ECLI:NL:HR:2008:BC9408
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onduidelijke bekentenis in zaak doodslag en poging tot doodslag
De Hoge Raad heeft op 15 april 2008 het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 januari 2007 vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting. De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor doodslag op een persoon en poging tot doodslag op een ander, gepleegd op 26 juni 2004 te Rotterdam.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen als motivering voor de bewezenverklaring, terwijl de verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig betrof. De verdachte had niet erkend dat zijn opzet gericht was op het steken in het hart of de borststreek van het ene slachtoffer, noch op het steken in de onderbuik van het andere slachtoffer.
Het arrest bevatte een uitgebreide weergave van de feiten, verklaringen van de verdachte en getuigen, en een analyse van de toepasselijke wettelijke bepalingen, met name artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad benadrukte dat alleen kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Daarom werd het bestreden arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening, waarbij de motivering van de bewezenverklaring adequaat moet zijn. De Hoge Raad werd bijgestaan door vice-president G.J.M. Corstens en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onduidelijke bekentenis.