fait et de droit pertinentes pour le litige dont il se trouve saisi (…).
lorsque l’administration dispose d’un pouvoir discrétionnaire, même si le juge administratif n’a pas le pouvoir de se substituer à l’autorité administrative indépendante, il peut toutefois vérifier si l’administration a fait un usage approprié de ses pouvoirs.
Les juridictions administratives ont pu vérifier si, par rapport aux circonstances particulières de l’affaire, l’AGCM avait fait un usage approprié de ses pouvoirs. Elles ont pu examiner le bien-fondé et la proportionnalité des choix de l’AGCM et même vérifier ses évaluations d’ordre technique.
le contrôle effectué sur la sanction a été de pleine juridiction dans la mesure où le TAR et le Conseil d’Etat ont pu vérifier l’adéquation de la sanction à l’infraction commise et le cas échéant auraient pu remplacer la sanction(…).
une analyse détaillée de l’adéquation de la sanctionpar rapport aux paramètres pertinents,
y compris la proportionnalité de la sanction même.’
l’adéquationen de
proportionnalitévan de bestuurlijke boete moet zijn, staat daarmee nog niet vast, [108] maar het arrest suggereert onzes inziens vrij vergaande beoordeling, nu de rechter het boetebesluit niet alleen moet kunnen vernietigen, maar ook vervangen. Over de indringendheid van de rechterlijke toetsing van niet-bestraffende bestuurlijke sancties (die
civil rightsraken) hoeft dit echter nog weinig algemeens te zeggen, nu die van zeer uiteenlopende aard en ingrijpendheid kunnen zijn. [109]
criminal chargeen daarmee (ver) uit de pas te gaan lopen met de kwalificatie als
criminaldoor de Europese rechters en daarmee waarborgen van toepassing te maken die geen zin hebben en niet passen bij het nietpunitieve bestuursrecht. Het is onnodig omdat de in de
full jurisdiction-eis van art. 6 EVRM Pro begrepen eis van evenredigheidsbeoordeling evenzeer geldt onder het
civil rights and obligationshoofd van art. 6 EVRM Pro als onder diens
criminal chargehoofd. Ook als dat anders zou zijn, zou geen rechtsregel de bestuursrechter verhinderen om niet-punitieve sancties indringender op evenredigheid te beoordelen dan naar de
Maxis-Praxis-maatstaf. Dat het internationale recht in sommige gevallen gebiedt om (intensief) op evenredigheid te toetsen, betekent niet dat het voor andere gevallen daaraan in de weg zou staan. Het is voor niet onder het internationale recht vallende gevallen aan de nationale rechter om de intensiteit van zijn toetsing te bepalen op basis van zijn interpretatie van zijn nationale recht. In wezen gaat het in die gevallen in Nederland dan alleen nog over het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet Pro. Alle niet rechtstreeks op de formele wet gebaseerde gevallen kunnen in beginsel door de rechter naar de door haar rechtens geachte intensiteit getoetst worden op basis van het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel of van art. 3:4 Awb Pro. Na de Doorbraakarresten [110] van 1978 is het verder in elk geval conceptueel mogelijk dat in individuele gevallen een strikte formele-wetstoepassing ook zozeer in strijd kan komen met het in het algemene rechtsbewustzijn levende evenredigheidsbeginsel dat die wetstoepassing achterwege moet blijven. Wij gaan daarop in onderdeel 9 in.
criminal charge, maar - logischerwijze - ook de enge uitleg van de Awb-term ‘bestraffend’. De Afdeling zou diverse bestuurlijke sancties en maatregelen die verder gaan dan herstel ten onrechte niet als ‘bestraffend’ aanmerken. Albers betoogt dat de Afdeling de ‘bestraffende sanctie’ van art. 5:2(1)(c) Awb (een ‘bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen’) als volgt zou kunnen opvatten: [111]
criminal charge, niet de oplossing is voor de bepaling van de optimale intensiteit van de rechterlijke beoordeling van bestuurlijke sancties, om diverse redenen.
Maxis-Praxis-smaak en de
Keuringsplaats Zeewolde-smaak. Maar zoals al betoogd: daar zou nog iets tussen moeten zitten. De fixatie op alleen het onderscheid tussen bestraffende en niet-bestraffende sancties en op basis daarvan op slechts twee toetsingsintensiteiten beneemt het zicht op de gevarieerdheid in effecten van niet-bestraffende sancties (herstelsancties). Herstelsancties kunnen al lang niet meer worden aangeduid als slechts situatieve sancties gericht op opheffing van een met het recht strijdige situatie waarbij de (mate van) verwijtbaarheid van de veroorzaker van die situatie geen enkele rol speelt. [112] Dat blijkt al uit het bestaan van de preventieve ‘herstel’sanctie (art. 5:7 Awb Pro) en uit de definitie van herstelsancties (art. 5:2(1)(b) Awb), waaronder ook sancties ter voorkoming van herhaling, waarbij per definitie überhaupt nog geen of nog geen nieuwe onrechtmatige toestand bestaat, en het blijkt te meer uit een sanctie zoals de hierboven besproken Damocles-sluiting die in twee van onze zaken is opgelegd. Deze sluiting geldt als bestuursdwang, dus als herstelsanctie, maar grijpt diep in in het door art. 8 EVRM Pro beschermde familie- en privéleven van burgers en er bestaat dus alle reden voor serieuze rechterlijke toetsing waarbij alle relevante omstandigheden, dus onder meer ook verwijtbaarheid, beoordeeld moeten kunnen worden. Hetzelfde kan gelden voor lokaalsluitingsbevelen in de sfeer van de openbare orde, ook al worden die in moderne APV’s ook steeds vaker aangeduid als bestuursdwang. [113]
criminal chargeinhouden en waarvoor de strafrechtelijke waarborgen dus niet gelden; (ii) bestraffende sancties die wél tevens een
criminal chargeinhouden en waarvoor die waarborgen dus wel gelden, en (iii) sancties die geen van beide zijn. Zoals blijkt uit de MvT [114] bij de Awb, is ‘bestraffend’ een vertaling van de term ‘punitive’ in de
criminal charge-rechtspraak en zijn de Awb-waarborgen bij bestraffende sancties ontleend aan die
criminal charge-rechtspraak. Bestraffende sancties en
criminal chargesworden in de literatuur dan ook vaak als synoniem beschouwd. [115] Zou men het om die reden niet mogelijk achten om de congruentie tussen ‘bestraffend’ en
criminal chargete verlaten, dan zou verruiming van ‘bestraffend’ meebrengen dat alle waarborgen bij
criminal chargesook gaan gelden voor de categorieën sancties die er bij ‘bestraffend’ bij komen. Daartegen bestaan uiteraard dezelfde bezwaren als in 6.3 hierboven geformuleerd tegen verruiming van de uitleg van
criminal charge: strafrechtelijke waarborgen gaan dan ook gelden voor sluitingen, intrekkingen van vergunningen en terugvordering van subsidies, hetgeen vooral weinig zinvolle complicaties lijkt te produceren.
voor zoverdeze beoogt de overtreder leed toe te voegen’. Het onderwerp in deze zinsnede is niet het bestuursorgaan, maar de sanctie. Nu een sanctie niets kan beogen (dat kan alleen de oplegger van de sanctie), zal dus bedoeld zijn: voor zover de sanctie objectief het doel van leedberokkening dient; dus niet: voor zover het bestuursorgaan al dan niet leed beoogt. Dat betekent onzes inziens dat de rechter in elk geval ‘vol’ - en objectief – toetst in hoeverre een sanctie welk doel dient. Het bovenstaande rechtspraakoverzicht suggereert dat de Afdeling van wederzijdse uitsluiting uitgaat: een sanctie heeft in beginsel óf een reparatoir doel (en mag dan geen bestraffend element bevatten; zie de zaken geciteerd in onderdeel 5 hierboven) óf een punitief doel, maar niet beide doelen. Zij lijkt ervan uit te gaan dat de wetgever een tweedeling zag: reparatoir of punitief. Het algemene deel van de toelichting suggereert dat wellicht, [116] maar de artikelsgewijze toelichting vermeldt bij de herstelsanctie dat bestuurlijke sancties ‘doorgaans’ worden onderscheiden in reparatoire en punitieve sancties. [117] De toelichting op art. 5:2 Awb Pro geeft geen duidelijk uitsluitsel, [118] maar onzes inziens volgt uit de tekst van die bepaling al dat een bestuurlijke sanctie beide doelen kan hebben: de term ‘voor zover’ in art. 5:2(1)(c) Awb impliceert immers dat een bestuurlijke sanctie beide doelen kan hebben. Dat pleit er onzes inziens te meer voor om de intensiteit van de rechterlijke toetsing niet dichotomisch te bepalen op ofwel marginaal ofwel vol, maar te laten afhangen van het gewicht van de betrokken belangen, de mate van aantasting van grondrechten en de bij oplegging van de sanctie voorzienbare gevolgen ervan. Die voorzienbare effecten moet het bestuursorgaan immers meewegen als onderdeel van zijn zorgvuldige voorbereiding. Om dit concreet te maken: de wet noopt naar onze mening niet tot het bij woningsluitingen in wezen voorbijgaan aan onder meer het gevolg van een langdurige uithuiszetting, in uitgangspunt zonder opvang, van bewoners die niet betrokken waren bij de drugs, op de gronden dat het
doel‘slechts’ is openbare orde en veiligheid en dat uithuiszetting nu eenmaal ‘inherent’ is aan woningsluiting.
full jurisdictionals onderdeel van de
fair hearingeisen van art. 6 EVRM Pro dat de rechter de evenredigheid moet (kunnen) beoordelen tussen een overtreding en een daarop gestelde sanctie die
civil rights and obligationsraakt, al is onduidelijk naar welke intensiteit. Mogelijke aantasting van andere grondrechten door niet-bestraffende sancties laten wij hieronder buiten beschouwing.
possessions/biens’), zowel bij de ontneming van eigendom als bij de beperking/regulering ervan. In dat laatste geval worden de gebruiksmogelijkheden van de eigendom beperkt zonder dat het beschikkingsrecht daarover (geheel) verloren gaat. Een bijzondere positie neemt de heffing van belastingen en premies in: belasting en premie is men geheel kwijt aan de overheid, maar worden desondanks niet aangemerkt als ontneming maar als regulering, omdat het EHRM zich realiseerde dat als zij als ontneming zouden worden aangemerkt, vergoeding van de waarde zou moeten volgen, hetgeen de zin aan de heffing zou ontnemen en haar onmogelijk zou maken.
legitimate aim in the general interestmee wordt gediend. Die stappen worden meestal vrij makkelijk genomen. Cruciaal is daarom vaak de vraag of een
fair balance(evenredigheid) bestaat tussen het te dienen algemene belang en de aantasting van het eigendomsrecht. Dat is niet het geval als de belanghebbende - bezien vanuit dat te dienen algemene belang - een
individual and excessive burdenwordt opgelegd.
assette worden aangemerkt. Dat is het geval als op basis van geldend nationaal recht een
legitimate expectationbestaat van verwerving van het effectieve genot van die
asset. Onder deze categorie valt onder meer een drankvergunning, die door het EHRM in de zaak
Tre Traktörer Aktiebolag v. Zwedenwerd beschouwd als onderdeel van het bedrijfsvermogen van een restauranthouder. [121] Gelet daarop lijken ook intrekkingen van vergunningen als bestuurlijke sanctie of maatregel ter bescherming van de openbare orde binnen deze categorie te vallen. Als over het aanvankelijke recht op de vergunning geen twijfel bestaat is de intrekking ervan de aantasting van een eigendom. Uit de zaak
Plalam v. Italië [122] kan worden afgeleid dat een besluit tot subsidieverlening een legitieme verwachting van toekenning van de subsidiegelden kan wekken, zodat ook deze aanspraak een eigendomsrecht in de zin van art. 1 Protocol Pro I kan zijn en het besluit tot lagere vaststelling of intrekking ervan een regulering van dat eigendomsrecht.
legitimate expectationvan uitkering bestaat.
