ECLI:NL:HR:2019:267

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
18/00558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROMiFID-Richtlijn 2004/39/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatie in beleggingsadvieszaak over privaatrechtelijke zorgplicht en Wft

In deze zaak stond centraal de vraag naar de verhouding tussen de privaatrechtelijke zorgplicht en de zorgplicht ingevolge de Wet financieel toezicht (Wft), specifiek in het kader van beleggingsadvies en de toepassing van de MiFID-Richtlijn 2004/39/EG.

Eiseres had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2017, waarin haar vorderingen waren afgewezen. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het arrest van het hof voor het feitencomplex.

De Hoge Raad overweegt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarnaast is het bezwaar tegen bij pleidooi overgelegde stukken niet behandeld, maar dit leidt niet tot cassatie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

22 februari 2019
Eerste Kamer
18/00558
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] , voorheen genaamd [eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
in hun hoedanigheid van erfgenamen van [erflater] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerders] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/256719/HA ZA 12-771 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 maart 2013, 3 juli 2013, en 17 juni 2015;
b. het arrest in de zaak 200.181.594/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiseres] mede door mr. M.E. Loomeyer en voor [verweerders] mede door mr. P.J. Tanja.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
22 februari 2019.