Belanghebbende had in de jaren 2009 tot en met 2011 twee geldleningen afgesloten ter herfinanciering van zijn eigenwoning met variabele rente, waarbij gelijktijdig renteswapovereenkomsten werden gesloten om de rente vast te zetten. De betaalde vergoedingen voor deze swapovereenkomsten werden door belanghebbende als aftrekbare kosten opgevoerd bij de aangifte inkomstenbelasting, maar door de Inspecteur geweigerd.
Het Hof had geoordeeld dat de leningen en de swapovereenkomsten samen moesten worden beschouwd en dat de vaste rente die hieruit voortvloeide tot de aftrekbare kosten behoorde. De Hoge Raad stelt echter dat de vergoedingen voor de swapovereenkomsten geen vergoeding zijn voor het ter beschikking stellen van een hoofdsom en daarom niet als rente van geldleningen kunnen worden aangemerkt.
De Hoge Raad benadrukt dat de tekst en strekking van artikel 3.120 Wet IB 2001 geen grond bieden om de geldlening en de swapovereenkomsten als één geheel te beschouwen voor aftrekdoeleinden. De vergoedingen voor de swapovereenkomsten kunnen ook niet worden gerekend tot de kosten van geldleningen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank waarin de aftrek werd geweigerd.
De Hoge Raad wijst proceskosten af en doet de zaak zelf af.