Moskal v. Polen, [126] waarin een vroegpensioenuitkering op een aanvraag te goeder trouw en in lijn met de wet, door het EHRM werd aangemerkt als voldoende vaststaand om een eigendomsrecht te zijn, ook al bleek de toekenning achteraf in strijd met de wet; de intrekking achteraf ervan werd daarom (toch) als een eigendomsaantasting gezien. Een vergelijkbaar oordeel biedt de zaak
Casarin v. Italië, [127] waarin het EHRM een ontvangen toeslag als ‘eigendom’ aanmerkte, ook al bleek bij de toekenning ervan niet aan alle wettelijk voorwaarden voldaan te zijn.
Čakarević v. Kroatië. [128] De klaagster had volgens het EHRM legitieme verwachtingen dat bepaalde uitkeringsgelden haar daadwerkelijk toekwamen, ook al waren zij niet conform de wet toegekend en strookte terugvordering ervan (wel) met de wet. Doorslaggevend achtte het EHRM dat de klaagster te goeder trouw was en de overheid niet had vermeld dat de uitkering zou vervallen en bovendien drie jaar had gewacht alvorens dat verval te melden en terug te vorderen. Ook in de zaak
Bélané Nagy/Hongarije [129] oordeelde het EHRM dat de belanghebbende een legitieme verwachting had van toekenning van een uitkering, ook al was de aanvraag overeenkomstig de op dit punt gewijzigde wet geweigerd, nu de belanghebbende jarenlang premie had betaald voor de uitkering in een periode waarin niet voorzienbaar was dat zij door die wetswijziging niet meer voor de uitkering in aanmerking zou komen.
fair balance(evenredigheid). Volgens ons is de kans inderdaad groot dat het EHRM zal oordelen dat kinderopvangtoeslagontvangers een
legitimate expectationhadden dat de toeslag hen toekomt voor zover zij de correcte besteding ervan overtuigend kunnen verantwoorden omdat zij in zoverre wel degelijk aan de wettelijke voorwaarden voldeden en dat het EHRM de kwalificatie ‘voorschot’ daaraan niet in de weg zal zien staan omdat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat (i) die term slechts systeemtechnisch is omdat de voor een ‘(eind)afrekening’ benodigde gegevens nu eenmaal pas na afloop van het kinderopvanguitgaven- en uitbetalingsjaar beschikbaar zijn, (ii) wel degelijk een ‘aanspraak ontstaat’ als de kosten worden gemaakt waarvoor de toeslag is bedoeld, [131] (iii) moest worden ‘voorkomen dat de burger achteraf met verrassingen wordt geconfronteerd en dat substantiële bedragen moeten worden nabetaald of teruggevorderd’ [132] of ‘dat achteraf grote bedragen door de burger moeten worden terugbetaald” [133] en (iv) door de Belastingdienst/Toeslagen alleen “het teveel of ten onrechte uitbetaalde bedrag kan (…) worden teruggevorderd”, [134] (gegeven dat de Wko niet bepaalt dat bij een gedeeltelijke niet-verantwoording de toeslag op nihil wordt gesteld).
Guberina v. Croatia [135] waarin het Hof oordeelde dat de nationale autoriteiten/rechters de wettelijke term ‘
basic infrastructure and technical accommodation requirements’in verband met een overdrachtbelastingvrijstelling verkeerd, nl.
‘overly restrictive’hadden uitgelegd. In de eigendomszaak
Driha c. Roumanie, [136] over de belastbaarheid van een vertrekvergoeding voor brandweerlieden, achtte het EHRM onaanvaardbaar dat bestuur en rechter voorbijgingen aan de duidelijke tekst van de wet, zelfs als het de bedoeling van het Roemeense parlement zou zijn geweest om belasting te heffen over die vertrekvergoedingen, nu er geen duidelijke parlementaire geschiedenis was die dat standpunt steunde. Loutere mogelijke parlementaire bedoelingen zijn geen wettelijke grondslag. Omdat de nationale hoogste rechter bovendien onverklaarbaar had gezwalkt in zijn wetsuitleg, ging het EHRM in deze zaak wel héél ver in het overnemen van de uitleg van nationaal recht, althans het desavoueren van de uitleg ervan door de nationale hoogste rechter, wiens uitleg hij
‘manifestement illégale sur le plan du droit interne’achtte.
legitimate expectationzijn, en de nihilstelling daarom op zichzelf mogelijk nog geen aantasting van een eigendomsrecht, de invordering mogelijk wel degelijk (ander) eigendom aantast: als vast staat dat van € 15.000 KOT‘voorgeschoten’ € 13.000 geheel rechtmatig besteed is, betekent terugvordering van € 15.000 dat ter waarde van € 13.000
ander, eveneens
rechtmatigeigendom van de ouders wordt aangetast, wat onzes inziens op zichzelf een eigendomsaantasting is. Vast staat immers dat die € 13.000 er rechtmatig niet meer is omdat die geheel volgens de bedoeling van de wetgever aan kinderopvang is besteed.
tussen eigendomsaantasting en algemeen belang
legitimate aim in the general interestvoorhanden. Waar het om gaat - als de eigendomsvraag is gepasseerd - is de evenredigheid van de eigendomsaantasting; de
fair balance.
margin of appreciationbij die afweging. Wel is het Hof streng op de procedurele waarborgen: tegen elke aantasting moet een rechtsgang met voldoende waarborgen openstaan [137] en het bestuur en de rechter moeten blijk geven van hun evenredigheidsbeoordeling. Ontbreken die, dan is art. 1 Protocol Pro I geschonden. De
fair balance-eis kan ook een beoordeling van noodzakelijkheid (subsidiariteit) impliceren, in die zin dat het EHRM nagaat of het
legitimate aimmet een minder ingrijpend middel had kunnen worden bereikt, met name of de responderende lidstaat dat überhaupt heeft onderzocht. [138] Erg indringend is die test niet omdat het EHRM geen zoveelste instantie bovenop de nationale instanties kan/wil zijn en het uiteraard niet zijn taak acht om een lidstaat binnen diens
margin of appreciationvoor te schrijven hoe hij zijn
discretionuitoefent.
fair balancetest. Zeer terughoudend was het EHRM in de genoemde zaak
Ivanova & Cherkezow v. Bulgarijeover de last tot sloop van een illegaal gebouwde woning. [139] Het EHRM overwoog dat staten een grote beoordelingsvrijheid hebben bij de regulering van eigendom in het kader van de ruimtelijke ordening. Art. 1 Protocol Pro I vereiste daarom volgens het hof geen geïndividualiseerde toets van het sloopbesluit; hij achtte de sloop van de woning daarom niet in strijd is met art. 1. De beoordeling van het beroep op art. 8 EVRM Pro in die zaak was minder terughoudend: daarbij moet de rechter de persoonlijk omstandigheden van de betrokken burger betrekken. Op dat aspect van de zaak gaan wij in onderdeel 7.2.3 in.
Tre Traktörer Aktiebolag v. Zweden [140] beoordeelde het Hof de evenredigheid tussen de intrekking van de drankvergunning en het aangevoerde algemene belang (beperking van het alcoholgebruik om sociaal-politieke redenen) vrij nauwkeurig, maar gunde hij de staat toch een ruime
margin of appreciationdie meebracht dat de Staat niet de minst eigendomsrechtbelastende weg naar het gerechtvaardigde doel hoefde te kiezen:
Plalam v. Italië, [141] over vaststelling van een subsidie op een lager bedrag dan de klaagster
legitimatelymocht verwachten, werd de evenredigheid zowel op regelniveau als op individueel niveau getoetst. Omdat voor die lagere vaststelling een wettelijke basis bestond en die wet beperking van overheidsuitgaven diende, achtte het EHRM de toepassing van die wet in het licht van de ruime discretionaire ruimte van de staten bij hun begrotingsbeheer in abstracto niet willekeurig. Omdat echter in dit geval aan de Staat was te wijten dat het bij nader inzien lagere eindbedrag pas jaren later werd vastgesteld, was toch geen sprake van een
fair balanceen achtte hij art. 1 Protocol Pro I geschonden.
margin of appreciationhebben, oordeelde het hof in die zaken na een casuïstische beoordeling steeds dat weliswaar een gerechtvaardigd doel bestond (tegengaan van ongerechtvaardigde verrijking en corrigeren van fouten), maar dat het belang daarvan niet opwoog tegen dat van de burger omdat de werkwijze van het bestuur de beginselen van goed bestuur schond, nu de te herstellen fouten volledig konden worden toegerekend aan het bestuur en de belanghebbenden te goeder trouw waren. Dat impliceerde een excessieve individuele last en daarmee een schending van art. 1 Protocol Pro I. Wij merken op dat
alsde ‘voorgeschoten’ kinderopvangtoeslag een eigendomsrecht is voor zover de correcte besteding ervan overtuigend verantwoord kan worden - zoals wij menen - het geen twijfel lijkt te lijden dat terugvordering van bedragen tot € 30.000 in gevallen waarin slechts een zeer beperkt deel niet verantwoord kan worden, in de omstandigheden van veel gedupeerde ouders een
individual and excessive burdenoplevert.
in accordance with the lawen als zij noodzakelijk is in een democratische samenleving met het oog op de belangen die in lid 2 van art. 8 EVRM Pro worden genoemd. Die noodzakelijkheidstoets impliceert een toets op subsidiariteit en evenredigheid, waarbij de Staat een
margin of appreciationheeft, die van geval tot geval kan variëren, afhankelijk van de betrokken belangen en de omstandigheden. Wij bespreken enige EHRM- en Afdelingszaken waarin niet-bestraffende sancties worden getoetst aan art. 8 EVRM Pro.
Ivanova & Cherkezow v. Bulgarije. [143] Zoals boven bleek, achtte het EHRM de sloop niet in strijd met art. 1 Protocol Pro I vanwege de ruime
margin of appreciationregulering van eigendomsrechten in het kader van ruimtelijke ordening die meebracht dat het eigendomsrecht niet noopte tot een toets van het sloopbesluit op individueel niveau. Op basis van art. 8 EVRM Pro daarentegen achtte het Hof een individuele beoordeling van de proportionaliteit wél vereist. Hij hecht grote waarde aan het recht op respectering van de woning omdat het raakt aan zowel de fysieke als de morele integriteit van burgers en hun relaties met anderen. De sloop van een woning is bovendien de
most extreme form of interferencemet het huisrecht. Daarom achtte het EHRM de sloop in strijd met art. 8 EVRM Pro bij afwezigheid van rechterlijke toetsing van de proportionaliteit van het sloopbesluit in het licht van de persoonlijke omstandigheden van de bewoners. Hij noemde niet-uitputtend een aantal gezichtspunten die in die verplichte evenredigheidstoets meegewogen moeten worden: [144]
‘less severe ways of dealing with the case’open staan. Barkhuysen en Van Emmerik [145] merken terecht op dat dit arrest impliceert dat bij de toepassing van de evenredigheidsuitzondering op de beginselplicht tot handhaving de persoonlijke omstandigheden van de overtreder moeten worden meegewogen.
Ivanova & Cherkezowaf dat de rechter ook in die gevallen de evenredigheid van het aantastingsbesluit moeten toetsen met inachtneming van de (persoonlijke) omstandigheden van het geval, dus met name bij een Damocles-sluiting van een woning, die duidelijk het privéleven van de uitgezette bewoner(s) treft. Aan het EHRM is een dergelijke woningsluiting nog niet voorgelegd. De Afdeling heeft zulke sluitingen al wel enige malen getoetst aan art. 8 EVRM Pro. In een uitspraak van 14 november 2018 achtte zij een sluiting van zes maanden na een drugsvondst niet onevenredig in het licht van art. 8 EVRM Pro: [146]
Ivanova & Cherkezow, die zag op de vraag of ook met minder ingrijpende maatregelen kon worden volstaan. De noodzakelijkheidstoets van de Afdeling is niet heel indringend (‘in redelijkheid’) en bij haar voorbijgaan aan de opzegging van de huurovereenkomst en de stopzetting en invordering van de uitkering gebruikt de Afdeling
MaxisPraxistaal (‘niet zodanig onevenredig’) die een afstandelijke toets suggereert. De evenredigheidstoets houdt vervolgens in dat de Afdeling beoordeelt of de duur van de sluiting in de omstandigheden van het geval proportioneel is aan het doel. Die omstandigheden zijn met name de bijzondere samenstelling van het gezin dat door de sluiting wordt getroffen en het feit dat ook minderjarige kinderen zijn betrokken. De Afdeling acht de sluiting ‘proportioneel’, oordelende dat de burgemeester ‘voldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden’. Deze formulering suggereert een indringender rechterlijke toetsing. In onderdeel 8.4 komen we op de evenredigheidstoetsing van het sluitingsbevel terug.
Domenech Pardo v. Spanje, [147] over een grootmoeder die voogd was geworden van haar kleinkind nadat diens ouders waren vermoord. Zij beriep zich op art. 8 EVRM Pro omdat de haar toegekende wezenuitkering maar zeer beperkt terugwerkte. Het EHRM stelde voorop dat art. 8 EVRM Pro geen algemeen recht op een uitkering verleent. Wel kan uit die bepaling voor de Staat een positieve verplichting voortvloeien om een uitkering te verstrekken als weigering tot gevolg zou hebben dat het voor een minderjarige onmogelijk wordt om een normaal familie- en privéleven te ontwikkelen. Spanje had deze verplichting niet geschonden omdat het kleinkind wel recht had op een wezenuitkering, zij het met slechts beperkte terugwerkende kracht. Spanje had aldus volgens het Hof met de weigering van verder terugwerkende kracht het familie- en privéleven van kleinkind en grootmoeder niet in ernstige mate aangetast (
affecté de manière grave leur vie privée et familiale).
margin of appreciationmeebrengen), van de ernst van de inbreuk en van de (andere) omstandigheden van het geval. Beperkingen van de grondrechten van art. 8(1) EVRM worden in het algemeen indringender beoordeeld dan beperking van het eigendomsrecht, met name als het bij de toetsing aan dat laatste recht om de toepassing van sociaaleconomische wetgeving gaat. Ingrijpende inbreuken op het privéleven zoals sloop van een woning of langdurige uithuiszetting vereisen in elk geval een subsidiariteitsbeoordeling en een geïndividualiseerde rechterlijke toetsing op evenredigheid in enge zin.
restraint) tot zeer indringend (
intensive), waarbij de mate van indringendheid in de concrete zaak afhankelijk is van vooral de aard en het belang van getroffen belangen en rechten en de aard en de ernst van de inbreuk.
stricto sensu)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?
Griekse maïs, [156] waarin het Hof die handhavingseisen baseert op het beginsel van loyale samenwerking van inmiddels art. 4(3) VEU. Deze eisen zijn inmiddels gecodificeerd in veel secundaire EU-regelgeving, zowel verordeningen als richtlijnen. Het EU-evenredigheidsbeginsel geldt aldus voor elke nationale handhavingshandeling binnen de werkingssfeer van het EU-recht, dus bij de handhaving van alle normen die uiteindelijk Unierechtelijke wortels hebben. [157] Die wortels kunnen zich in het VWEU bevinden (bijvoorbeeld mededinging en staatssteun), of in een EU-verordening (Europese subsidies, douane, voedselveiligheid, AVG, etc.) of in een EU-richtlijn (diensten, omgevingsrecht, asiel, arbeidsomstandigheden, geneesmiddelen, telecommunicatie, transactiebelastingen, etc.). De Nederlandse rechter moet daardoor zeer veel sanctiebesluiten reeds op grond van het Unierecht aan het (EU-rechtelijke) evenredigheidsbeginsel toetsen.
Greenpeace, [158] waarin de vraag aan de orde was of een bestuursorgaan bij de heroverweging van een herstelsanctie in de bezwaarfase nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van het Bip mocht of moest betrekken. De Afdeling overwoog (
curs. W&W):
maar ook van besluiten die hebben geleid tot het opleggen van een herstelsanctie, geldt in het bijzonder dat het resultaat van de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm.
Daarbij sluit de Afdeling in algemene zin, dus ook voor herstelsancties die uitsluitend worden beheerst door nationaal recht, aan bij de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie(zie punt 24 van het arrest van 21 september 1989, Commissie/Griekenland, ECLI:EU:C:1989:339).’
Griekse maïs-eisen voor handhaving van Unierecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel gepromoveerd tot nationale handhavingseisen ook in zaken die geen Unierechtelijke dimensie hebben, strikt genomen vooralsnog alleen met zoveel woorden bij de heroverweging in bezwaar van herstelsancties, maar niet valt in te zien dat deze handhavingseisen dan niet evenzeer
de rigueurzouden zijn in andere fasen van de handhaving in Nederland. Dat de Europese handhavings-drie-eenheid in algemene zin ware te adopteren als normatief kader voor de rechtshandhaving in Nederland, werd in elk geval bepleit door de advocaat-generaal in de zaak
Greenpeace, [159] die grotendeels is gevolgd.
Greenpeace-uitspraak nog nodig, ondersteunen wij dat betoog. In de eerste plaats bevordert adoptie van het EUevenredigheidsbeginsel als standaard voor de sanctionering in ook louter nationale zaken de rechtseenheid en concordantie tussen zaken binnen en buiten de werkingssfeer van het Unierecht [160] en voorkomt zij dus alleen voor juristen begrijpelijke verschillen in behandeling van belanghebbenden: omgekeerde discriminatie in louter nationale zaken wordt voorkomen. In de tweede plaats draagt zij bij aan rechtszekerheid, omdat afbakeningsproblemen worden afgeschaft: de praktijk hoeft niet te werken met een nationale en Unierechtelijke versie van hetzelfde beginsel en hoeft zich althans voor de evenredigheidstoets niet af te vragen of het geval net binnen of net buiten de werkingssfeer van het EU-recht valt. Op sommige terreinen, bijvoorbeeld het omgevingsrecht, zou de situatie zich kunnen voordoen waarin in dezelfde zaak deels het nationale beginsel moet worden toegepast (voor zover de te handhaven norm louter nationale wortels heeft) en voor een ander deel het Unierechtelijke beginsel (omdat die norm Unierechtelijke wortels heeft). Dat draagt niet bij aan de maatschappelijke acceptatie en relevantie van de bestuursrechtspraak.
Käserei Champignon Hofmeister. [163] Die zaak betrof de evenredigheid van een door een EU-regeling voorgeschreven
surchargeop de terugvordering van ten onrechte geclaimd voordeel (een uitvoerrestitutie). Zo’n opslag is een financiële sanctie, doorgaans uitgedrukt in een percentage van het ten onrechte geclaimde voordeel, bijvoorbeeld subsidie. Ook zo’n procentueel gedifferentieerde sanctie moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel:
Griekse maïs, dus ook aan het evenredigheidsbeginsel. Of dat het geval is, wordt door het HvJ vrij indringend getoetst, [164] waarbij de drieledige beoordeling op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid
stricto sensuduidelijk zichtbaar is. Het standaardarrest is de zaak
Urbán, [165] over een Hongaars sanctiestelsel dat imperatief voor elke overtreding door een vrachtwagenchauffeur van de EU-verordening over rij- en rusttijdenregistratie dezelfde forfaitaire hoge boete voorschreef. Die registratie diende tot controle van de naleving van de Europese rij- en rusttijdenregeling voor vrachtwagenchauffeurs en beoogde de bevordering van de verkeersveiligheid en van de naleving van arbeidsvoorwaarden. Het Hof overwoog:
stricto sensu:
EL-EM-2001, over een eveneens Hongaarse regeling die bij overtreding van de EU-transportregels voorzag in imperatieve stillegging van de vrachtwagen om de betaling van de voor die overtreding opgelegde boete te garanderen. [166] Het Hof achtte deze conservatoire maatregel weliswaar geschikt en doeltreffend voor handhaving van de EU-vervoersregels, maar niet evenredig: [167]
Grupa Warzywna [168] moest het Hof de evenredigheid beoordelen van een automatische boete op te hoge verzoeken om btw-teruggaaf ad 20% van het exces. Het Hof stelde voorop dat lidstaten hun bevoegdheid om sancties op overtreding van EU-regels te stellen moeten uitoefenen met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en overwoog:
Menci [169] definitief buiten twijfel heeft gesteld dat zij een ‘sanctie van strafrechtelijke aard’ is, maar wij menen dat de toegepaste evenredigheidstoetsing niet beperkt is tot dergelijke sancties. Het HvJ zelf legt geen enkel verband tussen de intensiteit van zijn toetsing en het bestraffende karakter van de boete in kwestie en past in de zaak
EL-EM-2001, [170] over een niet-bestraffende conservatoire maatregel, dezelfde evenredigheidstoets toe.
mandatory requirement of public interest, maar ook evenredig zijn aan dat doel, dus ook de tot handhaving van die beperking op te leggen sanctie.
Louloudakis, [171] over de evenredigheid van Griekse sancties op overtredingen van richtlijn 83/182/EEG inzake belastingvrijstelling bij tijdelijke invoer van vervoermiddelen in de EU. Die sancties waren gebaseerd op de cilinderinhoud van het vervoermiddel. Volgens Louloudakis waren de sancties zo hoog dat zij het vrije verkeer van goederen belemmerden. Het Hof stelde voorop dat de lidstaten bevoegd zijn om sancties te kiezen die hen passend voorkomen, maar dat zij die bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel:
Greenpeace(zie par. 7.3.2 hierboven). Het beginsel is daarmee ook gekoppeld aan de twee andere EU-handhavingseisen: effectiviteit en afschrikwekkendheid.
stricto sensu. De noodzakelijkheidseis brengt mee dat beoordeeld moet worden of het doel niet kan worden bereikt met een minder ingrijpend middel. Evenredigheid
stricto sensueist dat de sanctie evenredig is aan de aard en ernst van de overtreding, waarbij onder meer van belang is of de overtreden norm een neven- of hoofdverplichting betreft, in hoeverre verwijtbaar is gehandeld en hoe groot het door de overtreding verkregen voordeel is.
stelselsen omdat steeds rekening moet (kunnen) worden gehouden met de concrete omstandigheden van het individuele geval. Het HvJ moet in elk geval niets hebben van forfaitaire boetestelsels waarin geen of onvoldoende onderscheid wordt gemaakt naar de ernst van de diverse overtredingen.
Maxis-Praxis-maatstaf en in elk geval meer intensiteitsdifferentiatie eist dan slechts twee intensiteiten, marginaal/terughoudend en vol/indringend.
8.Naar gedifferentieerde evenredigheidstoetsing van niet-bestraffende sancties
Maxis-Praxisvoor alle niet-bestraffende bestuurlijke sancties en die van
Keuringsplaats Zeewoldevoor alle bestraffende sancties (i.e. bestuurlijke boeten). Die differentiatiewens hangt samen met het streven naar maatwerk in het bestuursrecht, dat weer nauw samenhangt met de roep om responsief bestuur met meer aandacht voor het burgerperspectief (zie 3.2 hierboven). Ook buiten het terrein van de bestuurlijke sancties valt een ontwikkeling naar intensievere toetsing waar te nemen, zoals met name in de zaak van de
Groninger gaswinning(zie 4.4 hierboven).
Greenpeacedenkelijk al geldend recht dat de toepassing van art. 3:4(2) Awb bij de beoordeling van nietbestraffende bestuurlijke sancties congrueert met de toepassing van het Europese evenredigheidsbeginsel ontwikkeld door het HvJ bij de toepassing van het Unierecht bij de beoordeling van sancties, ongeacht of het gaat om sancties binnen of buiten de werkingssfeer van het EU-recht. Dat betekent, zoals bleek, dat de toepassing van sancties en sanctiestelsels in Nederland is onderworpen aan de EU-rechtelijke doel-middeltoetsing op (i) geschiktheid, inclusief effectiviteit en coherentie, (ii) noodzakelijkheid, en (iii) evenredigheid
stricto sensu.
moetentoepassen alleen maar toeneemt omdat de werkingssfeer van het EU-recht zich nu eenmaal net als het heelal alleen maar uitbreidt. Alleen al - bijvoorbeeld - de Dienstenrichtlijn met zijn zeer ruime toepassingsgebied heeft veel
competence creeptot gevolg. [173] Aldus is het gebied waarop überhaupt nog ruimte bestaat om het anders te doen dan Europees aan permanente krimp onderhevig en bestaat steeds minder inhoudelijk belang bij bewaking van nationale eigenaardigheden. Het soevereine belang om het qua evenredigheidsbeoordeling anders te doen dan het HvJ EU zien wij trouwens niet. De Awb-wetgever kennelijk ook niet (zie 4.2 hierboven). Dat wil niet zeggen dat ‘eigen’ nationale toepassing van art. 3:4(2) Awb niet meer mogelijk is. Adoptie van het EU-rechtelijke systeem buiten de werkingssfeer van het EU-recht is een rechtspolitieke keuze die niet gevolgd hoeft te worden als zij niet bijdraagt aan het recht, bijvoorbeeld als het EU-recht in de weg zou staan aan toepassing van algemene rechtsbeginselen
contra legem. [174]
Greenpeaceheeft de Afdeling immers de gehele EU-rechtelijke handhavingsdrie-eenheid overgenomen voor de beoordeling van niet-bestraffende handhaving in zuiver nationale zaken; niet alleen het evenredigheidsbeginsel, maar ook de EU-handhavingseisen van effectiviteit en afschrikwekkendheid (zie 7.3.2 hierboven). Zoals de conclusie in de zaak
Greenpeaceopmerkt, vloeit daaruit voort dat de lidstaten daadwerkelijk moeten optreden tegen overtredingen van Unierecht en sancties moeten toepassen die overtreders ervan kunnen weerhouden om het Unierecht (opnieuw) te schenden. [175] Tegelijkertijd moeten dat optreden en die sancties evenredig zijn. In deze conclusie concentreren wij ons weliswaar op het evenredigheidsbeginsel, maar verliezen wij die andere eisen niet uit het oog. Bovendien is het effectiviteitsbeginsel onderdeel van de geschiktheidstest in het kader van de evenredigheidstoetsing van een bestuurlijke maatregel. [176]
stricto sensuzijn. De geschiktheid en noodzakelijkheid betreffen doorgaans de vraag of de desbetreffende bestuurlijke sanctie (of geen of een andere) moet worden opgelegd; [177] de evenredigheid
stricto sensude maatvoering van die sanctie.
ofeen overtreding is begaan, maar lijkt ons minder van belang bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestuurlijke sanctie als de overtreding eenmaal vaststaat.
restraint) en indringend (
intensive).
helften- van de schaal benoemen:
restrainten
intensive. Die beperking tot twee benoemingen wordt onzes inziens terecht bekritiseerd omdat zij weinig duidelijkheid biedt, nu de werkelijke intensiteit van de Europese rechterlijke toetsing veelal ergens tussen de uitersten ligt. [186] Het Amerikaanse
Supreme Courtgebruikt daarom ook een derde term bij de benoeming van zijn intensiteit van toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Zijn
three level modelbenoemt tussen
restrainten
intensiveeen
intermediatetoetsingsintensiteit. [187] Dat voorbeeld lijkt ons navolgenswaardig voor de Nederlandse bestuursrechter, en daarmee bedoelen we niet de presentatie, maar de
substance: onzes inziens moet ook het hele middenveld van toetsingsintensiteit gebruikt worden; het spel wordt niet alleen bepaald door de spits en de
Ausputzer. Met een - rechtscommunicatief in drie delen verdeelde - glijdende schaal van rechterlijke toetsingsintensiteit kan ook invulling worden gegeven aan het gewenste maatwerk. Slechts twee intensiteiten, marginaal/terughoudend en vol/indringend, belemmert maatwerk. Daarbij make men zich over gelijkheid en rechtszekerheid bij besluiten zoals Damocles-sluitingen en lasten onder dwangsom niet te veel zorgen, want geen twee gevallen zijn gelijk en het gaat daarbij daarom
eo ipsoom maatwerk dat niet samen gaat met confectie. Dat is uiteraard anders bij beschikkingenfabrieken zoals de belastingdienst, waar ook de bestuurlijke sanctionering noodgedwongen massaproductie is en waar dus, zodra er tekenen van onevenredigheid in individuele gevallen zijn, heel nauwkeurig naar de receptuur van die massaproductie moet worden gekeken.
restraint, intensiveen
intermediateten behoeve van de rechtsduidelijkheid jegens interessenten en bestuursorganen omgezet worden in de kwalificaties ‘niet-onevenredig’, ‘juist’ en ‘evenredig’. Nopen de boven genoemde oriëntatiepunten tot terughoudendheid, dan toetst de rechter of de gevolgen van het besluit ‘niet onevenredig’ zijn aan de doelen ervan. Dat is niet dezelfde terminologie als die van de
Maxis-Praxis-maatstaf (‘in redelijkheid niet kunnen…’) omdat die maatstaf met de uitspraak in de zaak
Groninger gaswinning(zie 4.4 hierboven) wellicht al voorzichtig verlaten is, maar hoe dan ook prefereren wij bij bestuurlijke sancties de bij art. 3:4(2) Awb aansluitende aanduiding ‘nietonevenredig’. Dat maakt duidelijk dat de rechter op (on)evenredigheid toetst (en niet slechts op willekeur), maar wel terughoudend. De
MaxisPraxismaatstaf kan, indien nog geldend recht, gereserveerd worden voor besluiten waarbij de genoemde oriëntatiepunten en de
trias politica(zie onderdeel 9 hieronder) nopen tot een grote beslissingsruimte. Nopen de genoemde oriëntatiepunten tot indringende toetsing, dan toetst de rechter vol op evenredigheid en beoordeelt zij de bestuurlijke afweging als ‘juist’ of ‘onjuist’ en beslist zij bij vernietiging de zaak in beginsel ook zelf als het geschil wat de feiten betreft alleen nog hangt op de evenredigheid (de rechtsvragen beslist zij hoe dan ook zelf). Nopen de genoemde oriëntatiepunten tot
intermediateintensiteit van toetsing, dan toetst de rechter of het besluit ‘evenredig’ is,
i.e.binnen een beperkte marge voor het bestuur blijft. Dat neemt niet weg dat als de bestuursrechter zich in staat acht om zelf in de zaak te voorzien, het onzes inziens krachtige aanbeveling verdient dat zij dat dan ook doet, zoals de Afdeling inmiddels trouwens kennelijk ook al doet, ook in woningsluitingszaken. [188]
hands off managementvan de
MaxisPraxismaatstaf moeten doen.
voor zoverde rechtmatigheid van de verstrekking en besteding niet is aangetoond, eventueel met een opslag ter bevordering van de naleving van de administratieve verplichtingen. In termen van de EU-rechtspraak zijn beide verplichtingen bijkomend en niet de hoofdverplichting (correcte besteding) van de gesubsidieerde (zie 7.3.3 hierboven). Overtreding van dergelijke verplichtingen behoort in beginsel niet tot volledige intrekking te leiden. Dat kan anders liggen als het om een essentiële administratieve verplichting gaat, de verzaking waarvan het zicht geheel ontneemt op de (on)rechtmatigheid van de besteding, maar dat zal het bestuursorgaan dan aannemelijk moeten maken. [189]
stricto sensumee dat het bestuursorgaan bij de volledige intrekking dan rekening houdt met de mate van verwijtbaarheid. Voor de vraag welke differentiatie op dit punt mogelijk c.q. wenselijk is, biedt de bestuurlijkeboeterechtspraak interessante gezichtspunten. [190] Gelet op de betrokken belangen en de ingrijpendheid van de sanctie, ligt het in de rede dat de rechter het verwijtbaarheidsoordeel tamelijk indringend op evenredigheid toetst. Wij zouden menen dat een en ander tot de slotsom leidt dat het middelste derde van de glijdende schaal - een
intermediatetoetsingsintensiteit - aangewezen is, waarbij de rechter toetst of het bestuursorgaan met de volledige intrekking, gelet op de ernst van de overtreding en de mate verwijtbaarheid, binnen de vrij enge marges van ‘evenredig’ is gebleven, ook al zou de rechter zelf wellicht een ander besluit hebben genomen.
stricto sensuzijn. Daarop wordt nu al min of meer getoetst door de Afdeling, [191] maar het resultaat is toch terughoudend (‘niet-onredelijk’), met name door het gebruik van nietweerlegbare uitgangspunten en nauwelijks weerlegbare vooronderstellingen (meer drugs dan de door het OM als niet meer voor persoonlijk gebruik aangemerkte hoeveelheid, hoe bescheiden ook, is steeds ‘ernstig’ en impliceert daarom noodzakelijkheid; dat de bewoner zijn huis uit moet, is een inherent gevolg van sluiting en daarom geen bijzondere omstandigheid; afwezigheid van persoonlijke verwijtbaarheid disculpeert niet als de hoofd- of andere bewoner geen streng toezicht heeft gehouden).
niet‘acuut’ gesloten wordt, maar een stappenplan wordt gevolgd, en ervan uitgaat dat de woning veelal niet ‘echt’ bewoond wordt, maar dat het ‘nagenoeg altijd om woningen (gaat) die niet of slechts naar uiterlijke schijn worden bewoond.’ Sluiting kan bij overschrijding van 0.5 gram harddrugs weliswaar nodig zijn ter voorkoming van strafbare feiten, maar een geringe hoeveelheid pillen, zonder handel en zonder ‘loop’ naar een ‘echt’ bewoonde woning, lijkt ons duidelijk onvoldoende om zo’n ingrijpende maatregel te kunnen rechtvaardigen, met name niet jegens ‘echte’ bewoners die niet betrokken zijn bij de aanwezigheid van die pillen. Op die basis komt anders menige woning in de Amsterdamse grachtengordel en in Amsterdam-Zuid, alsmede menige kantoorruimte aan de Zuidas voor sluiting in aanmerking. Ook daarvoor lijkt dus het overslaan van een waarschuwing disproportioneel. Is er wel feitelijke handel in hard- of softdrugs, dan is er op zichzelf wel reden voor sluiting, maar moet de mate van overlast of onveiligheid mede bepalend zijn voor de duur van de sluiting.
friends, etc.) en dat de rechter de verwijtbaarheid volledig zelf beoordeelt, zonder beoordelingsmarge voor het bestuur.
stricto sensude gevolgen van de sluiting worden meegewogen. Daarbij is van belang dat deze vaak niet primair degene treft die de drugsdelicten heeft begaan, maar ook en niet zelden juist andere personen zoals gezinsleden die niet bij de delicten waren betrokken en wier huisrecht en privéleven wordt beschermd door art. 8 EVRM Pro, onder wie mogelijk ook kinderen wier speciale rechten worden beschermd door het Verdrag voor de Rechten van het Kind. [196] Bij de bepaling van de duur en mogelijk van de modaliteiten (bijvoorbeeld gedeeltelijke sluiting) van een op zichzelf noodzakelijke sluiting moeten deze zwaarwegende belangen worden meegewogen, maar als de mate van overlast en onveiligheid de buurt ontwrichtte of deed verloederen, kan toch een langdurige sluiting aangewezen zijn, te meer omdat in dat geval die andere bewoners (behalve de kinderen) op de hoogte van de delicten zullen moeten zijn geweest en hadden kunnen ingrijpen, zodat ook hun een verwijt treft. Is van ontwrichting of concrete onveiligheid geen sprake en is de hinder beperkt, dan leggen de belangen van die niet-betrokken andere bewoners onzes inziens groot gewicht in de schaal, mede omdat langdurige sluiting van een huurhuis ontbinding van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst bij verhuurders kan meebrengen. Een dergelijke civiele sanctie wordt vaak door woningcorporaties getroffen op basis van daarop toegespitste bepalingen in het huurcontract en afspraken daarover met de gemeente die de sluiting beveelt. De verhuurder zal overigens in het algemeen wel een eigen proportionaliteitsbeoordeling moeten maken en civielrechtelijk niet blind kunnen varen op bestuurlijk inzicht. Bij zijn proportionaliteitstoets beoordeelt de ontbindingsrechter die eigen verhuurdersafweging bij het gebruik van de buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid, waarbij die rechter van belang acht de aard, ernst, omvang en reikwijdte van het drugsdelict, de betrokkenheid van de woning, of de verhuurder in haar particuliere belang is getroffen, of de huurders tijdens de sluiting de huur doorbetalen en of de sluitingsperiode al voorbij is zodat er bestuursrechtelijk geen grond meer is om de woning niet ter beschikking te stellen. [197]
stricto sensuniet op grote afstand moet controleren, maar binnen vrij enge marges. Weliswaar behoort de burgemeester als kenner van de lokale omstandigheden, met name van de mate van overlast en onveiligheid, bestuurlijke beslissingsruimte te resteren ter zake van de optimale duur en modaliteiten van een sluiting om de rust en veiligheid te doen weerkeren en het pand uit de drugsonderwereld te halen en te houden, maar de sluiting heeft zulke ingrijpende gevolgen voor het privéleven van niet bij die onderwereld betrokken bewoners dat ons een
intermediatetoetsingsintensiteit aangewezen lijkt (behalve bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van de niet bij de handel betrokkenen, die volledig door de rechter zelf ware te beoordelen).
