Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door M.H.W.N. Lammers.
Na het verstrijken van de voor het indienen van de schriftelijke toelichting gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende droeg in de meeste gevallen zorg voor het invullen van de plaats van bestemming van de personenauto’s in een zogenoemde afhaalverklaring respectievelijk CMR-vrachtbrief. Volgens de Inspecteur wist belanghebbende, toen zij de personenauto’s vanuit haar bedrijfsruimte in Nederland leverde, dat de personenauto’s naar Berlijn in Duitsland zouden worden overgebracht, terwijl zij in deze documenten als bestemming het vestigingsadres van een afnemer in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië invulde dan wel – indien die bestemming wel al was ingevuld – die bestemming niet deed wijzigen. Zodoende heeft belanghebbende volgens de Inspecteur de werkelijke bestemming van de personenauto’s, Berlijn dus, in de hiervoor bedoelde documenten verhuld.
Aan belanghebbende zijn daarom drie naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd, te weten over tijdvakken in de perioden 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 en 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van de middelen
Indien echter de inspecteur achteraf vaststelt dat die leverancier met zo’n intracommunautaire levering heeft deelgenomen aan een frauduleuze structuur met als gevolg dat ten onrechte geen btw is geheven in de lidstaat van bestemming, staat het op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad [4] aan die inspecteur om de belanghebbende het recht op toepassing van het nultarief te weigeren en ter zake van de intracommunautaire levering omzetbelasting van de leverancier na te heffen. Een zodanige naheffingsaanslag heeft met een ruime, richtlijnconforme uitleg van artikel 20, lid 1, AWR wettelijke grondslag. Die ruime uitleg kan echter niet opgaan voor een sanctiebepaling als artikel 67f, AWR, aangezien voor sanctiebepalingen geldt dat deze voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moet zijn. Een zodanige ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen [5] wordt geschonden. [6] Een zodanige naheffingsaanslag is dus niet de in artikel 67f, lid 3, AWR bedoelde naheffingsaanslag ter zake van het niet of gedeeltelijk niet op aangifte betalen van – in dit geval – omzetbelasting. De aldus door de inspecteur met inachtneming van de hiervoor bedoelde rechtspraak nageheven omzetbelasting was immers niet op grond van de Wet eerder verschuldigd geworden [7] en hoeft volgens de Wet niet op aangifte te worden betaald, ook niet als noodzakelijk gevolg van de deelname aan de hiervoor bedoelde frauduleuze structuur.