Conclusie
1.Inleiding
verhouding tussen de mededelingsplichten de zorgplicht van de bank, waaruit een
waarschuwingsplichtkan voortvloeien. Het Hof Amsterdam oordeelt dat de zorg- en waarschuwingsplicht mede van belang is voor de mededelingsplicht. In de effectenleasearresten van de Hoge Raad uit 2009 is echter een onderscheid gemaakt tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht. Geldt dat ook bij renteswapzaken?
inhoud van de mededelingsplichtbij renteswapovereenkomsten. Kort gezegd, gaat het erom of kan worden volstaan met erop te wijzen
dateen bepaald risico bestaat (zoals dat van een mogelijke negatieve waarde van de swap bij tussentijdse beëindiging), of dat vereist is dat
meer informatieover dat risico wordt gegeven (zoals de mogelijke orde van grootte van die negatieve waarde).
dateen bepaald risico bestaat.
afwezigheid van nadeel voor het dwalingsberoep.De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of een beroep op dwaling kan slagen indien de risico’s waarover is gedwaald zich niet hebben voorgedaan en niet zullen voordoen. De derde prejudiciële vraag wil weten of in een dergelijk geval het beroep op dwaling afstuit op gebrek aan belang, misbruik van recht oplevert dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ik bespreek deze kwesties in de conclusies in de prejudiciële zaken.
welke vorderingen uit onverschuldigde betalingontstaan na vernietiging van de renteswapovereenkomst
.In de zaak ABN AMRO/ [A] is geoordeeld dat partijen de over en weer betaalde bedragen dienen te restitueren (art. 6:203 lid 2 BW Pro). In de zaak ING/Cliënt is de vordering beoordeeld op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro, op een wijze die doet denken aan schadevergoeding. [8] De kwestie wordt aan de orde gesteld in de cassatiemiddelen in de zaak ING/Cliënt en wordt daarom besproken in de conclusie in die zaak.
Voordelen:
Wat is een Interest Rate Swap?
swapt) Cliënt de variabele 3-maands Euribor-rente op een deel, € 10 miljoen, van de van ING REF geleende hoofdsom tegen een vaste rente van 4,45%.
3.Procesverloop
4.Overzicht van de arresten van het hof en van de te behandelen vragen
onderdelen 1 en 2klagen over het oordeel in TA2 rov. 3.10-3.13 dat ING haar mededelingsplicht heeft geschonden.
Onderdeel 3klaagt over het oordeel in TA2 rov. 3.17 dat er causaal verband is. De
onderdelen 4, 5 en 9klagen over de wijze waarop het hof in TA2 rov. 3.21, TA3 rov. 2.7 en 2.10, en in EA rov. 2.7, de uitgangspunten voor en het bedrag van de vordering uit onverschuldigde betaling heeft vastgesteld. De
onderdelen 6 en 7klagen over de verwerping van het beroep op art. 3:53 lid 2 BW Pro en 6:278 lid 2 BW in TA2 rov. 3.22.
Onderdeel 8klaagt over de toewijzing in TA2 rov. 3.25 van de schadeposten wegens vertraagde aflossing van de leningen en de notariskosten voor het vestigen van de tweede hypotheken.
onderdelen 1 t/m 5klagen, onvoorwaardelijk, over de wijze waarop het hof in TA2 rov. 3.21 e.v., TA3 rov. 2.2, 2,5 en 2.6, en in EA rov. 2.4 en 2.7, de uitgangspunten voor en het bedrag van de vordering uit onverschuldigde betaling heeft vastgesteld.
Onderdeel 6klaagt, voorwaardelijk, over de afwijzing van de incidentele vordering in EA rov. 2.11.
