Belanghebbende was samen met twee broers eigenaar van dertien huurwoningen en betaalde verhuurderheffing over deze woningen. De wetgever had bepaald dat bij mede-eigendom de WOZ-beschikking wordt toegekend aan één genothebbende, die vervolgens de verhuurderheffing moet voldoen. Dit leidde tot ongelijke behandeling omdat mede-eigenaren zonder WOZ-beschikking niet werden belast.
Het hof verwierp het beroep van belanghebbende op schending van het discriminatieverbod in het IVBPR en EVRM, omdat de wetgever een redelijke grond zou hebben voor deze regeling. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze ongelijke behandeling niet voldoende objectief en redelijk is gerechtvaardigd en strijdig is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad wijst erop dat het gemeentelijke beleid omtrent WOZ-bekendmaking geen verband houdt met de doelstellingen van de verhuurderheffing en dat praktische uitvoerbaarheid geen rechtvaardiging biedt voor deze willekeur. De Hoge Raad laat het aan de wetgever over om de regeling aan te passen, maar laat de heffing buiten toepassing voor belanghebbende en gelast teruggaaf van het betaalde bedrag.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten en griffierechten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 juni 2018 door vijf raadsheren onder voorzitterschap van Overgaauw.