II. Schending of verkeerde toepassing van het recht, en verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof, alhoewel vooropstellende, dat bij de koop van een woning de eigenschap dat deze woning betrokken mag worden doorgaans voor de koper zo essentieel is dat hij de koop niet of tegen andere voorwaarden zal sluiten indien die eigenschap afwezig is, zodat het ontbreken van deze eigenschap in combinatie met de andere wettelijke vereisten voor dwaling een beroep op de vernietiging wegens dit wilsgebrek kan rechtvaardigen, en dat (de Rechtbank op goede gronden heeft aangenomen dat) in het onderhavige geval sprake was van dwaling voor zover de vrije beschikking over de woonruimte voor [eiseres] essentieel was voor het aangaan van de overeenkomst, op grond van de als hier letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen overwegingen van het bestreden arrest het beroep van [eiseres] op dwaling van de hand heeft gewezen, zulks ten onrechte, omdat weliswaar in het algemeen een beroep op dwaling niet openstaat indien de dwaling naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de dwalende behoort te blijven, doch niettemin de dwaling van [eiseres] tegenover haar kontraktspartij [verweerster] verschoonbaar is, althans niet voor haar rekening behoort te blijven, nu zij - [eiseres] - bij het sluiten van de koopovereenkomst is afgegaan op een onjuiste althans onvolledige voorstelling van zaken, welke - naar in cassatie mag worden aangenomen - is toe te schrijven aan het feit dat [verweerster] achterwege heeft gelaten [eiseres] op de hoogte te stellen van de inhoud of het bestaan van de brief van 17 mei 1968 van het College van Burgemeester en Wethouders van 's-Gravenhage, volgens welke deze tot vordering van het gebruik van de woning zouden overgaan wanneer niet binnen drie maanden een aanvaardbaar voorstel tot bewoning was ingediend, terwijl de eigenschap dat de woning betrokken mocht worden, en a fortiori de eigenschap dat de woning niet bedreigd is met een reeds aangezegde vordering van de woning op grond van de Woonruimtewet op korte termijn, voor [eiseres] zo essentieel was dat zij de koopovereenkomst niet of tegen andere voorwaarden zou hebben gesloten indien de afwezigheid van die eigenschap(pen) haar bekend zou zijn geweest".
Overwegende omtrent middel I:
dat het Hof - na in het slot van rechtsoverweging 13 te hebben overwogen dat het zeker ook op de weg van [verweerster] lag [eiseres] op de hoogte te stellen van de inhoud van de daar vermelde brief - in rechtsoverweging 14, veronderstellenderwijs aannemende dat [verweerster] een mededeling aan [eiseres] omtrent het bestaan van die brief achterwege heeft gelaten, heeft geoordeeld dat het enkel verzwijgen door [verweerster] van het bestaan van die brief in de gegeven omstandigheden niet als een opzettelijke misleiding mag worden aangemerkt;
dat het Hof, sprekende over het "verzwijgen" door [verweerster] van het bestaan van de brief, kennelijk op het oog heeft het geval dat [verweerster] mededeling van de brief bewust achterwege heeft gelaten;
dat het Hof niettemin oordeelt dat zulks in de gegeven omstandigheden niet als een opzettelijke misleiding mag worden aangemerkt;
dat dit oordeel, nu 's Hofs uitgangspunt is dat mededeling bewust achterwege is gelaten, nader had behoren te worden gemotiveerd; dat het Hof met name had behoren aan te geven welke omstandigheden het hier in het bijzonder op het oog heeft; dat, nu dit niet is geschied, de vermelde overweging geen inzicht geeft in 's Hofs gedachtengang;
dat onderdeel b dus gegrond is en onderdeel a geen bespreking behoeft;
Overwegende omtrent middel II:
dat het Hof in de daarin aangevallen overwegingen kennelijk eveneens veronderstellenderwijs aanneemt dat [verweerster] een mededeling aan [eiseres] omtrent meerbedoelde brief achterwege heeft gelaten;
dat het Hof heeft geoordeeld dat het ontstaan van de dwaling in zodanige mate mede aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend dat deze daardoor geen aanspraak op vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling kan maken;
dat het Hof daartoe in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat [eiseres] zich voor het tot stand komen van de koopovereenkomst niet de moeite heeft getroost bij de daartoe bevoegde instanties te informeren of haar vergunning tot bewoning zou worden verleend, en evenmin, zoals bij koop van huizen gebruikelijk is, in de koopovereenkomst een ontbindende voorwaarde heeft doen opnemen volgens welke de koop zou komen te vervallen indien deze vergunning niet binnen een bepaalde termijn zou worden verleend;
