ECLI:NL:RVS:2020:2571
Raad van State
- B.J. van Ettekoven
- T.G.M. Simons
- N. Verheij
- G.T.J.M. Jurgens
- R.W.L. Koopmans
- Rechtspraak.nl
Toetsingskader heroverweging handhavingsbesluiten op grond van de Europese Houtverordening
Deze zaak betreft het verzoek van Greenpeace aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om handhavend op te treden tegen overtredingen van de Europese Houtverordening door meerdere bedrijven. De minister wees het verzoek aanvankelijk af, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in hoger beroep geoordeeld dat de rechtbank een onjuist toetsingskader hanteerde door te stellen dat de minister bij heroverweging geen nieuwe feiten en omstandigheden na het eerdere besluit mocht betrekken.
De Afdeling formuleert een algemeen toetsingskader voor heroverwegingen op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb, waarbij bestuursorganen hun eerdere besluiten moeten heroverwegen op basis van feiten en recht ten tijde van de heroverweging, inclusief nieuwe feiten tenzij doel en strekking van de norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. Bij herstelsancties geldt een tweeslag: beoordeling van het oorspronkelijke besluit en betrokkenheid van nieuwe ontwikkelingen.
De Afdeling verduidelijkt dat de zorgvuldigheidsverplichting uit de Houtverordening bestaat uit twee componenten: het handhaven en evalueren van een stelsel van zorgvuldigheidseisen en het toepassen daarvan bij het op de markt brengen van hout. De hoedanigheid van marktdeelnemer blijft in beginsel twee jaar na eerste import bestaan, wat relevant is voor de bevoegdheid tot handhaving. Voor vijf bedrijven vernietigt de Afdeling het besluit van 30 oktober 2017 en draagt de minister op binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de rechtsgevolgen voor drie bedrijven in stand blijven vanwege beëindiging van hun marktdeelnemerschap.
Uitkomst: Het besluit van 30 oktober 2017 wordt vernietigd voor vijf bedrijven, de minister moet nieuwe besluiten nemen voor Nailtra en [bedrijf B], terwijl de rechtsgevolgen voor drie andere bedrijven in stand blijven.