Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaken
onderdeel 2met een schets van de aanleiding en achtergrond van de onderhavige procedures. In
onderdeel 3motiveer ik waarom ik de middelen in beide zaken gezamenlijk bespreek in deze bijlage, geef ik een overzicht van de middelen in tabelvorm en zet ik uiteen in welke volgorde de middelen worden besproken.
onderdeel 4met middel 1 en middel 9 omdat beide middelen onderwerpen betreffen buiten het kader van ambtshalve vermindering op grond van art. 9.6 Wet IB 2001. In elk van de zaken bestrijdt middel 1 mijns inziens tevergeefs het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn (4.1-4.5). Ook middel 9 faalt, omdat het zonder succes betoogt dat (de bezwaren tegen) de belastingaanslagen in de onderhavige zaken onder de aanwijzing massaal bezwaar van 26 juni 2015 vallen.
onderdeel 5zijn gegevens over de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering opgenomen met het oog op de beoordeling van de middelen 2 tot en met 5. Kern is het onderzoek naar de redenen voor het maken van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (5.8-5.28). Ook komt jurisprudentie over de uitleg van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering aan bod, waaronder het arrest HR BNB 2024/78 (5.29-5.35).
onderdeel 6bespreek ik middelen 2 en 3, die elk vanuit een andere invalshoek gericht zijn tegen het oordeel van de Rechtbanken dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is. Middel 2 bestrijdt mijns inziens tevergeefs het op HR BNB 2022/89 gebaseerde oordeel dat de onjuistheid van de aanslagen niet uit eerdere rechtspraak dan uit het Kerstarrest volgt (6.2-6.4). Middel 3 komt in wezen erop neer dat HR BNB 2022/89 niet juist was gelet op het latere HR BNB 2024/78. Het betoogt namelijk dat niet voldaan is aan het in dat arrest neergelegde criterium dat de inspecteur slechts een beroep op de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering kan doen indien hij – kort gezegd – een pleitbare opvatting had op het moment van het onherroepelijk worden van de belastingaanslag waarvan ambtshalve vermindering wordt verzocht. Dat betoog faalt evenwel naar mijn mening, omdat de Inspecteur voorafgaand aan het Kerstarrest mijns inziens wel een pleitbare opvatting had met betrekking tot de box 3-heffing (6.5-6.10).
onderdeel 7, omdat het daarbij gaat om nationaal hoger recht. Het gaat om de kwestie die mijns inziens het zwaartepunt in de onderhavige procedures is: dient de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering buiten toepassing te blijven op grond van het evenredigheidsbeginsel? Zoals hiervoor in 1.7-1.11 uitgebreid is samengevat, meen ik dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.
onderdeel 8vervolg ik met middel 4, dat opkomt tegen het oordeel dat het tegenwerpen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet in strijd is met art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (art. 1 EP Pro). Ik start ermee dat mijn inziens art. 13 EVRM Pro – dat het recht op een effectief rechtsmiddel tegen een schending van een EVRM-recht waarborgt – zich niet ertegen verzet dat rechtsherstel aan de niet-bezwaarmakers wordt onthouden op de grond dat zij niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, en daarom niet ertoe noopt dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering buiten toepassing wordt gelaten (8.4-8.8). Vervolgens motiveer ik dat ook als ervan wordt uitgegaan dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering leidt tot een aantasting van eigendom in de zin van art. 1 EP Pro, deze uitzondering niet in het algemeen in strijd is met art. 1 EP Pro. Zij voldoet aan de ‘lawful’-eis, dient legitieme doelen in het algemeen belang, en voldoet op regelgevingsniveau aan het ‘fair balance’-vereiste (8.10-8.15). Ik meen verder dat de ‘fair balance’-toets niet in het algemeen anders uitvalt in een geval zoals in deze zaken waarin het verzoek om ambtshalve vermindering betrekking heeft op een EVRMschendende belastingheffing (8.16). De in deze procedure aangevoerde bovenindividuele omstandigheden brengen bovendien niet mee dat de onthouding van een ambtshalve vermindering bij de niet-bezwaarmakers in het algemeen leidt tot een (individuele) buitensporige last (8.17-8.19). Deze beoordeling wordt naar mijn mening niet anders in het licht van het door het middel aangehaalde arrest Grobelny (8.20-8.23). Na enige korte uitweidingen naar het EHRM-arrest Dangeville, het beginsel van
res iudicatain de EHRM-rechtspraak onderscheidenlijk rechtspraak van het HvJ over het terugkomen op een besluit dat onherroepelijk is geworden (8.24-8.27), besluit ik met de slotsom dat middel 4 geen doel treft.
onderdeel 9met een beoordeling van de resterende middelen, die alle betrekking hebben op (andere) algemene beginselen. Ook die middelen falen mijns inziens.