Greenpeaceovergenomen EU-handhavingseisen van effectiviteit en afschrikwekkendheid (zie 7.3.2 en 8.2 hierboven). (Ook) het CBb meent dat de Nederlandse beginselplicht tot handhaving in beginsel congrueert met deze handhavingsbeginselen. [198] Het noodzakelijkheidsvereiste stelt wel grenzen aan een strikte opvatting van de handhavingsplicht. [199] Dat kan meebrengen dat het bestuur eerst een waarschuwing moet geven alvorens een sanctie op te leggen. [200] Bovendien kan de oplegging afstuiten op het noodzakelijkheidsvereiste als de overtreding het algemeen belang maar in zeer beperkte mate schaadt, terwijl de nadelen voor de betrokkene zeer groot zijn. Men denke aan een last tot afbraak van een woning omdat deze 5 cm over de rooilijn is gebouwd. [201] Of deze factoren zich verzetten tegen de oplegging van de last onder dwangsom, kan afhankelijk van de mate waarin belangen van derden bij de zaak betrokken zijn, door de rechter afstandelijk of gemiddeld indringend worden getoetst.
stricto sensu, die van belang is voor de hoogte en de begunstigingstermijn. Het stellen van een zeer korte termijn in verhouding tot de belangen van de overtreder kan onevenredig zijn. Bovendien kan deze evenredigheidsbeoordeling extra eisen stellen afhankelijk van de soort van het opgelegde herstel: de Afdeling (grote kamer) eiste in de zaak
Greenpeacevoor een last ter voorkoming van herhaling dat daadwerkelijk een eerdere overtreding heeft plaatsgevonden en dat om gespecificeerde redenen reëel gevaar voor herhaling bestaat. [202] De evenredigheid in strikte zin stelt ook eisen aan de hoogte van de dwangsom, hetgeen trouwens al uit de wet blijkt: art. 5:32b(3) Awb bepaalt dat de dwangsom ‘in redelijke verhouding’ moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking ervan. Naar huidig recht toetst de bestuursrechter die hoogte terughoudend aan art. 3:4(2) Awb. [203] Dat lijkt ons, gelet op het feit dat bij het bepalen van die hoogte vooral de belangen van de overtreder in het geding zijn, aan de magere kant. [204] In het algemeen zou de intensiteit van de rechterlijke toetsing van de dwangsomhoogte zich volgens ons moeten bewegen op het middelste derde deel van de glijdende schaal, dus, in
Scotus-termen: in het
intermediateintensieve deel. Als een dwangsom in feite de functie van een voorwaardelijke boete heeft, [205] dan past onzes inziens de volle evenredigheidsbeoordeling die ook geldt voor de hoogte van een bestuurlijke boete.
9.Spanning in de trias
moetworden opgelegd. De vraag is dan of de rechter de oplegging direct of indirect (via exceptieve toetsing van de beleidsregel of het wettelijke voorschrift) op evenredigheid kan toetsen op basis van het ongeschreven rechtsbeginsel of op basis van art. 3:4(2) Awb zoals dat volgens ons moet worden uitgelegd, dan wel rechterlijke evenredigheidstoetsing kan worden beperkt of uitgesloten door een beleidsregel of wettelijk voorschrift.
juistaan de rechter om te bepalen welke partij het qua wetsuitleg bij het rechte eind heeft, c.q. om te oordelen dat zij het geen van beiden goed zien:
ius curia novit, verplicht ook van ambtswege (art. 8:69(2) Awb). Een beleidsregel is geen ‘recht’ in de zin van art. 8:69 Awb Pro (maar wel in de zin van art. 79 Wet Pro RO). [217]
juistis. Daarover gaat uiteindelijk de rechter.
de factoprecedentwerking hebben.
nietzijn, hetgeen ook blijkt uit de in art. 4:84 Awb Pro neergelegde afwijkingsbevoegdheid/plicht. Beleidsregels zijn handelingen van de Executieve, niet van enige wetgever. Niettemin tendeerde de Afdeling tot 2016 naar een nogal mechanistische toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, waardoor in abstracto niet-onredelijke beleidsregels in concreto toch onredelijk konden uitpakken. [228] Zij toetste in twee stappen: (i) zijn de omstandigheden ‘bijzonder’? (ii) Zo ja, leiden zij tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen? Omstandigheden waren in die ‘oude’ rechtspraak alleen ‘bijzonder’ als het bestuursorgaan ze niet al had verdisconteerd bij het vaststellen van zijn beleid. [229]
contra legemtoepassing van art. 3:4(2) Awb, [236] wat verwarrend is, nu de hogere wet (art. 3:4 Awb Pro) juist gewoon geldt.
erga omnesonrechtmatig is. Een voorbeeld noemen wij in 9.3.5 hieronder. Voor het (vooralsnog) buiten toepassing laten van het avv kiest de rechter in elk geval als het een formeel beginsel van behoorlijk bestuur schendt, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van deugdelijke motivering. [247] Voorbeelden daarvan worden behandeld in 9.3.4 hieronder.
De Afdeling is, in het licht van omstandigheden die de Afdeling in overweging 5.2. heeft vastgesteld, van oordeel dat de minister bij de totstandkoming van de Regeling de mogelijke ingrijpende gevolgen van de oplegging van het asp [alcoholslotprogramma], die zich in de praktijk met regelmaat voordoen, niet afdoende heeft afgewogen. In een substantieel aantal gevallen kan artikel 17 van Pro de Regeling onevenredig uitwerken omdat het asp moet worden opgelegd aan bestuurders indien aan de toepassingsvoorwaarden neergelegd in dat artikel wordt voldaan, zonder dat daarbij rekening kan worden gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. De Regeling maakt ten onrechte geen onderscheid tussen gevallen waarin deze ingrijpende gevolgen zich wel en niet voordoen en biedt het CBR evenmin ruimte om in de gevallen waarin deze zich voordoen een geïndividualiseerde afweging te verrichten. Aldus is voor die gevallen in de Regeling de evenredigheid van de opgelegde maatregel onvoldoende gewaarborgd, zodat artikel 17, eerste lid, van de Regeling in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en derhalve onverbindend is. (…).
criminal chargezou inhouden wegens de zwaarte van zo’n sanctie voor een beroepschauffeur, en liet zij de regeling buiten toepassing als de oplegging in de concrete zaak strijdig zou zijn met het evenredigheidsbeginsel op basis van art. 6 EVRM Pro. [254] Uiteindelijk raakte de Afdeling door het toenemende aantal beroepszaken waarin imperatieve oplegging van het alcoholslot ernstige individuele gevolgen had overtuigd dat de onevenredigheid van de effecten een structureel karakter had en verklaarde zij de regeling onverbindend wegens strijd met art. 3:4(2) Awb.
Harmonisatiewet-arrest (zie 9.6 hieronder) volgt wel dat de rechter de formele wet niet als zodanig onverbindend kan verklaren wegens schending van algemene rechtsbeginselen, hoezeer de rechter die formele wet daarmee ook manifest in strijd acht (in dat geval met het rechtszekerheidsbeginsel).
échappatoireuit dit dispuut: beginselconforme uitleg van de formele wet.
algemeenzijn en
beginselen, menen wij dat de rechter formeel-wettelijke bepalingen steeds zo veel mogelijk moet interpreteren conform de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. ‘Zo veel mogelijk’ ware onzes inziens op te vatten in gelijke zin als in het EU-recht bij de EU-rechtconforme uitleg van nationaal recht: die conforme uitleg houdt pas op bij onverenigbaarheid met de tekst van de wet of met de onmiskenbare en uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever zoals blijkende uit de parlementaire geschiedenis. [258] Gaat de rechter verder, dan laat zij de formele wet buiten toepassing. In hoeverre dat mogelijk is, bespreken wij in 9.4.3 en volgende hieronder. Zolang een met het evenredigheidsbeginsel strijdige oplegging van een bestuurlijke sanctie niet met zoveel woorden door de formele wet of diens parlementaire geschiedenis wordt voorgeschreven, kan de rechter daardoor bestaande interpretatieruimte in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en andere algemene rechtsbeginselen gebruiken. [259]
contra legemis omdat (i) de wetgever moeilijk geacht kan worden moedwillig algemene rechtsbeginselen te willen schenden (dat zal denkelijk ook nooit met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis blijken) en (ii) art. 120 Grondwet Pro op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel door zijn (omgekeerde) discriminatie van interne (niet binnen de werkingssfeer van het EU- of EVRM-recht vallende) gevallen, die steeds moeilijker uit te leggen valt naarmate die werkingssferen steeds verder zijn uitgedijd. Het is ook al 45 jaar geleden, toen van die uitdijing nog geen sprake was, dat de regering tijdens de parlementaire behandeling van de grondwet 1983 stelde dat het: [261]
contra legemzou zijn. In de nationale rechtsorde heeft die conforme interpretatie daarmee de status van prioritaire uitlegmethode.
Wandelvierdaagseheeft de Hoge Raad zich hierover principieel uitgelaten. [263] In geschil was of de organisatie van een wandelvierdaagse over haar diensten btw verschuldigd was naar het algemene of het verlaagde 6%-tarief. Volgens de btw-richtlijn was het algemene (hoge) tarief van toepassing, maar een richtlijn heeft bij verkeerde of niet-implementatie geen omgekeerde verticale directe werking (tegen de burger). De nationale omzettingswet liet voor die uitleg wel ruimte, maar de parlementaire behandeling vermeldde dat wandelvierdaagsen onder het lage tarief zouden vallen; regering noch parlement waren zich ervan bewust dat dat niet strookte met de btw-richtlijn. De Hoge Raad stelde onder verwijzing naar het HvJ-arrest
Wagner Miret [264] voorop dat de rechter bij de toepassing van zijn nationale recht
Harmonisatiewet-arrest). En ook beginselconforme uitleg van de wet voorkomt botsingen tussen wet en recht: [267] zij voorkomt kinderopvangtoeslagaffaires. Beide interpretatiemethoden hebben een verzoenend en rechtseenheidbevorderend effect.
formele wet (art. 3:4(2) Awb) c.q. algemeen rechtsbeginsel
ongeachtmogelijke onevenredigheid daarvan, dus ongeacht mogelijke strijd met een andere formele wet (art. 3:4 Awb Pro). Zoals in 9.4.1 al opgemerkt, wordt verschillend gedacht over de vraag wat bij zo’n botsing rechtens is. De meest uitgesproken voorstander van voorrang van art. 3:4(2) Awb is Scheltema, [268] die betoogt dat een bij formele wet gefixeerde bevoegdheidsuitoefening steeds moet kunnen worden getoetst op evenredigheid en dat dit naar geldend recht (art. 3:4(2) Awb) ook mogelijk zou zijn. Anderen, zoals Zijlstra en Van der Loop, betwijfelen dat. [269] Naar geldend recht heeft de tweede groep denkelijk gelijk, gezien het systeem van art. 3:4 Awb Pro en de arresten van de Hoge Raad in de zaken
Harmonisatiewet [270] en
Boseton. [271] Als uit het systeem van en de toelichting op art. 3:4 Awb Pro volgt dat de uitoefening van een bij ‘wettelijk voorschrift’ gebonden bevoegdheid niet aan het evenredigheidsbeginsel in art. 3:4(2) Awb kan worden getoetst, geldt dat te meer voor toetsing van de uitoefening van een door de formele wetgever gebonden bevoegdheid.
evergreenvan het toetsingsverbod van art. 120 Gw Pro (De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten) aan snee. Volgens de Hoge Raad brengt dat mee dat een formele wet niet kan worden getoetst aan een (internrechtelijk) ongeschreven rechtsbeginsel en evenmin aan de (internrechtelijke) codificatie van zo’n beginsel. Dat laatste voegen wij toe voor hen die door ons bovenstaande betoog over art. 3:4 Awb Pro niet zijn overtuigd.
