Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Waaijer en R.J.E. