ECLI:NL:HR:2014:1580

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
13/03493
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 3 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing art. 359 lid 3 Sv bij pleiten vrijspraak

De verdachte werd door het Hof Den Haag bewezenverklaard van het voorhanden hebben van een bromfiets waarvan hij wist dat deze door misdrijf was verkregen. Het Hof baseerde zijn bewezenverklaring op een opgave van bewijsmiddelen, waaronder een bekennende verklaring van de verdachte.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte echter vrijspraak bepleit. Volgens art. 359, derde lid, Sv mag een Hof niet volstaan met een opgave van bewijsmiddelen indien door of namens de verdachte vrijspraak is bepleit.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof hiermee een onjuiste rechtsregel heeft toegepast en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het Hof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

1 juli 2014
Strafkamer
nr. 13/03493
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2013, nummer 22/000071-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid tweede volzin, Sv.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 12 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2010 te 's-Gravenhage een bromfiets (merk Tomos, type A3) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die bromfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte.
2.2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld."
2.2.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"(...)
Helaas blijkt de scooter gestolen te zijn, maar kennelijk was dat niet aan de bromfiets te zien. Hij stond naast een vuilcontainer, niet op slot, werkte niet en het slot was niet geforceerd. Gelet op deze omstandigheden kan dan ook niet bewezen verklaard worden dat cliënt had moeten vermoeden dat de brommer door enig misdrijf verkregen was.
(...)
Gelet op het zojuist aangevoerde verzoek ik u cliënt vrij te spreken voor het (...) ten laste gelegde."
2.3.
Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt als volgt:
"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."
2.4.
Het Hof heeft in de bestreden uitspraak volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof niet mogen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 juli 2014.