2.Aanleiding en achtergrond van de procedures
3.De middelen: overzicht en aanpak van de bespreking
4.Middelen buiten het kader van ambtshalve vermindering (middel 1 en middel 9)
Middel 1 (termijnoverschrijding verschoonbaar)
onherroepelijkvast is komen te staan. In de beroepsfase is dit door de Rechtbanken opgelost door de verzoeken om ambtshalve vermindering mede aan te merken als bezwaren. Dat is in cassatie niet bestreden.
5.De nieuwe-jurisprudentie-uitzondering
Ambtshalve vermindering, enz. (art. 65)
kunnenworden verminderd, en in de belastingwet voorziene verminderingen, ontheffingen en teruggaven ambtshalve
kunnenworden verleend, laat de in sommige belastingwetten bestaande
verplichtingeneen zodanige vermindering ambtshalve te verlenen onverlet. Vergelijk bijv. voor de grondbelasting artikel 56 van Pro de wet van 26 mei 1870 (S. no. 82).
free rider-argument naar voren; hij meent namelijk dat het niet logisch is dat ook degenen die niet een rechtsmiddel hebben aangewend, profiteren van het resultaat van de door een ander gevoerde procedure. Daarnaast voert de minister het symmetrie-argument aan. Ook benadrukt hij dat de praktische redenen om de regel te handhaven niet moeten worden onderschat: [76]
6.Beoordeling middelen 2 en 3 (toepassing nieuwe-jurisprudentie-uitzondering)
7.Evenredigheidstoetsing van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering (middel 5)
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
kenbaarmoeten zijn meegewogen, vindt ook impliciet steun in HR BNB 2026/6 betreffende de verdubbeling van het OZB-tarief voor eigenaren van niet-woningen. Het bestuursorgaan had in cassatie aangevoerd dat het inherent aan elke tariefsverhoging is dat zij nadelige gevolgen heeft voor belastingplichtigen en dat het daarom evident is dat de gemeenteraad rekening heeft gehouden met de nadelige gevolgen van het verdubbelingsbesluit voor de eigenaren van niet-woningen. [120] De Hoge Raad gaat daarop niet expliciet in maar oordeelt dat het hof “feitelijk en niet onbegrijpelijk [heeft] geoordeeld dat uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken niet blijkt dat bij het voorbereiden van het verdubbelingsbesluit de nadelige gevolgen daarvan voor de eigenaren van niet-woningen zijn meegewogen.” [121] Opvallend is trouwens dat de Hoge Raad de beoordeling van het hof of de nadelige gevolgen zijn meegewogen, niet vol toetst, maar als een feitelijke kwestie benadert. [122]
eersteaanknopingspunt is de toelichting die de minister van Financiën heeft gegeven in de brief van 12 juli 2010 over het beleid inzake ambtshalve vermindering van belastingaanslagen in relatie tot nieuwe jurisprudentie en waarin budgettaire redenen en uitvoerbaarheidsredenen worden genoemd voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (zie 5.18). Deze toelichting ziet weliswaar niet op art. 45aa URIB 2001, maar zij is naar mijn mening evengoed relevant voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering in dat artikel, aangezien dat artikel in wezen een codificatie van dat beleid voor de inkomstenbelasting betreft (zie 5.27).
tweedeaanknopingspunt betreft juist een anterieure bron, te weten de in 5.20-5.24 besproken kamerstukken uit 1952. Zoals eerder opgemerkt valt uit die uitlatingen van de minister van Financiën in die Kamerstukken af te leiden dat het destijds reeds bestaand beleid was om geen ambtshalve vermindering te verlenen bij nieuwe jurisprudentie (5.25) en dat er drie redenen zijn voor die uitzondering (5.26). Bovendien geven die uitlatingen naar mijn mening blijk van een afweging, in die zin dat de minister vasthoudt aan de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering ook nadat hem is gewezen op het financiële belang van burgers bij een ambtshalve vermindering (5.28). Ik merk daarbij op dat de drempel om aan te nemen dat de negatieve gevolgen van een maatregel voor belastingplichtigen zijn meegewogen, niet hoog ligt (zie 7.12).
Evenredigheidsbeginsel
Hoe vindt toetsing aan het (ongeschreven) evenredigheidsbeginsel plaats?
fair balance, dan meen ik dat een EVRM-conforme toetsing aan het evenredigheidsbeginsel meebrengt dat ook (reeds) sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Uit de beoordeling van middel 4 hierna volgt evenwel dat toepassing van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet in strijd is met art. 1 EP Pro.
Toetsing van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering van art. 45aa(b) URIB 2001 aan art. 1 EP Pro (middel 4)
fair balancein acht is genomen. [182] Ik zal daarom veronderstellen dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering leidt tot een aantasting van eigendom in de zin van art. 1 EP Pro.
fair balanceontbreekt. De toelichting voert daarbij bovenindividuele omstandigheden aan (vgl. voor die term eerder 3.2), dat wil zeggen omstandigheden die niet specifiek zijn voor de belanghebbenden in de onderhavige zaken maar meer in het algemeen gelden voor de niet-bezwaarmakers. Die aangevoerde omstandigheden zijn (i) dat sprake is van een aan de overheid toe te rekenen schending van grondrechten, (ii) dat burgers geen enkel nut hadden te verwachten van het maken van bezwaar, en (iii) dat de informatievoorziening over de massaalbezwaarprocedure met betrekking tot de box 3-heffing vanaf 2017 ondermaats was.
res iudicata, may, as a general rule, constitute a legitimate aim – that is to say it may be “in the public interest”, within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 to the Convention. However, even though the Government did not submit any specific observations in this regard, the Court does not deem it necessary to examine these issues in detail in the light of the circumstances of the present case, since the interference in the applicant’s property rights was clearly disproportionate (see paragraphs 67-71 below).
res iudicatain order to afford redress to the applicant was the only means of the domestic authorities relieving him from the disproportionate burden that had been placed on him. It considers, however, that the domestic authorities should have provided him with a legal solution that involved him being paid compensation by the Fund; this is because it was the Fund that should have borne the consequences of the mistake made by its experts.
res iudicata(in het Nederlands civiele procesrecht: beginsel van gezag van gewijsde).
excessive burden(par. 67). Dat laatste is niet te beoordelen op basis van alleen de aangevoerde bovenindividuele omstandigheden. Ten overvloede merk ik op dat ik het met de Rechtbanken eens ben dat de situatie in het arrest Grobelny niet vergelijkbaar is met de situatie van de niet-bezwaarmakers.
res iudicata. c.q. het beginsel van het gezag van gewijsde, omdat – zoals zojuist (8.21) opgemerkt – er een duidelijk verwantschap is tussen dat het beginsel en het onherroepelijk vaststaan van een besluit zoals een belastingaanslag doordat daartegen niet (tijdig) of tevergeefs een rechtsmiddel is aangewend. Er is veel jurisprudentie van het EHRM over het beginsel van
res iudicata. Die jurisprudentie is weliswaar doorgaans gewezen met betrekking tot art. 6 EVRM Pro, dat niet van toepassing is op (reguliere) belastingzaken, [193] maar zij kan ook relevant zijn voor toetsing aan art. 1 EP Pro omdat het gaat om een beginsel dat wordt afgeleid uit het algemene rechtszekerheidsbeginsel. De algemene principes van het EHRM over het beginsel van
res iudicatazijn samengevat in het arrest Guðmundur Andri Ástráðsson: [194]
res iudicata, als aspect van rechtszekerheid, naar voren. Afwijking van het beginsel is slechts mogelijk “when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character”. Ik heb hiervóór bij de toetsing aan art. 1 EP Pro echter niet direct aansluiting gezocht bij deze strenge norm. Voor ogen moet namelijk worden gehouden dat deze norm is geformuleerd in de context van het beginsel van
res iudicataals
rechtvan een burger. [195] Dat is een andere context dan die waarin dat beginsel juist door de overheid wordt aangevoerd om een
aantastingvan een recht van een burger te rechtvaardigen. Gelet op het wezenlijke verschil in context ligt het naar mijn opvatting niet zonder meer in de rede om ook in die laatste context die strenge norm te hanteren. Het arrest Grobelny biedt steun voor die opvatting (enerzijds omdat in dat arrest die norm niet wordt genoemd en anderzijds gelet op de overweging “there were relevant and sufficient reasons to depart from that principle in order to secure respect for social justice and fairness”).