Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor roekeloos rijden in een voetgangerszone waarbij een voetganger zwaar lichamelijk letsel opliep. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op een bekennende verklaring van de verdachte en diverse proces-verbalen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onterecht volstond met een opgave van bewijsmiddelen conform art. 359, derde lid, Sv, omdat de verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde betrof. Hierdoor was het oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde had bekend onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen werden verworpen. De zaak betreft een complexe interpretatie van roekeloosheid in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 en de toepassing van bewijsregels in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor bewezenverklaring en strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.