Eisers, beiden advocaat, sloten in 2006 een renteswap af met ABN AMRO ter afdekking van renterisico's bij financiering van vastgoed. Zij stelden dat zij onvoldoende waren voorgelicht over de kenmerken en risico's van de renteswap, met name over het risico van een negatieve marktwaarde.
ABN AMRO betwistte dit en voerde aan dat uitgebreide mondelinge en schriftelijke voorlichting was gegeven, waaronder presentaties, brochures en bevestigingen die door eisers waren ondertekend. Tevens wees ABN AMRO op de ervaring van eisers als advocaat en eerdere procedures die zij hadden gevoerd over rentederivaten.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende feiten en omstandigheden hadden gesteld die hun stelling van onvoldoende voorlichting konden onderbouwen. De enkele bewering was onvoldoende, zeker gezien de professionele achtergrond van eisers en de verstrekte documentatie. Hierdoor faalden de vorderingen gebaseerd op dwaling en schending van de zorgplicht.
De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eisers in de proceskosten, inclusief griffierecht en salaris advocaat. Het vonnis werd op 17 mei 2017 gewezen door mr. C.H. Rombouts.