ECLI:NL:RVS:2021:1336
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.J. van Eck
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing vergunningplicht omzetting zelfstandige woonruimte in Nijmegen
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen weigerde vergunningen voor het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte aan drie appellanten die deze panden voor kamerverhuur gebruiken. De rechtbank verklaarde artikel 12, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Nijmegen 2019 onverbindend wegens strijd met de Awb en vernietigde de besluiten. Het college en appellanten gingen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college in bezwaar een nadere motivering mag geven voor het gebruik van artikel 12 Hvv Pro 2019 en dat de vergunningplicht voor woningen tot €290.000 passend is om schaarste aan goedkope woonruimte tegen te gaan. Voor woningen boven deze grens, zoals die van appellant sub 3, is de vergunningplicht echter niet noodzakelijk en strijdig met de Huisvestingswet, zodat deze buiten toepassing moet worden gelaten.
Daarnaast is vastgesteld dat het omgezet houden van woningen zonder vergunning sinds 1 juli 2017 verboden is, ook voor woningen die eerder vergunningvrij waren omgezet. Voor appellant sub 2, wiens woning legaal was omgezet vóór deze datum, is het overgangsregime onredelijk toegepast. Het college moet zijn bezwaar opnieuw beoordelen met inachtneming van deze situatie.
Het beroep van appellant sub 4 is ongegrond, omdat zijn woning na invoering van de vergunningplicht is omgezet en het college terecht de aanvraag heeft afgewezen op grond van leefbaarheidscriteria, waaronder fietsparkeernormen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten sub 2 en sub 3.
De Afdeling vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en de besluiten op bezwaar van 6 maart 2020, vernietigt de besluiten op bezwaar van 24 en 31 mei 2019 voor appellanten sub 2 en sub 3, herroept het besluit op aanvraag van appellant sub 3 en bepaalt dat hij geen vergunning nodig heeft. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van appellant sub 2.
Uitkomst: De vergunningplicht voor het omgezet houden van woningen boven de NHG-kostengrens is niet rechtmatig, waardoor appellant sub 3 geen vergunning nodig heeft; het college moet nieuwe besluiten nemen voor appellant sub 2 en het beroep van appellant sub 4 wordt ongegrond verklaard.