5.Rentederivaten
renteswapde bekendste is. Op grond van een renteswapovereenkomst worden rentevoorwaarden uitgewisseld. De ene partij betaalt een vaste rente aan de andere partij, die een variabele rente betaalt aan eerstgenoemde partij. Anders dan bij renteswaps, wordt bij
caps,
floorsen
collarsde variabele rente niet geruild tegen een vaste rente. De klant en de bank spreken af dat de door de klant te betalen rente nooit boven (een
cap) of onder (een
floor) een vooraf vastgesteld niveau komt te liggen. Een
collaris een combinatie van een
capen een
floor, waarbij in feite een bandbreedte wordt afgesproken waartussen de door de klant te betalen variabele rente zich zal bewegen, met een maximum en een minimum. Een
swaptionis een optie op een renteswap, waarbij een klant het recht heeft om op een bepaald moment tegen vooraf overeengekomen voorwaarden vrijblijvend, doch tegen betaling van een premie, een renteswap aan te gaan. [27]
payer swap, betaalt de klant een vaste rente aan de bank en betaalt de bank een variabele rente aan de klant. Ook onder de variabelrentende lening betaalt de klant een variabele rente, met een opslag (marge), aan de bank. De variabele rente onder de lening en onder de swap zijn op elkaar afgestemd, door bijvoorbeeld in de lening en de swap steeds het tarief driemaands Euribor te hanteren. Onder de lening en onder de swap gezamenlijk betaalt de klant dan uiteindelijk de vaste rente en de opslag.
notional amount) en de looptijd van de swap(s) worden afgestemd op de hoogte en de looptijd van de lening(en). Dit hoeft echter niet. Naarmate de swap op deze punten meer afwijkt van de lening(en), krijgt de swap meer een speculatief karakter. Indien de hoofdsom van de swap te veel afwijkt van die van de lening of indien de looptijd van de swap te veel afwijkt van die van de lening, wordt gesproken van (het risico van)
overhedge. [29] Overhedgeen andere gevallen waarin de modaliteiten van de swap afwijken van die van de onderliggende lening, [30] worden in het UHK
mismatchgenoemd.
margin call). Gelet op het risico van een margin call, loopt de cliënt een liquiditeitsrisico. [31]
negatieve waardedoor de klant aan de bank, een positieve waarde door de bank aan de klant).
overhedgeontstaan indien de swap niet goed is afgestemd op de aflossingen. Ook wijziging door de bank van de opslag die deel uitmaakt van het vasterentetarief dat de klant onder swap betaalt, heeft in de praktijk tot geschillen geleid.
6.Dwaling wegens schending van een mededelingsplicht
De T./Dexiaen
Levob/B.is, in de woorden van de Hoge Raad, door het hof geoordeeld dat (i) door Dexia op essentiële punten voldoende duidelijke inlichtingen waren verschaft om een eventuele onjuiste voorstelling omtrent de aan de overeenkomst verbonden risico's, waaronder het restschuldrisico, redelijkerwijze te voorkomen, respectievelijk dat (ii) voor de belegger de essentialia van de overeenkomst - en dus de in algemene zin aan deze overeenkomst verbonden risico's - voldoende duidelijk waren of behoorden te zijn omdat Dexia hem tijdig de vereiste informatie omtrent de wezenlijke kenmerken van de overeenkomst heeft verschaft. Dit oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [76]
de aard van de rechtsverhouding, waaronder de hoedanigheid of maatschappelijke positie van partijen, hun onderlinge verhouding, de duurzaamheid of vertrouwelijkheid daarvan, het type contract en de deskundigheid over en weer, (2) de
aard van de mee te delen informatie, waaronder de bijzonderheid, complexiteit, importantie, vertrouwelijkheid en traceerbaarheid daarvan, en (3) de
aard van de betrokken belangen, waaronder de aard en omvang van het voor de dwalende dreigende nadeel. [93]
voldoende duidelijkte zijn.
