ECLI:NL:HR:2013:BZ6503
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hennepzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een strafzaak over het bezit van circa 20 kilogram hennep. De verdachte had in eerste aanleg bekend dat hij betrokken was bij de verkoop van een partij hennep, hoewel hij niet precies wist om hoeveel het ging en of het daadwerkelijk hennep was. In hoger beroep richtte het appel zich uitsluitend tegen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de opgelegde gevangenisstraf.
Het Hof had volstaan met een opgave van bewijsmiddelen op grond van artikel 359, derde lid, Sv, omdat de verdachte in eerste aanleg duidelijk en ondubbelzinnig had bekend. De verdediging voerde aan dat de omvang en aard van de partij hennep niet duidelijk waren, maar het Hof achtte de verklaring voldoende voor bewezenverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht met een opgave van bewijsmiddelen volstond en dat het oordeel over de bekentenis niet onbegrijpelijk is. Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de straf met zes maanden moet worden verminderd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze met vijf maanden en drie weken. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.