Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op gevoerd verweer
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
3 april 2018.
Hoge Raad
Op 28 februari 2014 werd een woninginbraak gepleegd in Zwijndrecht waarbij diverse goederen werden gestolen. Verdachte en drie medeverdachten werden kort daarna in een auto nabij de woning aangetroffen met de gestolen goederen en inbrekerswerktuigen. De politie voerde een controle uit op basis van de APV en vond inbrekerswerktuigen en de buit in het voertuig.
De verdediging voerde aan dat de doorzoeking onrechtmatig was omdat de bevoegdheid ontbrak en stelde bewijsuitsluiting voor. De Hoge Raad oordeelde dat de opsporingsambtenaren bevoegd waren op grond van opsporingswetgeving en dat het vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting leidde omdat het belang, ernst en nadeel niet waren onderbouwd.
Ten aanzien van het medeplegen overwoog de Hoge Raad dat het aantreffen van verdachte met de buit en werktuigen kort na de inbraak, gecombineerd met het ontbreken van een aannemelijke verklaring en het zenuwachtige gedrag, voldoende bewijs vormde voor medeplegen. Het hof had dit oordeel toereikend gemotiveerd.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij medeplegen woninginbraak wordt vastgesteld.