Gomes/Rental. [96] Daarin ging het om de vraag of een professionele autoverkoper had voldaan aan zijn mededelingsplicht met betrekking tot de bij hem bestaande twijfel over de juistheid van de kilometerstand van de auto. In de overwegingen van de Hoge Raad valt te lezen dat op de professionele autoverkoper geen onderzoeksplicht rust ter zake van de kilometerstand, maar dat hij de bestaande twijfel omtrent de juistheid van de kilometerstand
met voldoende duidelijkheidaan de koper meedeelt. In deze zaak is geoordeeld dat een in de overeenkomst opgenomen voorgedrukte vermelding (“Km std: Onlogisch”) en in de algemene voorwaarden opgenomen vermeldingen (kort samengevat: dat de autoverkoper niet in stond voor de juistheid van de kilometerstand, dat de kilometerstand naar beste weten van de verkoper de juiste is en dat de koper de feitelijke kilometerstand accepteert als de juiste) onvoldoende waren om een koper met de vereiste duidelijkheid mede te delen dat twijfel bestaat omtrent de juistheid van de kilometerstand.
De T. /Dexiaen
Levob/B.ten aanzien van dwaling bij het aangaan van effectenleaseovereenkomsten. [97] Volgens deze arresten gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was voldoende gemotiveerd het oordeel van het hof, dat door Dexia met het door haar verstrekte schriftelijke materiaal (de Bijzondere Voorwaarden, een brochure en een brief van de belastingadviseurs) op essentiële punten voldoende duidelijke inlichtingen waren verschaft om een eventuele onjuiste voorstelling omtrent bepaalde aan de overeenkomst verbonden risico's redelijkerwijze te voorkomen. [98]
De T. /Dexiaen
Levob/B.ging het dan ook om mededelingen over bepaalde essentiële kenmerken van de effectenleaseovereenkomst die de afnemer kon kennen uit de contractsdocumentatie: de inhoud van de overeenkomst en van de eventuele daarop toepasselijke voorwaarden en de aan hem verstrekte brochures.
7.De verhouding tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht
De T./Dexiaen
Levob/B., gaf het oordeel van het hof in die zaken dat was voldaan aan de mededelingsplicht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Maar:
de tweede plaatswordt de afbakening tussen mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht door veel auteurs problematisch geacht, mede in het licht van de eisen die kunnen worden gesteld aan de duidelijkheid van de mededeling. [134]
de derde plaats, door enkele critici verondersteld dat aan het in 2009 gemaakte onderscheid ten grondslag ligt dat een bank bij de mededelingsplicht minder snel dan bij de waarschuwingsplicht een plicht heeft om te onderzoeken welke informatie de klant nodig heeft. [136] Hoewel de zaken De T./Dexia en Levob/B. feitelijk in dat beeld passen, meen ik dat een dergelijke conclusie niet aan die zaken kan worden verbonden. Dat in deze zaken in het kader van de mededelingsplicht geen onderzoek van de aanbieder van het effectenleaseproduct nodig was naar de informatiebehoefte van de klant, betekent niet dat daarvan nimmer sprake zou kunnen zijn.
de vierde plaatswordt in de literatuur veelal verondersteld dat het onderscheid tussen mededelingsplicht en waarschuwingsplicht mede is ingegeven door de wens om bij de afwikkeling van effectenleasedossiers het rechtsgevolg vernietiging te vermijden zodat de afwikkeling zich zou richten op de bepaling van de schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, mede in het licht van de eigen verantwoordelijkheid van de afnemer van het effectenleaseproduct (art. 6:101 BW Pro). Hoewel dit wel op (voorzichtige) instemming kan rekenen, [137] wordt ook gewezen op mogelijke alternatieven om de gevolgen van (vernietiging wegens) dwaling te nuanceren. [138]
de vijfde plaatskan de vraag gesteld worden, of over de verhouding tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht anders moet worden gedacht indien tussen partijen een adviesrelatie bestaat. In de adviesrelatie mag de klant zich immers in beginsel verlaten op de juistheid van hetgeen hem door de adviseur wordt verteld. [141]
de zesde (en laatste) plaatsdient daarom te worden bezien of er reden is om het in de De T./Dexia en Levob/B. gemaakte onderscheid tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht te herzien dan wel te nuanceren. Ik bespreek dit in de volgende nummers.
