ECLI:NL:HR:2014:2667

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
15 september 2014
Zaaknummer
13/01558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVWArt. 359.3 tweede volzin Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring bij afstarten straatrace

Verdachte werd verweten als afstartster te hebben gefungeerd bij een straatrace op de Sluisjesdijk te Rotterdam op 27 mei 2010. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte met oranje handschoenen tussen twee voertuigen stond en startsignalen gaf, waarna de voertuigen met hoge snelheid wegreedden.

De verdediging voerde aan dat het afstarten van auto's niet onder artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet valt en dat het proces-verbaal onduidelijkheden bevatte, onder meer over de identificatie van verdachte en het aantal afgestarte auto's. De raadsman bepleitte vrijspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen zonder de inhoud daarvan weer te geven, terwijl de verdediging vrijspraak had bepleit. Hierdoor ontbrak een voldoende gemotiveerde bewezenverklaring.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling in hoger beroep op basis van een volledige motivering van de bewezenverklaring.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

9 september 2014
Strafkamer
nr. S 13/01558
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, Enkelvoudige Kamer, van 18 februari 2013, nummer 22/006531-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt in de eerste plaats dat de bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 27 mei 2010 te Rotterdam op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Sluisjesdijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, welk gedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen aldaar terwijl
- ter plaatse zich diverse toeschouwers bevonden en meerdere voertuigen reden en aldaar geparkeerd stonden en
- op de rijbaan van die weg (telkens) twee voertuigen naast elkaar stilstonden
meer maal tussen die voertuigen in is gaan staan met aan haar handen een plastic opblaasbare gekleurde oranje handschoen en meer maal een zogenaamd startsignaal heeft gegeven door middel van het spreiden van haar beide armen met haar duimen wijzend naar het wegdek en daarop volgend haar duimen omhoog liet wijzen, waarna zij een buigende beweging maakte en de naast haar, verdachte, stilstaande voertuigen gelijktijdig (zeer) hard optrokken en met hoge snelheid wegreden."
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt blijkens de aantekening mondeling arrest op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het proces-verbaal van overtreding d.d. 30 mei 2010, van de politie Rotterdam-Rijnmond met nummer PL17L0 201073244-1 inhoudende het relaas van de verbalisanten en de verklaring van de verdachte voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -: "Ik heb wel een paar auto's afgestart. Dat betekent dat auto's daarna gaan rijden. Dus dat mensen dan gaan racen".
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
A. Het klopt dat ik op 27 mei 2010 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de Sluisjesdijk, tussen twee auto's stond met aan mijn handen plastic opblaasbare gekleurde oranje handschoenen om zo deze auto's te laten starten. De auto's reden weg op het moment dat mijn duimen, die eerst naar het wegdek wezen, omhoog wezen en ik een buiging maakte. Het klopt dat de verbalisanten destijds met mij hebben gesproken. Ik woonde toen aan de [a straat] te [geboorteplaats]."
2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt omtrent hetgeen de raadsman van de verdachte aldaar heeft aangevoerd onder meer het volgende in:
"De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman bepleit vrijspraak van het (...) ten laste gelegde. De raadsman zet zijn vraagtekens bij het proces-verbaal van overtreding in verband met de ambtshalve herkenning van ene [verdachte] en dat niet duidelijk is hoeveel auto's de verdachte zou hebben afgestart. Voorts is hij van mening dat het afstarten van auto's door de verdachte niet valt onder artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het starten op zich behelst geen gevaarlijk weggedrag en het handelen van de verdachte op zichzelf creëert niet het gevaar, aldus de raadsman."
2.5.
De in het middel bedoelde klacht is terecht voorgesteld. Voor zover het Hof van oordeel was dat het op de voet van art. 359, derde lid tweede volzin, Sv kon volstaan met een opgave van het hiervoor in 2.3 onder 1 vermelde proces-verbaal, zonder de inhoud van het relaas van de verbalisanten weer te geven aangezien de verdachte het gerelateerde heeft bekend, is dat oordeel onjuist, nu de raadsman van de verdachte vrijspraak heeft bepleit.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 september 2014.