dat het Hof met betrekking tot het niet-inwinnen van informaties in rechtsoverweging 13 nog heeft overwogen dat het juist in verband met de door [eiseres] beoogde wijziging in de bestemming van het pand te meer op haar weg had gelegen de mogelijkheid van dwaling ten aanzien van de vrijheid van bewoning te voorkomen door zich tijdig - dat wil zeggen vóór het tot stand komen van de overeenkomst - te verzekeren van de instemming van het Gemeentelijk Bureau Huisvesting of althans officiële inlichtingen daaromtrent in te winnen, zodat het feit dat zij het een en ander achterwege heeft gelaten mede voor haar rekening moet komen;
dat het Hof daarop echter - in dezelfde rechtsoverweging - laat volgen: "waaraan niet afdoet dat het zeker ook op de weg van [verweerster] lag [eiseres] op de hoogte te stellen van de inhoud van de brief van 17 mei 1968 van het College van Burgemeester en Wethouders van 's-Gravenhage, volgens welke deze tot vordering van het gebruik van de woning zouden overgaan wanneer niet binnen drie maanden een aanvaardbaar voorstel tot bewoning was ingediend";
dat de laatstaangehaalde overweging kennelijk aldus moet worden verstaan dat naar 's Hofs oordeel [verweerster] voor het tot stand komen van de overeenkomst de inhoud van gemelde brief aan [eiseres] had behoren mede te delen; dat deze mededeling in 's Hofs gedachtengang blijkbaar vereist was om te voorkomen dat [eiseres] zich een onjuiste voorstelling zou maken omtrent de vrijheid van bewoning van het betreffende pand;
dat wanneer een partij vóór de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te geven ten einde te voorkomen dat de wederpartij zich omtrent het betreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken, de goede trouw er zich in het algemeen tegen zal verzetten dat eerstbedoelde partij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat de wederpartij het ontstaan van de dwaling mede aan zichzelf heeft te wijten;
dat derhalve niet duidelijk is waarop 's Hofs oordeel berust dat aan hetgeen door het Hof is overwogen omtrent de tekortkomingen van [eiseres] "niet afdoet" dat - kort gezegd - op [verweerster] een mededelingsplicht rustte;
dat toch het Hof niet nader aangeeft waarom het bestaan van die mededelingsplicht aan het eerder overwogene "niet afdoet", en met name niet aangeeft welke omstandigheden van het onderhavige geval het Hof in het bijzonder aanleiding hebben gegeven om te oordelen dat, ondanks het bestaan van bedoelde mededelingsplicht, nochtans aan [eiseres] een beroep op dwaling niet toekomt;
dat het Hof nog heeft overwogen dat [eiseres] volstaan heeft met tijdens de onderhandelingen aan [verweerster] mee te delen dat haar gezin bestond uit vijf personen, door welke mededeling zij bij [verweerster] de indruk moest wekken dat een door haar, [eiseres], in te dienen aanvrage tot het verkrijgen van een vergunning een redelijke kans van slagen zou hebben, zulks terwijl zij klaarblijkelijk in werkelijkheid beoogde in samenwerking met [betrokkene 1] in het onderhavige pand een pension voor gastarbeiders te vestigen;
dat het Hof aan voormelde uitlating van [eiseres] kennelijk niet deze betekenis heeft gehecht dat [verweerster] nu mocht aannemen dat mededeling van gemelde brief voor [eiseres] niet meer van belang was; dat immers het Hof, ondanks gemelde uitlating van [eiseres], heeft geoordeeld dat [verweerster] verplicht was [eiseres] op de hoogte te stellen van de inhoud van die brief;
dat het Hof echter niet duidelijk maakt welke betekenis het - voor de verwerping van het beroep op dwaling - heeft toegekend aan bedoelde uitlating en aan de overige in de vermelde overweging genoemde omstandigheden; dat het arrest derhalve op dit punt geen inzicht geeft in 's Hofs gedachtengang;
dat een en ander meebrengt dat 's Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het middel, voor zover klagende over verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, gegrond is en voor het overige geen bespreking behoeft;
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde haar met inachtneming van deze uitspraak verder te behandelen en te beslissen;
Veroordeelt [verweerster] in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [eiseres] begroot op f 1.521,90, waarvan te betalen