ECLI:NL:RVS:2025:1257
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens paspoortvereiste
De vreemdeling met de Amerikaanse nationaliteit had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor bedrijfsuitoefening, die hij wilde verlengen. De minister wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldig paspoort, een vereiste op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat het paspoortvereiste in strijd was met het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de Verenigde Staten, omdat het een beperking vormde van het verblijfsrecht.
De minister stelde in hoger beroep dat het paspoortvereiste een toegestane aanvullende maatregel is op grond van artikel II, vierde lid, van het Verdrag, ter handhaving van de openbare orde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het paspoortvereiste inderdaad een noodzakelijke maatregel kan zijn en dat het niet in strijd is met het Verdrag. Daarmee werd het oordeel van de rechtbank vernietigd.
De vreemdeling voerde aan dat hij vanwege een uitleveringsverzoek geen geldig paspoort kon verkrijgen en dat het paspoortvereiste in zijn situatie niet evenwichtig was. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen paspoort kon verkrijgen, maar dat het stellen van het paspoortvereiste in zijn specifieke situatie wel onevenwichtig was. Daarom werd het besluit van de minister vernietigd en werd bepaald dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen.
Daarnaast werd het beroep gegrond verklaard tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar, en werd een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van de termijn. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de minister moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen.