Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Het hof ziet namelijk aanleiding om af te wijken van hetgeen in HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 ([B]/Dexia) is beslist omtrent het gevolg van dit feit, te weten dat de billijkheid in dat geval in beginsel vereist dat de vergoedingsplicht die op de aanbieder rust wegens de niet-inachtneming van zijn zorgplicht jegens de afnemer, geheel in stand blijft. Het hof past deze regel niet toe omdat deze naar zijn oordeel de afdoening van de vele effectenleasezaken verder vertraagt, tot een onaanvaardbaar verschil in behandeling van vergelijkbare gevallen leidt en ook weer nieuwe vragen oproept (rov. 3.45-3.70.3). Omdat de overeenkomst naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware last legde op [eiser], is Dexia alleen ter zake van de ontstane restschuld jegens [eiser] tot schadevergoeding gehouden (rov. 3.73). [eiser] kan derhalve in verband met eigen schuld slechts aanspraak maken op vergoeding van twee derde deel van die schuld en dient een derde deel daarvan nog aan Dexia te voldoen (het door het hof alsnog toegewezen bedrag van € 2.769,11) (rov. 3.74).
Het oordeel van de Hoge Raad dat de genoemde onrechtmatige daad van Dexia als hoofdregel meebrengt dat ten nadele van Dexia dient te worden afgeweken van de gebruikelijke schadeverdeling (een derde voor de afnemer en twee derden voor Dexia), omdat de billijkheid dat in beginsel eist, houdt met dergelijke omstandigheden, die in feitelijke instanties nog moeten worden onderzocht en in het kader waarvan naar alle waarschijnlijkheid bewijslevering nodig zal zijn, geen rekening. (rov. 3.70.1)
In dit verband wordt het volgende overwogen.
.
4.Beslissing
12 oktober 2018.