Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Zes zaken waarin ik tegelijk conclusie neem: proefprocedures over verkorting van de looptijd van de 30%-regeling ook voor bestaande gevallen
eis (i)is voldaan nu de verkortingsmaatregel is neergelegd in een wet (8.10). Aan
eis (ii)besteed ik meer aandacht. Ik kom daarbij tot de conclusie dat de wetgever met het van toepassing zijn van de verkortingsmaatregel op ook de bestaande gevallen heeft nagestreefd (a) het vergroten van de doelmatigheid van de 30%-regeling, (b) een budgettair doel en (c) het – denkelijk in een gelijke fiscale behandeling gelegen – belang van andere inhoudingsplichtigen en werknemers bij de verkorting. Dat zijn legitieme doelen in het algemeen belang (8.11-8.15). Vervolgens zet ik uiteen dat ook aan
eis (iii)is voldaan (8.16-8.24). De afweging van de wetgever tussen enerzijds de belangen van degenen aan wie reeds een 30%-beschikking is afgegeven en anderzijds de zojuist genoemde legitieme doelen die ermee zijn gediend dat de verkorting ook van toepassing is op diegenen, heeft uiteindelijk geresulteerd in de overgangsmaatregel dat de verkortingsmaatregel twee jaar later van toepassing wordt op bestaande gevallen om deze extra tijd te geven om te anticiperen op de verkorting van de looptijd (8.17). De wetgever is daarmee niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge getreden. Dat geldt voor alle in 1.4 onderscheiden categorieën (8.23).
2.De feiten en het oordeel van de feitenrechters
Feiten
Rov. 4.2-4.3 wat betreft het beroep op algemene rechtsbeginselen. Aangezien de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling is neergelegd in een wet in formele zin, mag de rechter die maatregel niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Evenmin kan de wet buiten toepassing wordt gelaten op grond van algemene rechtsbeginselen, omdat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt onmiskenbaar dat daarin uitgebreid aandacht is besteed aan situaties zoals die van belanghebbende waarin de wetswijziging tot gevolg heeft dat ook de looptijd voor de lopende gevallen wordt bekort.
Rov. 4.4-4.5 wat betreft het beroep op art. 1 EP Pro EVRM. De verwachting die belanghebbende ontleende aan de afgegeven 30%-beschikking dat zij ook in de toekomstige jaren onder de 30%-regeling zou vallen, is geen ‘possession’ in de zin van art. 1 EP Pro EVRM. Inhouden van loonheffing vormt wel een inmenging in het eigendomsrecht, maar het beperken in de tijd van de 30%-regeling ook voor bestaande situaties met een beperkt overgangsrecht valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de wetgever niet de mogelijkheid tot het vrij vergoeden van extraterritoriale kosten als zodanig heeft beperkt.
Rov. 4.6 wat betreft het beroep op het discriminatieverbod. Een verandering in de fiscale wetgeving met ingang van een bepaalde datum als de onderhavige, die tot gevolg heeft dat bepaalde belastingplichtigen minder lang van een bepaalde regeling/tegemoetkoming kunnen profiteren dan anderen op wie de regeling/tegemoetkoming eerder van toepassing is geworden, vormt geen discriminatie van de eerstbedoelde belastingplichtigen in de zin van art. 14 EVRM Pro, art. 1 Twaalfde Pro protocol EVRM of art. 26 IVPBR Pro.
3.Het geding in cassatie
De zaken van belanghebbende 1 tot en met 3
4.De 30%-regeling: wettelijk kader en verkorting van de looptijd
De plaats van de 30%-regeling in het wettelijk systeem
worden beschouwdals vergoeding voor ETK tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden. De groepen werknemers die voor deze regeling in aanmerking komen zijn aangewezen bij algemeen maatregel van bestuur, te weten in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB). Voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers (ingekomen werknemers) geldt de 30%-regeling voor een in de wet bepaald maximaal aantal jaar.
5.De voorgeschiedenis van de verkorting van de looptijd tot vijf jaar
M. 132.Beperken 30%-regeling naar 5 jaar
6.Belastingplan 2019: verkorting looptijd met (uiteindelijk) enig overgangsrecht
onderzochtdoor de wetgever. In het midden kan blijven in hoeverre juist is dat dergelijk onderzoek achterwege is gebleven. Immers, hoe dan ook heeft de wetgever onmiskenbaar afgewogen hoe met ‘bestaande gevallen’ moet worden omgegaan bij de verkortingsmaatregel. De wetgever is zich ervan bewust geweest dat de verkortingsmaatregel ertoe leidt dat bij bepaalde groepen ‘bestaande gevallen’ de looptijd van de 30%-regeling wordt verkort, ook nadat alsnog in overgangsrecht is voorzien, en dat dit een negatieve financiële impact heeft voor de betrokkenen. De wetgever heeft de gevolgen voor bestaande gevallen dus bedoeld en voorzien. Daarom kan niet worden gezegd dat in de gevallen waarin de verkorting zich voordoet en de negatieve financiële gevolgen zich manifesteren, in het algemeen sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. [117]
fair balanceis geschonden. Anders gezegd: het is “the most natural approach” om de vraag of de verkortingsmaatregel leidt tot een schending van art. 1 EP Pro EVRM bij bestaande gevallen, te onderzoeken vanuit de vraag of die
fair balancein acht is genomen. [127] Daarbij moet ook bedacht worden dat argumenten pro en contra in het kader van de vraag of sprake is van een onder het eigendomsbegrip vallende ‘gerechtvaardigde verwachting’, evenzeer aan de orde kunnen komen bij de beoordeling of de
fair balanceis gerespecteerd.