8.Samenvatting van 6 en 7. De mededelingsplicht bij renteswapovereenkomsten
9.Bespreking van het principale cassatiemiddel onderdelen 1-3 en 6-9
willenmaken. ING heeft daarentegen steeds eigenhandig de bedragen van de marginverplichtingen ten laste van de allowancefaciliteit geboekt zonder [Cliënt] daarover te informeren. Eerst sinds januari 2013 verstuurt ING maandelijks positieoverzichten van de renteswap aan [Cliënt]. Onder 322 van de memorie van antwoord ontkent ING nog steeds dat de allowancefaciliteit een krediettoezegging is. [Cliënt] diende zekerheden te stellen om aan zijn marginverplichtingen te voldoen. De allowancefaciliteit strekt ertoe deze gestelde zekerheden liquide te maken, aldus ING.
van subonderdeel 1.ategen dat oordeel aanvoert.
subonderdeel 1.atevens een beroep doet op de passage in de offerte van 18 april 2008 dat de zekerheden dienen voor al hetgeen ING te vorderen heeft of zal krijgen. Het subonderdeel veronderstelt dat Cliënt bij de bestudering van de stukken uit deze opmerking, die ook voorkomt in de overeenkomst Allowancefaciliteit ITC-derivaten transacties, had kunnen concluderen dat, of op basis daarvan had kunnen navragen of, de allowancefaciliteit mede krediet inhield. Het heeft kennelijk, en niet onbegrijpelijk, op dit punt anders geoordeeld, mede in het licht van zijn overweging dat allowancefaciliteit geen onderdeel is geweest van de in rov. 3.9 TA2 bedoelde voorlichting van Cliënt.
subonderdelen 1.a, 1.f en 1.gklagen verder over de begrijpelijkheid van de oordelen (i) dat ING zou ontkennen dat de allowancefaciliteit een krediettoezegging is, (ii) dat zij dit zou verhullen, (iii) dat ING Cliënt had moeten informeren dat de faciliteit geen ‘kosteloos extraatje’ is en (iv) dat ING het belang van de faciliteit zou hebben gebagatelliseerd.
subonderdeel 1.fveronderstelt) ten overvloede gegeven. Zij betreffen immers het gebrek aan duidelijkheid dat ING, volgens het hof, in de procedure schept over de aard van de allowancefaciliteit. Het oordeel van het hof over de dwaling betreft echter het moment van het sluiten van de overeenkomst.
subonderdeel 1.fveronderstelt; s.t. ING nrs. 43-44), maar op de gevolgen die de faciliteit heeft voor de marginverplichting en de gestelde zekerheden (rov. 3.11 TA2).
subonderdeel 1.gveronderstelt) op de uitvoering van de faciliteit doordat ING ten laste daarvan bedragen heeft ‘geboekt’. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.11 TA2 niet geoordeeld dat ING uitlatingen zou hebben gedaan die maakten dat met de marginverplichting cliënten bewust werden gemaakt van bepaald risico’s.
subonderdeel 1.fis ook onbegrijpelijk de overweging ING steeds eigenhandig de bedragen van de marginverplichtingen ten laste van de allowancefaciliteit heeft geboekt zonder Cliënt daarover te informeren, omdat van een daadwerkelijk ‘boeken’ ten laste van de allowancefaciliteit pas sprake is wanneer Cliënt de renteswap tussentijds zou hebben beëindigd en daaruit een daadwerkelijke betalingsverplichting zou zijn voortgevloeid en daarvan geen sprake is geweest.
willenmaken (rov. 3.10 TA2). Met de daarop volgende overweging dat ING steeds eigenhandig bedragen van de marginverplichtingen ten laste van de faciliteit heeft geboekt, verwijst naar het gebruik van de faciliteit door ING (zie rov. 3.12 TA2), [156] niet naar de betekenis van ‘boeken’ die de klacht daaraan toekent.
subonderdeel 1.ggenoemde omstandigheid dat Cliënt een gebruikersovereenkomst heeft gesloten met ING op grond waarvan hij via de website van ING 24 uur per dag de contante waarde van zijn renteswap kon bekijken.
subonderdeel 1adat het hof de in onderdeel 1 aangevochten eindbeslissingen heeft genomen zonder kenbaar acht te slaan op het bewijsaanbod van ING van haar stelling dat Cliënt voorafgaand aan de totstandkoming van de renteswap op correcte, duidelijke en niet misleidende wijze is geïnformeerd over de werking, de mogelijke nadelen en de risico’s van de renteswap. [157] Daarom heeft het hof art. 166 Rv Pro geschonden dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.
