Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 25 januari 1983 betreffende de hem opgelegde aanslag tot naheffing van motorrijtuigenbelasting over na te melden tijdvakken.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met een verhoging van 100% opgelegd voor bepaalde tijdvakken in 1979. De Inspecteur handhaafde de aanslag en weigerde kwijtschelding van de verhoging. Het Hof Arnhem bevestigde deze beslissing na beoordeling van de feiten en de toepassing van de Leidraad motorrijtuigenbelasting.
Belanghebbende stelde cassatie in en voerde aan dat de verhoging een strafsanctie is en dat de rechterlijke toetsing door het Hof onvoldoende was, in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad overwoog dat het opleggen van een verhoging als sanctie kwalificeert als het instellen van een strafvervolging onder artikel 6 EVRM Pro, ook al behoort het vergrijp niet tot het strafrecht volgens Nederlands recht.
De Hoge Raad bevestigde dat de belastingrechter een volledige toetsing uitvoert op de rechtmatigheid van de verhoging, maar dat de kwijtscheldingsbevoegdheid van de Inspecteur aan zekere beperkingen is onderworpen en dat de rechter slechts marginaal toetst. De Leidraad motorrijtuigenbelasting vormt geen rechtsregel maar een beleidslijn die de Inspecteur moet volgen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het Hof de juiste toetsingsmethode heeft toegepast.
Tot slot werd bepaald dat de beslissing over de verhoging openbaar zal worden medegedeeld, conform artikel 6 EVRM Pro. De uitspraak benadrukt het preventieve en bestraffende karakter van de verhoging en bevestigt de rechtmatigheid van de huidige fiscale sanctieregeling binnen het kader van het EVRM.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verhoging motorrijtuigenbelasting als strafvervolging onder artikel 6 EVRM geldt en wijst het cassatieberoep af.