Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ten onrechte heeft doen steunen op bewijsmiddelen waarvan de inhoud niet in het arrest is opgenomen.
Procesverloop
Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
Zaak 2 [verdachte] /OM HB (21/000761-19. was 03-227111-181)
V: Wat kun je vertellen wat er met de enkelband (...) is gebeurd?
NJ2017, 128, m.nt. Mevis) enkele opmerkingen gemaakt. Deze bevatten voor zover hier relevant:
Bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest
i) een bekennende verklaring van de verdachte en (
ii) de verdachte moet nadien niet anders hebben verklaard, noch mag zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit. Over beide voorwaarden heeft de Hoge Raad in de jaren na invoering van dit artikellid veel arresten gewezen. Daar ga ik hieronder nader op in.
NJ2006, 542) als volgt:
NJ2007, 581). Het betrof een zaak waarin de verdachte een verklaring had afgelegd die onder meer inhield “Ik beken dat ik de seksuele handelingen, zoals die zijn tenlastegelegd, met [het slachtoffer] heb gepleegd” De Hoge Raad oordeelde als volgt:
NJ2011, 455) dan weer niet onbegrijpelijk.
NJ2015, 347, m.nt. Schalken). In deze zaak was ten laste van de verdachte – kort gezegd – verboden wapenbezit “op een luchthaven, aangewezen krachtens artikel 52, vierde lid Wet wapens en munitie” bewezenverklaard. Het wapenbezit had de verdachte ter zitting onomwonden bekend. Mijn ambtgenoot Aben kwam in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest tot de slotsom dat het arrest vernietigd moest worden, omdat deze verklaring niets inhield over de
locus delicti, in dit geval Schiphol, terwijl dit wel een relevant gegeven was voor de bewezenverklaring. De Hoge Raad besloot echter het cassatieberoep te verwerpen en overwoog:
NJ2009, 57) en HR 5 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9240,
NJ2010, 638, m.nt. Mevis).
NJ2010, 46) [2] , HR 29 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM4302), HR 21 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9423), HR 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO7971), HR 28 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ4672), HR 23 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ8171), HR 18 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:354), HR 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1580), HR 2 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1443), HR 16 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:901), HR 6 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2014), HR 4 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2230), HR 29 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:127), HR 5 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:310), HR 27 augustus 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1214), HR 16 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:616), HR 22 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:291).
NJ2006, 645, m.nt. Schalken) was door de raadsman van de verdachte vrijspraak van het primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld bepleit. In eerste aanleg was aan de verdachte slechts medeplichtigheid ten laste gelegd en bewezen verklaard. Over de feitelijke gedragingen van de verdachte bestond geen discussie. Het hof verklaarde het primair tenlastegelegde bewezen maar volstond met een opgave van de bewijsmiddelen. De Hoge Raad casseerde omdat dit, nu de raadsman vrijspraak van het primair tenlastegelegde had bepleit, leidde tot een onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring.
NJ2007, 108, m.nt. Buruma). Meer expliciet overwoog de Hoge Raad in het arrest van 26 mei 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH3686), in de zaak waarin het hof eveneens had volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen terwijl een rechtmatigheidsverweer resulterend in een verzoek om vrijspraak was gevoerd, dat in art. 359 lid 3 Sv Pro “niet (wordt) onderscheiden naar de grond waarop die vrijspraak is bepleit.” Deze rechtspraak is sindsdien – op een enkel hierna te bespreken geval waarin geen belang werd aangenomen na – niet verlaten (vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7754; HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2215; HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773 en recent HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:811). Ik merk op dat ook indien een rechtmatigheidsverweer evident kansloos is en uitgaat van een onjuiste voorstelling van zaken omtrent de 359a-jurisprudentie, dit er voor de Hoge Raad niet aan afdoet dat – althans indien in dit verband een vrijspraakverzoek wordt gedaan – uitwerking van de bewijsmiddelen moet volgen (zie, met name: HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773) [3] . In die zin gaat de Hoge Raad hier dus waar het betreft het verzochte gevolg (vrijspraak) veel verder dan bij de hieraan voorafgaande art. 359a-verweren zelf, gelet op de in die laatste context frequent gebezigde redenering dat – ondanks een op zichzelf tekortschietende motivering – geen cassatie volgt omdat de rechter “niet anders had kunnen doen dan het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting verwerpen” (vgl. HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487,
NJ2018, 296, m.nt. Kooijmans). Het verschil zal verklaard kunnen worden omdat in de laatstgenoemde gevallen het controleperspectief ten volle benut kan worden, terwijl dat aspect bij de regeling van de bekennende verdachte juist minder aan zijn trekken komt.
NJ2011, 296, m.nt. Mevis).
NJ2015, 138, m.nt. Van Kempen) aanvankelijk nog bevestigend te beantwoorden. Mijn voormalig ambtgenoot Knigge constateerde in deze zaak dat het middel gegrond was maar stelde dat als een bepaald zich tussen de stukken van het geding bevindend relaas door het hof onder de bewijsmiddelen zou zijn opgenomen, niet van enig motiveringsgebrek sprake zou zijn geweest. Omdat volgens hem “niet te verwachten” viel dat terugwijzing tot een andere uitkomst zou leiden, meende hij dat cassatie niet aangewezen was. De Hoge Raad oordeelde echter anders en casseerde. Het liep evenwel weer anders in het arrest van 1 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2460). De verdachte had de tenlastegelegde feiten in deze zaak bekend, maar zijn raadsvrouw had vrijspraak bepleit. AG Bleichrodt concludeerde daarom tot vernietiging. De Hoge Raad besloot echter anders en oordeelde:
n’en déplaisehet verweer van de raadsman het primair tenlastegelegde bewezen achtend, niet een aanvulling met de inhoud van de bewijsmiddelen in zijn arrest op te nemen.
tweede middelbevat de klacht dat de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.