1.c, 1.d en 1.ehangen met elkaar samen.
subonderdeel 1.cheeft het hof miskend dat de vraag of ING haar mededelingsplicht in de zin van art. 6:228 lid 1 BW Pro heeft geschonden mede wordt bepaald door de eigen verantwoordelijkheid van Cliënt om kennis te nemen van de eigenschappen van de renteswap en de wetenschap ten aanzien van die eigenschappen die ING bij Cliënt mocht veronderstellen. Het subonderdeel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de wezenlijke eigenschappen van de renteswapovereenkomst voor Cliënt kenbaar waren bij zorgvuldige bestudering van de verstrekte documentatie, zo nodig mede door het stellen van vragen. Het hof heeft ten onrechte niet beoordeeld of de onderzoeksplicht van Cliënt niet voorging boven de mededelingsplicht van ING, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 1.ctot uitgangspunt neemt, kon het hof oordelen dat ING om de in rov. 3.10-3.13 TA2 gegeven redenen niet aan haar mededelingsplicht had voldaan, zonder daarbij (uitdrukkelijk) afzonderlijk in te gaan op de vraag of de wezenlijke eigenschappen van de swap voor Cliënt kenbaar waren bij zorgvuldige bestudering van de verstrekte documentatie, zo nodig mede door het stellen van vragen. [159] In de rov. 3.7 en 3.9-3.12 TA2 ligt het oordeel van het hof besloten dat de contractsdocumentatie in de door het hof beoordeelde opzichten niet de informatie bood die de Cliënt het inzicht verschafte dat door het hof noodzakelijk is geacht. Hierin ligt een afweging besloten van de verantwoordelijkheid van ING en de verantwoordelijkheid van de Cliënt.
onderdelen 1.c en 1.dslagen naar mijn mening niet.
Subonderdeel 1.hslaagt naar mijn mening.
subonderdeel 1.jis onbegrijpelijk de overweging (in rov. 3.12 TA2) dat de overgang van Cliënt naar een nieuwe financier (Svenska Handelsbanken) is bemoeilijkt doordat de allowancefaciliteit vanwege marginverplichtingen tot een bedrag van € 1.350.000,- moest blijven doorlopen en Cliënt tot zekerheid van dat kredietbedrag een bedrag van € 675.000,- op een bankrekening moest storten die aan ING moest worden verpand en een tweede hypotheekrecht met een inschrijving voor een bedrag van € 675.000,- op diverse onderpanden moest vestigen. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat sprake is geweest van rechtens relevante moeilijkheden bij de overstap naar Svenska Handelsbanken omdat uit de stellingen van Cliënt zelf volgt dat hij in staat was om het bedrag van € 675.000,- op een bankrekening te storten. Weliswaar heeft Cliënt ook gesteld dat hij het bedrag daardoor niet kon aanwenden voor investeringen, maar hij heeft niet toegelicht welke investeringen hij daardoor niet heeft kunnen doen.
Subonderdeel 1.ngaat niet op. Uit het slagen van subonderdeel 1.h volgt niet dat de oordelen van het hof in rov. 2.7/2.11 [168] TA3 en 2.7 EA over de keuzes van de Cliënt in de hypothese dat hij niet had gedwaald, niet in stand kunnen blijven (zie ook bij onderdeel 5).
Subonderdeel 2.bklaagt dat het hof heeft miskend dat een schending door ING van de informatieplicht van art. 58c lid 1 en lid 2 onder c en d Bgfo niet, althans niet zonder meer, tot de conclusie leidt dat ING haar mededelingsplicht als bedoeld in art. 6:228 lid 1 sub b BW Pro heeft geschonden. Gesteld wordt dat bij de vraag of ING haar informatieplicht als bedoeld in art. 58c lid 1 en lid 2 onder c en d Bgfo heeft geschonden – anders dan bij art. 6:228 lid 1 sub b BW Pro – geen rol speelt hetgeen ING omtrent de dwaling wist of behoorde te weten.