Boseton [283] in een geval waarin wezenlijk gevraagd werd de formele wet aan die beginselen te toetsen via de redelijkheid en billijkheid zoals gecodificeerd in art. 6:2 en Pro 6:248 BW. In geschil was of een zorgverzekeraar in afwijking van een wet in formele zin, de Zorgverzekeringswet (Zvw), op grond van de redelijkheid en billijkheid kan worden verplicht tot het verstrekken of vergoeden van zorg buiten het verzekerde pakket als de verzekerde aan die zorg behoefte heeft in de zin van artikel 11(1) Zvw. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend.
Doorbraakarresten [287] van de Hoge Raad uit 1978 is aanvaard dat onder omstandigheden strikte toepassing van de wet zodanig in strijd kan komen met algemene rechtsbeginselen dat deze toepassing in het concrete geval achterwege moet blijven. Deze
contra legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen is het belangrijkste middel waarover de rechter beschikt tot toepassing van wat de literatuur een ‘billijkheidscorrectie’ noemt. [288] Een dergelijke correctie op
dura lexwerd al bepleit door Aristoteles, en in Nederland door juristen als Paul Scholten en Molengraaff. [289]
contra legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen bevestigd en gepreciseerd in het eveneens al meermalen genoemde
Harmonisatiewet-arrest. [290] De in die zaak tegen de Minister van onderwijs procederende studentenverenigingen hadden bepleit dat, gegeven de Doorbraakarresten, het toetsingsverbod niet zou gelden voor algemene rechtsbeginselen. De Hoge Raad verwierp dat betoog, overwegende als volgt:
Boseton. Na overwogen te hebben dat de wet in formele zin door het toetsingsverbod van 120 Gw niet kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen, vervolgt hij dat dit: [291]
contra legemtoe als de belastingdienst of de daarvoor verantwoordelijke bewindslieden van de belastingwet afwijkende toezeggingen doen of van de wet afwijkend beleid voeren.
Boseton-formule van de Hoge Raad is in de standaardoverwegingen van de CRvB opgenomen, bijvoorbeeld in een uitspraak van 7 april 2021 over de Toeslagenwet: [292]
matevan onredelijkheid in de door hem ‘verdisconteerde’ gevallen irrelevant acht; dat hij ook
aperteonredelijkheid in concrete gevallen aanvaardt en geen ‘Doorbraak’-rechtspraak wenst.
contra legemin de rechtspraak tot op heden echter vrijwel non-existent. Dat wordt waarschijnlijk verklaard door het gegeven dat
contra legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel - anders dan de toepassing
contra legemvan het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, die het bestuur aan zijn eigen toezeggingen of beleid heeft te wijten - al snel neigt naar eigen rechterlijke beoordeling van ‘de innerlijke waarde of billijkheid der wet’, verboden door art. 11 Wet Pro Algemene Bepalingen.
Ook kan niet worden gezegd dat sprake is van een willekeurige of onredelijke heffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad.’
contraeen andere formele wet het bestuursorgaan ruimte biedt om belangen af te wegen als die andere formele wet dat uitsluit, maar de Hoge Raad suggereert ook dat de heffingsambtenaar op grond van ongeschreven recht rechtens gehouden is om een ‘willekeurige of onredelijke heffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad’ niettemin achterwege moet laten. Dat het moet gaan om een gevolg dat ‘de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad’, strookt met het hierboven in dit onderdeel aangehaalde arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad waarin zij overwoog dat voor
contra legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen vereist is dat de schending zit in ‘niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden’. Op grond van welk ongeschreven recht een heffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan rechtens onaanvaardbaar is, blijft enigszins vaag, maar de termen ‘willekeurig’ en ‘onredelijk’ lijken te verwijzen naar het evenredigheidsbeginsel. [300]
contra legemwerking van het evenredigheidsbeginsel is uitgesloten. De (Doorbraak)rechtspraak van de Hoge Raad en de rechtspraak van de CRvB impliceren immers dat de formele wet buiten toepassing kan worden gelaten in een concreet geval van een rechtens onaanvaardbare strijd met een algemeen rechtsbeginsel. Daar bestaat ook duidelijk behoefte aan, zoals blijkt uit de maatschappelijke, politieke en juridische ophef over en gevolgen van de Kinderopvangtoeslagaffaire. Het is
juisthet evenredigheidsbeginsel dat de rechter in staat stelt om in concrete gevallen ‘ongekend onrecht’ waarvoor een rechtstaat zich moet schamen te vermijden. Daarom kunnen bestuursrechters zich naar onze mening baseren op het evenredigheidsbeginsel om in concrete gevallen
apertonevenredige effecten van een ‘onwrikbare’ formele wet te vermijden. [301] Dat past naadloos in het streven naar maatwerk in en responsiviteit van het bestuursrecht vanuit het burgerperspectief (zie 3.2 hierboven), en bijna de voltallige Tweede Kamer roept ertoe op (zie 9.6 hieronder).
contra legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen in beginsel alleen een grondslag voor een uitzondering ten voordele van de burger, [302] waardoor die toepassing uitgesloten is als het algemene belang of de belangen van derden zich daartegen verzetten.
Contra legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen is aldus vooral van betekenis bij tweepartijenverhoudingen tussen overheid en burger, zoals met name bij financiële besluiten. Dat blijkt ook uit de routineuze
contra legemtoepassing van met name de vertrouwens- en gelijkheidsbeginselen door de belastingrechter. Wij merken op dat het ook bij de kinderopvangtoeslag om financiële besluiten ging zonder derden-belanghebbenden.
contra legemkan worden toegepast volgens de Hoge Raad vooralsnog ‘slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen’. [303] Onevenwichtigheden die een geïntegreerd onderdeel zijn van het formeel-wettelijke stelsel (Hoge Raad: ‘een zekere ruwheid’) kunnen niet door de rechter worden gerepareerd, vooral ook al niet omdat het dan om stelselvragen gaat, waar de rechter niet voor geëquipeerd is. Dat betekent niet dat als een aperte onevenredigheid zich in meer of veel zaken voordoet, zoals bij de terugvordering van kinderopvangtoeslag, die onevenredigheid onvoldoende bijzonder zou zijn om
contra legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel te rechtvaardigen.
contra legembillijkheidscorrectie lijkt naar huidig recht - buiten gevallen waarin het EVRM of EU-recht geldt - niet voorradig tegen formeel-wettelijke schendingen van algemene rechtsbeginselen die door de formele wetgever zijn ‘verdisconteerd’ bij de totstandkoming van de formele wet. Dat roept de vraag op of de rechter andere instrumenten heeft om het recht te dienen ondanks de formele wet en diens bescherming door art. 120 Grondwet Pro.
political question [304] ) geen rechtsherstel bieden, zij kan wel, en doet dat soms ook, expliciteren dat zij de door art. 120 Grondwet Pro tegen het recht afgeschermde formele wet als zodanig in strijd acht met ongeschreven algemene rechtsbeginselen of met hoger recht. De Hoge Raad deed dat in het Harmonisatiewet-arrest, en doet dat soms ook bij een vastgestelde schending van internationaal recht die zij op stelselniveau niet kan wegnemen. Het eerste blijkt uit het volgende citaat uit het Harmonisatiewet-arrest: [305]
political question; de box 3-arresten), maar de wetgever, die daarop kan worden aangesproken door de kiezer. Wij bepleiten daarom dat rechters steeds als zij een formele wet in strijd achten met een niet in rechtstreeks werkend internationaal of EU-recht gecodificeerd algemeen rechtsbeginsel, maar daaraan door het toetsingsverbod geen gevolgen kunnen verbinden, dit uitdrukkelijk in hun uitspraak verklaren. [308] Geen rechtsregel staat in de weg aan zo’n declaratoir van onverenigbaarheid en het gebruik daarvan hoeft niet te wachten op een regeling van een ‘verklaring van grondwettelijke onverenigbaarheid’ die volgens de literatuur als alternatief zou kunnen dienen voor een door de politiek in Nederland niet gewenste constitutionele toetsing. [309] Die voorgestelde ‘verklaring van grondwettelijke onverenigbaarheid’ is geïnspireerd op de Britse
declaration of incompatibilityin de
Human Rights Act1998. De rechter maakt aldus duidelijk dat een nationale wet onverenigbaar is met het recht, maar laat het aan de wetgever om te bepalen hoe die onverenigbaarheid weg te nemen. Zo’n rechterlijke verklaring sluit aan bij de opvatting van het kabinet in zijn reactie op het advies van de Staatscommissie parlementair stelsel over constitutionele toetsing. [310] In die reactie toont het kabinet zich voorstander van een variant van constitutionele toetsing ‘waarin de rechter geen bindend rechterlijk oordeel uitspreekt, maar een advies aan de wetgever uitbrengt’. [311]
BNB1999/271 [312] betrof een discriminatoire verhoging van het arbeidskostenforfait. De Hoge Raad constateerde de discriminatie, maar greep na uitgebreide afweging van principiële en praktische voors en tegens niet in. Hij nodigde de regering wel uit om er voor te zorgen dat Nederland aan zijn Verdragsverplichtingen zou voldoen. Ook in HR
BNB1998/293 [313] constateerde de Hoge Raad een discriminatie bij formele wet, in verband met de ‘aftopping’ van het autokostenforfait. Opnieuw greep hij ondanks de discriminatie niet zelf in, omdat de mogelijkheden van de rechter om dat te doen alleen maar tot nieuwe ongelijkheden of een onwenselijk disproportioneel (!) gevolg zouden leiden. Rechtsherstel door de rechter bleek wel mogelijk in HR
BNB1999/122 (grootwagenpark), [314] over een privilegiërende uitzondering voor houders van omvangrijke wagenparken bij de verhoging van de BPM voor bestelwagens naar het tarief voor personenauto’s. Die uitzondering was volgens de Hoge Raad een willekeurige bevoordeling van deze groep, in strijd met art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro. Hij paste het lagere tarief ook toe op de gediscrimineerde belanghebbende en daarmee effectief op alle niet-grootwagenparkhouders. HR
BNB2018/144 [315] betrof de verhuurderheffing, die mede-eigenaren willekeurig en onredelijk belastte; de Hoge Raad achtte zich niet in staat om op stelselniveau in te grijpen, maar bood de belanghebbende wel individueel rechtsherstel. In HR
BNB2018/90 [316] oordeelde de Hoge Raad dat het verschil in bijstand tussen ongehuwd samenwonenden met zorgbehoefte en samenwonende bloedverwanten met zorgbehoefte het discriminatieverbod schond, maar liet rechtsherstel weer over aan de wetgever. De Hoge Raad stelde de wetgever wel peremptoir:
BNB2000/306, [317] over een privilegiërende vrijstelling van
goodwillbij de vererving van een eenmanszaak die wél belast werd bij vererving van aandelen in een identieke onderneming, constateerde de Hoge Raad een schending van het discriminatieverbod, maar liet hij rechtsherstel vooralsnog over aan de wetgever.
evergreenwaar weinig nieuwe gezichtspunten aan zijn toe te voegen, maar waar niet goed omheen te komen valt als de vraag is hoe de rechter recht kan doen ondanks een formele wet die bevoegdheidsuitoefening door het bestuur zodanig strikt bindt dat die wet in voorkomende gevallen in feite schending van een algemeen rechtsbeginsel eist. Wij achten het toetsingsverbod, zoals bleek, achterhaald, rechtsbelemmerend en discriminatoir, maar in de drie zaken waarvoor deze conclusie is gevraagd, is niet het toetsingsverbod het probleem, maar de vraag hoe intensief de rechter
discretionairebevoegdheidsuitoefening toetst, en het ligt in de rede eventuele heroverweging van het Harmonisatiewet-arrest over te laten aan de auteur van dat arrest, de Hoge Raad. Wij maken niettemin enige opmerkingen.
hear, hear!’. Daartegenover plaatste de Hoge Raad de volgende argumenten voor ruime uitleg van art. 120 Grondwet Pro en tegen toetsing van de wet aan rechtsbeginselen:
Urgenda-zaak, [318] op grond van het EVRM) of het stikstofbeleid (de
PAS-zaak; [319] op grond van het EU-recht). [320] De indirecte (omgekeerde) discriminatie van justitiabelen die geen Europese bescherming genieten wordt daardoor steeds nijpender. Wij achten dat te meer zorgelijk doordat bescherming door EU- of EVRM-beginselen vooral ontbreekt of slechts incidenteel geldt in het sociale domein, zoals bij toeslagen en uitkeringen, terwijl de wetgever juist in dat domein heeft gekozen voor formeel-wettelijke fixatie van strenge sanctionering. Juist op terreinen waar maatwerk, responsief bestuur en nationaalrechtelijke rechtsbescherming wenselijk of noodzakelijk zijn, zijn de mogelijkheden voor het bestuur en de rechter om recht te doen het meest beperkt. De vaak gesignaleerde overmacht van de Executieve en het monisme van regering en parlement lijken de laatste decennia ook alleen maar te zijn toegenomen, zodat de veronderstelling waar het toetsingsverbod op is gebaseerd (‘dat in de voor het tot stand brengen van wetten voorgeschreven parlementaire procedure een afdoende waarborg is gelegen voor hun rechtsgehalte’) sinds het Harmonisatiewet-arrest (nog) theoretischer is geworden. [321]
10.Antwoord op de vraag van de Voorzitter
stricto sensu. Om redenen van rechtseenheid, rechtszekerheid én ter voorkoming van omgekeerde discriminatie ware deze geïntegreerde benadering in alle zaken toe te passen, ook die waarin dat niet dwingend voortvloeit uit het Unierecht of EVRM, conform de adoptie door de Afdeling van de EU-rechtelijke handhavings-drie-eenheid (waaronder het evenredigheidsbeginsel) in de zaak
Greenpeace. De rechtsbasis daarvoor is (i) het nationale recht, namelijk art. 3:4(2) Awb en het ongeschreven algemene rechtsbeginsel van evenredigheid, ingevuld conform EU- en EVRM-recht, en (ii) het discriminatieverbod van de artt. 14 EVRM, Protocol 12 EVRM, 26 IVBPR en 1 Grondwet, dat onzes inziens ook omgekeerde discriminatie (van alleen door intern recht beheerste gevallen) verbiedt. Over de indringendheid gaat de vierde
bullet.
US Supreme Courtdrie opvolgende delen op de intensiteitsschaal van rechterlijke beoordeling van besluiten: terughoudende toetsing (
restraint) waar grote bestuurlijke ruimte onvermijdelijk is en grondrechten een bescheiden of geen rol spelen, vervolgens (in het midden van de schaal) toetsing op globale evenredigheid (
intermediate, dus met smallere bestuurlijke marges waar het gewicht van de belangen en de betrokkenheid van grondrechten oploopt), en indringend, i.e. op juistheid van het besluit (
intensive) waar die belangen en grondrechtenaantasting maximaal is, waar de rechter zo mogelijk ook zelf de evenredigheidstoets overneemt.
blacklisting. De bestuursrechter die over herstelsancties gaat, hoeft bij haar evenredigheidsbeoordeling in beginsel geen rekening te houden met eventuele punitieve sancties naar aanleiding van hetzelfde gedrag omdat bestraffing in beginsel los staat van herstel en de rechter die over de bestraffing gaat al rekening moet houden met de herstelsanctie, maar zij moet wel rekening houden met civiele sancties zoals huurontbinding en
blacklistingdie door civiele partijen in samenwerking met het bestuur worden toegepast. Onder omstandigheden kan een samenloop van sancties een
individual and excessive burdenopleveren in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM, die door de laatst oordelende rechter moet worden voorkomen.
11.Algemene opmerkingen over de drie te beoordelen zaken
stricto sensu.
intermediateintensiteit omdat zowel de bestuurlijke beoordelingsruimte ter zake van het algemene belang en de belangen van derden, als de aantasting van met name het huisrecht zwaar wegen. Wat het invorderingsbesluit in zaak 3 betreft, geldt dat als het om het dwangsombesluit zou gaan, in beginsel dezelfde
intermediatetoetsingsintensiteit zou gelden, tenzij de dwangsom in feite een voorwaardelijke boete is, in welk geval de volle evenredigheidsbeoordeling zou passen die bij boeten past, maar in die zaak 3 gaat het niet om het dwangsombesluit, maar om het invorderingsbesluit, en wordt de rechterlijke beoordeling dus beperkt door de formele rechtskracht van het dwangsombesluit;
in concretoafwegen. Het bestuursorgaan moet maatwerk en geen confectie leveren, zeker bij (ingrijpende) aantasting van het huisrecht en het eigendomsrecht.
12.12. Art. 13b Opiumwet en diens parlementaire geschiedenis
Damocles [329] om burgemeesters ook bevoegd te maken tot bestuursdwang tot sluiting als in woningen (dus niet alleen in lokalen) of op bijbehorende erven een middel op lijst I of II Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig is. De wetgever achtte het noodzakelijk om bij de handhaving van de Opiumwet woningen gelijk te schakelen met lokalen. [330] Het was niet de bedoeling om bij een eerste overtreding van de Opiumwet meteen de woning te sluiten. Ook bij toepassing van het gewijzigde artikel 13b Opiumwet zou gefaseerd worden opgetreden. Bij een eerste constatering van drugshandel zou veelal volstaan worden met minnelijk vooroverleg, een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een dwangsom. [331]
intermediate), behalve de beoordeling van de verwijtbaarheid van de belanghebbenden, die onzes inziens volledig aan de rechter is.
gewaardeerdebewoning door een echtpaar dat ten onrechte meende er op te kunnen vertrouwen dat hun tijdelijk wegens relatieproblemen bij hen op zolder bivakkerende zoon zich niet meer met ‘die zooi’ (zie 13.16 hieronder) zou bezighouden.
- ‘het niet de bedoeling is bij een eerste overtreding van de Opiumwet acuut tot sluiting van de woning over te gaan’,
- ‘bij een eerste constatering van drugshandel (…) veelal volstaan [zal worden] met minnelijk vooroverleg, een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een dwangsom’, en
- ‘het enkele aantreffen van drugs in een pand zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt werden, (…) niet voldoende (is) voor het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet.’
noodzaakvan rauwelijkse sluiting, mede gegeven de detentie van de betrokken zoon, de verzekering van het echtpaar dat hij, gegeven de voor hen traumatische inval en aangetroffen spullen, niet meer welkom is en de vaststellingen dat er geen ‘loop’ was en dat de zolder niet voor handel of productie, maar alleen voor opslag gebruikt werd. Dat de rechter dat laatste niet zou mogen meewegen, zoals de burgemeester stelt, is onjuist; dat de rechter niet alle relevante omstandigheden ten tijde van haar vonnis zou mogen meewegen, is eveneens onjuist. De stelling dat de ‘formele rechtskracht’ van de afwijzing van het heropeningsverzoek van het echtpaar daaraan in de weg zou staan, verbaast ons, omdat wij geen formele rechtskracht van die afwijzing zien ten opzichte van het sluitingsbevel. Zou dat anders kunnen zijn, dan lijkt ons deze stelling een parel van antiresponsief bestuur, vooral geschikt om de kloof tussen bestuur en burgers te verbreden en voorstanders van afschaffing van dat leerstuk te werven. Na de politie-inval, waarbij volgens de verklaring van de ouders ter zitting de deur werd ingetrapt en een vuurwapen op vader [partij A] werd gericht, en na de inbeslagneming van de illegale spullen en de arrestatie van de betrokken zoon, zal het echtpaar volstrekt duidelijk geweest zijn dat het om zeer ernstige feiten ging en dat absoluut niet getolereerd zou kunnen worden dat het nog eens zou gebeuren. Op basis van de boven geciteerde wetsgeschiedenis, met name de wetgeverlijke uitgangspunten dat het niet om ‘echte’ bewoners gaat en dat de ‘bewoners’ vergaand bij de drugsdelicten zijn betrokken, alsmede dat
nietmeteen gesloten wordt bij een eerste vondst maar steeds eerst ‘de burger de gelegenheid (wordt) gegeven om door het tijdig verlenen van medewerking de inzet van het ultimum remedium - sluiting van de woning - te voorkomen’, dringt de noodzaak van sluiting van de (gehele) woning zich in casu niet op, nu ook vaststaat dat er geen handel, productie of ‘loop’ was, maar alleen opslag.
intermediateintensiteit van rechterlijke beoordeling is aangewezen (zie 8.4.3), menen wij dat de burgemeester ondanks het bovenstaande de sluiting van de gehele woning noodzakelijk kon oordelen, nu zij kon meewegen dat de voorlopige hechtenis van de aangehouden zoon is geschorst en dat niet valt uit te sluiten dat [partij A] en [partij B] hem mogelijk toch weer zouden toelaten zonder voldoende toezicht. Dat zij toegang zouden verlenen aan andere drugscriminelen is niet gesteld en is te onaannemelijk om de noodzaak van een sluiting op te baseren.
bevoegdheidtot
gehelesluiting.
stricto sensu.
stricto sensuvan sluiting, [343] al is persoonlijke verwijtbaarheid van de reguliere bewoners niet vereist voor toepassing van art. 13b(1) Opiumwet. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding, met name het niet op de hoogte zijn en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kunnen of moeten zijn van de aanwezigheid van drugs, kan op zichzelf al, of tezamen met andere omstandigheden, maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik kan maken. [344] Als het echtpaar wist van de opslag op zolder, is een risico van herhaling aannemelijk.
intermediatetoetsingsintensiteit een sluiting van 12 maanden ofwel niet noodzakelijk is voor, ofwel niet evenredig is aan de doelen van signaalfunctie en voorkoming van herhaling, en dat men op die intensiteitsbasis zelfs kan betwijfelen of de reeds geschiede sluiting van zes maanden noodzakelijk en proportioneel was. Vast staat dat de in de wetsgeschiedenis vooronderstelde stap in het stappenplan dat de belanghebbende (in casu: het echtpaar) door eigen handelen een sluiting alsnog moet kunnen voorkomen (door hun niet-deugende zoon het huis uit te zetten), in casu niet gezet is, hoewel die stap na de traumatische ervaring van het echtpaar door de politie-inval wél effectief zou kunnen zijn geweest: zij hadden het in hun macht hun criminele zoon verdere toegang te ontzeggen, hetgeen zij na de inval ook daadwerkelijk hebben gedaan. Aan geen van de cruciale in de wetsgeschiedenis genoemde criteria voor sluiting (onrust, onveiligheid, ‘loop’, handel, productie, intimidatie, frustratie omwonenden) was voldaan, evenmin als aan de veronderstelling van de wetgever dat het om schijnbewoning of bewoning door niet-onschuldigen zou gaan, terwijl voor de signaalfunctie ook rauwelijkse sluiting van de zolderverdieping zou hebben kunnen fungeren.