nietde 30%-regeling kunnen toepassen. Het kabinet motiveert niet met zoveel woorden wat dan precies het belang van die inhoudingsplichtigen en werknemers erbij is dat niet wordt voorzien in overgangsrecht, maar dit lijkt mij een gelijkheidsbeginsel- c.q.
level playing field-achtig argument te zijn. Denkelijk is namelijk de gedachte dat als er onvoldoende goede beleidsmatige redenen (in termen van doelmatigheid en doeltreffendheid) zijn dat de looptijd van de 30%-regeling langer is dan vijf jaar, er in dat opzicht ook onvoldoende rechtvaardiging is om ingekomen werknemers en/of hun inhoudingsplichtige werkgevers na die vijf jaar nog langer gunstiger te behandelen dan andere werknemers en werkgevers die de 30%-regeling niet kunnen toepassen. [132] Ik meen dat dit op zichzelf een legitiem argument is tegen het voorzien in (volledig eerbiedigend) overgangsrecht. [133] Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat ook wat betreft de bepaling wat in het algemeen belang is, de wetgever een
margin of appreciationheeft, waarbij de notie van ‘algemeen belang’ volgens het EHRM ‘necessarily extensive’ is. [134]
fair balance-toets en ik daarbij dan korter kan zijn wat betreft die doelen (vgl. 8.17 hierna). Verder is deze analyse relevant, omdat eruit volgt dat, anders dan belanghebbenden betogen, [136] de verkorting van de maximale looptijd voor ook de bestaande gevallen
nietlouter een budgettaire doel dient.
nietde betekenis kan worden toegekend dat zij een onvoorwaardelijk recht vestigt op toepassing van de 30%-regeling gedurende de in die beschikking vermelde looptijd.
fair balancehad gerespecteerd, kan hier onbesproken blijven, omdat de wetgever uiteindelijk in een overgangstermijn van twee jaar heeft voorzien.
nietzo weinig voor de hand liggend [141] dat het evident onredelijk is om haar mede ten grondslag te leggen aan de afweging om de verkortingsmaatregel ook toe te passen op reeds bestaande gevallen.
fair balance-toets de maatstaf aan of er ‘specifieke en dwingende redenen’ zijn voor de aantasting van de desbetreffende verwachtingen. [142] Die maatstaf heb ik niet aangelegd bij de in 8.17 gedane toets. Reden is dat in de gevallen waarin de Hoge Raad die maatstaf aanlegt er sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen die worden geschonden, [143] terwijl dat hier – gelet op wat in 8.18 is overwogen – niet het geval is, te minder nu in een overgangstermijn is voorzien.
9.Beschouwing middel 4 (belanghebbenden 1 tot en met 3): verboden discriminatie?
eerstegroep gevallen is de groep bestaande gevallen die ik zojuist genoemd heb in 8.23, onder 1), te weten de groep van bestaande gevallen die geen profijt hebben van het getroffen overgangsrecht in die zin dat deze gevallen nog steeds worden geconfronteerd met de volledige verkorting van de maximale looptijd met drie jaar. Het gaat om de categorieën 3 en 6 in de in 1.4 opgenomen tabel. De
tweedegroep gevallen zijn de nieuwe gevallen, te weten de gevallen die na 1 januari 2019 in Nederland zijn komen werken. De toelichting wijst erop dat deze gevallen gelijk worden behandeld – te weten de looptijd is maximaal vijf jaar – terwijl de eerste groep gevallen “evident in een volstrekt andere positie” verkeert dan de tweede groep. Die ‘volstrekt andere positie’ is als volgt toegelicht:
binnende groep bestaande gevallen. Volgens de toelichting leidt het overgangsrecht tot willekeur:
eersteuitgangspunt is dat een 30%-beschikking “een constitutief vereiste” voor toepassing van de 30%-regeling is (Hof, rov. 4.1). Dat uitgangspunt is naar mijn mening juist, gelet op art. 10ea(1) in verbinding met art. 10ei(1) UBLB, waaruit volgt dat voor de toepassing van de 30%-regeling vereist is dat de inspecteur in positieve zin heeft beslist op een gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige om toepassing van de 30%-regeling. Ik zie daarvoor ook steun in HR BNB 2007/242 met betrekking tot de toenmalige 35%-regeling. [147]
tweede(impliciet) uitgangspunt is dat een 30%-beschikking niet alleen betekent dat de 30%-regeling mag worden toegepast, maar dat zij ook de looptijd vastlegt. Ook dit uitgangpunt is naar mijn mening juist. Ik verwijs daarvoor naar een conclusie van mijn hand van 29 maart 2024. Ik kom daarin uiteindelijk tot de conclusie dat (i) hoewel de tekst van art. 10ei(1) UBLB de uitleg toelaat dat een 30%-beschikking alleen inhoudt dat de 30%-regeling mag worden toegepast (en dat de looptijd van de regeling vervolgens voortvloeit uit de bepalingen van het UBLB), een in een 30%-beschikking vermelde looptijd onderdeel is van die beschikking, en dat (ii) dit betekent dat de 30%-regeling niet op grond van een 30%-beschikking kan worden toegepast na het einde van de in die beschikking vermelde looptijd. [148]
derde(impliciet) uitgangspunt is dat de toepassing van de 30%-regeling in de onderhavige tijdvakken niet kan worden gebaseerd op de eerder gegeven 30%-beschikking waarin – zie de tabel in 2.3 – nog een langere looptijd was opgenomen (die de onderhavige tijdvakken omvat). Ook dat uitgangspunt is juist. Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd van de 30%-regeling een andere inhoudingsplichtige krijgt, geldt de eerder afgegeven 30%-beschikking niet meer als zodanig. Er zal een (gezamenlijk) verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige om voortgezette toepassing moeten worden gedaan, waarop de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist (art. 10ed(1) in verbinding met art. 10ei(1) UBLB).