Subonderdeel 3.aslaagt daarom.
subonderdeel 1.mslagen niet.
enkeledaling van het Euribortarief beneden het overeengekomen renteswaptarief ‘de stoot tot ongedaanmaking’ heeft gegeven, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe stelt het subonderdeel dat voldoende is dat de wijziging in waardeverhouding tussen de prestatie van Cliënt en die van ING alleen of tezamen met andere omstandigheden de ‘stoot tot ongedaanmaking’ heeft gegeven.
voor zover dit redelijk is. De rechter kan door toepassing van het redelijkheidscriterium de door de ontvanger te betalen vergoeding beperken. Bij de toepassing van het redelijkheidscriterium is, net als bij ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW Pro), een gezichtspunt in hoeverre de ontvanger door het opleggen van een vergoedingsplicht een bepaald consumptief bestedingspatroon zou worden opgedrongen. [179]
Gemeente Reusel-De Mierdende marktwaarde van de te ontvangen prestatie de bovengrens vormt van de op grond van art. 6:210 lid 2 BW Pro toe te wijzen waardevergoeding. De waardevergoeding kan dus lager uitvallen (zoals ook volgt uit de woorden ‘voor zover dit redelijk is’ in art. 6:210 lid 2 BW Pro). Uit het arrest
Gemeente Reusel-De Mierdenvolgt verder dat de waardevergoeding haar rechtvaardiging vindt in de wenselijkheid dat ongerechtvaardigde verrijking wordt tegengegaan. [190]
Gemeente Reusel-De Mierden [192] geldt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de (hoogte van de) waardevergoeding rust bij de partij die een vergoeding voor zijn prestatie wenst en dat dit betekent dat het aan ING was om de waarde van haar prestatie aannemelijk te maken en met bescheiden te onderbouwen, alsmede om aan te tonen dat zij niet een bedrag opvoerde dat hoger is dan de marktwaarde. Het hof heeft deze verdeling miskend door de stelplicht en bewijslast niet (kenbaar) bij ING te leggen, maar bij de Cliënt, althans gelijkmatig over partijen te verdelen. Dit blijkt in het bijzonder uit het feit dat de Cliënt steeds degene was die als eerste zijn akten na tussenarrest diende te nemen, waardoor het voor hem niet mogelijk was om op de stellingen van ING over de berekening van de waardevergoeding te reageren.
Gemeente Reusel-De Mierden.Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het aan de gemeente was om in het kader van een vordering op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro de waarde van haar prestatie aannemelijk te maken. Volgens de Hoge Raad diende de gemeente haar vordering zodanig toe te lichten en te onderbouwen dat het voor de wederpartij redelijkerwijs mogelijk is om daartegen verweer te voeren. Eveneens diende de gemeente aanknopingspunten te verschaffen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of zij een bedrag vordert dat niet hoger is dan het bedrag van de marktwaarde van die prestatie. [193] Hieraan doet niet af dat in de zaak die heeft geleid tot dit arrest sprake was van een op art. 6:210 lid 2 BW Pro gebaseerde vordering (s.t. ING nr. 177).
Subonderdeel 5.astelt dat het oordeel van het hof op een cirkelredenering berust en daarom ontoereikend is gemotiveerd.
in de eerste plaatsdat het hof de feitelijke grondslag van de eis c.q. het verweer van Cliënt in strijd met art. 24 Rv Pro heeft aangevuld, omdat Cliënt in feitelijke instanties niet heeft gesteld dat hij het renterisico slechts voor € 6,75 miljoen zou hebben afgedekt indien hij op de hoogte was geweest van de wezenlijke kenmerken van de renteswap.
in de tweede plaatsdat het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stelling van Cliënt dat hij heeft gekozen voor een renteswap van € 10 miljoen vanwege een andere lening van € 8 miljoen “die nog in de pijplijn zat”.