14.Zaak 202002668/1 - Burgemeester van Harderwijk v. [partij D]
intermediatetoetsingsintensiteit menen wij dat de burgemeester het evenredigheidsbeginsel niet heeft geschonden met zijn oordeel dat sluiting ook noodzakelijk was. Niet alleen zijn veel drugs en drugsgerelateerde voorwerpen aangetroffen, en op diverse plekken in én om de woning, maar ook is aannemelijk dat vanuit de woning in drugs werd gehandeld. Deze aanname wordt ondersteund door drie meldingen in 2019 bij de politie over drugshandel vanuit de woning (uitgebreid beschreven in de vijfde bestuurlijke rapportage) en een proces-verbaal van 2 augustus 2019 waarin een politiebeambte een verdachte ontmoeting en vreemde, te langdurige handdruk beschrijft tussen [zoon A] vanuit het steegje naast de woning met een persoon op een snorfiets die bij dat steegje stopte om zijn hand uit te steken naar [zoon A]. [partij D] heeft gelijk dat dit proces-verbaal niet bewijst dat [zoon A] drugs verkocht vanuit de woning, maar het steunt wel de aannemelijkheid daarvan op basis van de handel-meldingen bij de politie en van de handelsgerelateerde spullen in de woning, zoals honderden ponypacks, verpakkingsmateriaal, een bus Inositol (versnijdingsmiddel), een weegschaal met wit poeder en een grote hoeveelheid contanten. Bovendien is [zoon A] volgens de derde bestuurlijke rapportage in 2015, 2016 en 2017 aangehouden voor bezit van softdrugs en handel in harddrugs en hij is in 2017 veroordeeld tot een geldboete en een taakstraf. De vierde bestuurlijke rapportage vermeldt dat het strafrechtelijke onderzoek uitwijst dat [zoon A] en [zoon B] al sinds september 2017 dealden in harddrugs, volgens die rapportage vanuit de woning. Dat deze beide zoons inmiddels gedetineerd waren, betekent nog niet dat de ‘loop’ naar en vooral de bekendheid van de woning als drugspand weggenomen is, [345] terwijl de burgemeester met de sluiting ook (i) het signaal wilde afgeven aan (andere) betrokken drugscriminelen en aan de buurtbewoners, waaronder de MMA-melders, dat de overheid optreedt tegen de drugscriminaliteit in en vanuit de woning en (ii) wilde voorkomen dat zich het risico op represailles jegens bewoners van de woning zou realiseren dat volgens een van de bestuurlijke rapportages bestond als gevolg van ‘mogelijk het niet voldoen aan een betalingsverplichting voor de levering van drugs’ (wij nemen aan: een
rip deal). Dat risico lijkt overigens weinig concreet.
stricto sensu, hetgeen hier betekent: sluiting voor hoe lang?
stricto sensu, vooral om vier redenen: (i) de twee betrokken zoons zitten vast en zullen nog wel een tijdje vast blijven zitten, en [zoon B] woonde al niet meer in de woning en [zoon A] is na deze episode evenmin nog welkom; (ii) niet gebleken is dat [partij D] of een van zijn andere kinderen, van wie één minderjarig, bij de drugscriminaliteit betrokken was, al zal hij zich er wel van bewust (moeten) zijn geweest; (iii) er zijn inmiddels zeven maanden verlopen en uit niets blijkt dat de woning nog een rol speelt in het drugscircuit, zodat het belangrijke doel van de onttrekking daaraan als bereikt beschouwd kan worden; (iv) aannemelijk is dat bij een sluiting de verhuurder het huurcontract zal ontbinden en het gezin daardoor niet zal kunnen terugkeren en het risico loopt uit elkaar te vallen. Zij heeft sluiting onevenredig
stricto sensugeacht voornamelijk op twee gronden: verminderde verwijtbaarheid en de aannemelijkheid van ontbinding van het huurcontract en als gevolg daarvan het uiteenvallen van het gezin. Op het risico van
blacklistingis de Rechtbank niet separaat ingegaan.
blacklistingbij verhuurders als gevolg van de sluiting. Met name over de mogelijke
blacklistingis bij de Rechtbank niet veel duidelijk geworden. Die duidelijkheid was er evenmin in de bezwaarfase en al helemaal niet ten tijde van het Bip. In het verweerschrift in bezwaar merkte de burgemeester ter zake van
blacklistingop dat, voor zover hem bekend, UWOON tot dan toe geen actie had ondernomen ter zake van de huurovereenkomst met [partij D].
blacklisting, waarvan [partij D] in alle instanties heeft gesteld dat die het gevolg zou zijn van huurontbinding
.Wij menen daarom dat de Rechtbank het Bob terecht heeft vernietigd, maar bij
intermediatetoetsing het Bip niet had moeten herroepen, maar de burgemeester in de gelegenheid had moeten stellen een nieuw Bob te nemen op basis van volledige kennis over de gevolgen van sluiting voor het huurcontract en mogelijke
blacklistingen de gevolgen dáárvan voor [partij D] en zijn niet-betrokken gezinsleden.
blacklistingleidt. Beide gevolgen, maar vooral
blacklistingachten wij bij
intermediatetoetsingsintensiteit - en trouwens ook bij terughoudende toetsing - een onevenredig gevolg van sluiting als er zich sinds de doorzoeking en arrestatie van [zoon A] en [zoon B] geen problemen meer hebben voorgedaan.
- afzien van sluiting als (i) zich sinds de doorzoeking en arrestatie van [zoon A] en [zoon B] geen problemen meer hebben voorgedaan
- ook als geen ontbinding of
15.Zaak 202000475/1 – [partij E] v. College van B en W Amsterdam
Capital Bank AD v. Bulgariais voldaan (zie voetnoot 135). [partij E] heeft geen redenen aangevoerd waarom hij redelijkerwijs niet geacht kon worden gebruik te maken van zijn rechtsmiddelen tegen het dwangsombesluit. Het is niet evident dat de dwangsom excessief is, gegeven de vermoedelijke gemiddelde maandhuur en de kennelijk langdurige overtreding. Het is niet onevenredig - integendeel - om de hoogte van de dwangsom af te stemmen op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij niet-naleving van de voor hem geldende regels. [348]
individual and excessive burdenopleveren in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM, [351] die door de laatst oordelende rechter moet worden voorkomen, maar daarvan lijkt ons in casu geen sprake, gegeven de vermoedelijke gemiddelde maandhuur die kennelijk over een langere periode is genoten.
16.Lijst van verkort aangehaalde literatuur
- Albers 2014: C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuursrecht 2014’, in: Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: BJu 2014, p. 7-108;
- Bakker 2018: F.S. Bakker, Billijkheidsuitzonderingen. Het wegens bijzondere omstandigheden buiten toepassing laten van wettelijke voorschriften in individuele gevallen, (Staat en Recht nr. 40) (diss. Nijmegen) Deventer: [partij A] Kluwer 2018;
- Barkhuysen & Van Emmerik 2017: T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, Europese grondrechten en het Nederlands bestuursrecht’, Deventer: [partij A] Kluwer 2017;
- Van den Berge 2016: Lukas van den Berge, Bestuursrecht tussen autonomie en verhouding. Naar een relationeel bestuursrecht, Den Haag: BJu 2016;
- Van den Berge 2020: L. van den Berge, ‘Responsief bestuursrecht’, in: Maatwerk in het bestuursrecht, VAR-reeks 164, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2020;
- Van den Brink e.a. 2017: J.E. van den Brink e.a., ‘Rechtsbeginselen en fundamentele rechten’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven (red.), Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017;
- Bröring 2019: H.E. Bröring, ‘Bestuursrechtelijke soft law: Tien opmerkingen’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), 25 jaar Awb. In eenheid en verscheidenheid, Deventer: [partij A] Kluwer 2019;
- Buijze 2009: A.W.G.J. Buijze, Effectiviteit in het bestuursrecht, NTB 2009/31;
- Duijkersloot & Zorg 2021: A.P.W. Duijkersloot & W. Zorg, ‘De last onder dwangsom nieuwe stijl: een bestraffende sanctie?’, in: TBS&H 2021, nr. 2, p. 101-112;
- Van Emmerik & Saris 2015: M.L. van Emmerik en C.M. Saris, ‘Evenredige boeteoplegging in het bestuursrecht’, JBplus 2015, afl. 4, p. 202-242;
- Esser & Becker 2021: J.E. Esser & R.G. Becker, Maak van maatwerk de regel. Maatwerk in de rechterlijke toetsing van regels en uitvoering, NTB 2021/106, afl. 4, p. 249-257;
- Feenstra & Tollenaar 2018: M. Feenstra & A. Tollenaar, ‘Bijzondere omstandigheden bij de toepassing van beleidsregels’, JBplus 2018, afl. 1, p. 3-13;
- Gerards 2004: J.H. Gerards, Intensity of Judicial Review in Equal Treatment Cases, Netherlands International Law Review 2004, 51, p. 135-183
- Gerards 2007: J.H. Gerards, ‘Het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb Pro en het Europese recht’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), Europees recht effectueren, Alphen a/d Rijn: Kluwer 2007, p. 73-113;
- Van de Griend 2003: B.J. van de Griend, Het oogmerk als ijkpunt, Den Haag: Raad van State 2003;
- Hirsch Ballin 2015: E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Dynamiek in de bestuursrechtspraak’, in: Rechtsontwikkeling door de bestuursrechter, VAR-reeks 154, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015, p. 7-58;
- Huisman & Jak 2019: P.J. Huisman & [zoon B] Jak, ‘Beslissingsruimte: handvatten voor rechterlijke toetsingsintensiteit’, NTB 2019/20, afl. 5, p. 211-221;
- De Kam 2016: Brita de Kam, De intrekking van beschikkingen mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief, Serie Staat en Recht, deel 29, Deventer: [partij A] Kluwer 2016, p. 94-95;
- Al Khatib & Linders 2021: Ali al Khatib & Tess Linders, ‘Het EVRM als anker om een nieuwe toeslagenaffaire te voorkomen’, NJB 2021/1321, afl. 18, p. 1479-1486;
- Klap 2019: A.P. Klap, ‘Beleidsregels: een terecht verguisde rechtsfiguur’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), 25 jaar Awb. In eenheid en verscheidenheid, Deventer: [partij A] Kluwer 2019;
- Van Kreveld 2016: J.H. van Kreveld, ‘Doorbraakarresten’, in: T. Barkhuysen e.a (red.), AB Klassiek, Deventer: [partij A] Kluwer 2016;
- Van der Loop 2021: M. van der Loop, ‘Reactie op ‘Een Wet van Meeden en Perzen’, preadvies van Michiel Scheltema voor de Vereniging voor Wetgeving’, Nederlandse Vereniging voor Wetgeving 2021;
- Marseille 2020: A.T. Marseille, ‘Kinderopvangtoeslagen: wel of geen beleidsvrijheid voor de Belastingdienst/Toeslagen’, Ars Aequi 2020, 393.
- Michiels & De Waard 2007: F.C.M.A. Michiels & B.W.N. de Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties, Den Haag: BJu 2007;
- Michiels 2015: F.C.M.A. Michiels, ‘Passend en geboden. Over de betekenis van het evenredigheidsbeginsel bij bestuurlijke sancties’, in: A.T. Marseille e.a. (red.), Behoorlijk bestuursprocesrecht, Den Haag BJu 2015;
- Michiels/Blomberg/Jurgens, Handhavingsrecht, 2016: F.C.M.A. Michiels, A.B. Blomberg, G.T.J.M. Jurgens, Handhavingsrecht, Deventer: Wolter Kluwer 2016;
- De Moor-van Vugt & Widdershoven 2017: A.J.C. de Moor-van Vugt & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Bestuurlijke handhaving’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven (red.), Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017;
- Ortlep & Zorg 2018: R. Ortlep & W.S. Zorg, ‘Van marginale toetsing naar toetsing op maat: einde van een geconditioneerde respons? Ars Aequi 2018 (januari), p. 20-25;
- Scheltema 2019: M. Scheltema, ‘De responsieve rechtsstaat: het burgerperspectief’, NTB 2019 2., afl. 6, p. 246-253;
- Scheltema 2021: M. Scheltema, ‘Een wet van Meeden en Perzen. Geen onwrikbare wet in het hedendaags bestuursrecht’, Preadvies Nederlandse Vereniging voor Wetgeving 2021;
- Schlössels & Zijlstra 2017: Schlössels & Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Kluwer Deventer 2017;
- Schuurmans, Leijten & Esser 2020: Y.E. Schuurmans, A.E.M. Leijten & J.E. Esser, Bestuursrecht op maat (in opdracht van BZK), Leiden: Universiteit Leiden 2020;
- De Waard 2015: B.W.N. de Waard, ‘De matigende rechter. Evenredigheid en bestuurlijke boeten’, in: T. Barkhuysen e.a. red.), Bestuursrecht harmoniseren. 15 jaar Awb, Den Haag: BJu 2015;
- De Waard 2016: B.W.N. de Waard, ‘Maxis en Praxis’, in: T. Barkhuysen e.a (red.), AB Klassiek, Deventer: [partij A] Kluwer 2016, p. 339-350;
- Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male 2014: Van Wijk, Konijnenbelt, Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014;
- Zijlstra NTB 2021: S.E. Zijlstra, ‘Lessen uit de toeslagenaffaire’, NTB 2021/60, afl. 3, p. 125-136.
- Zijlstra Preadvies 2021: S.E. Zijlstra, ‘Voorwaardelijke opzet van de wetgever. Enkele kanttekeningen bij het preadvies van M. Scheltema’, Nederlandse Vereniging voor Wetgeving 2021.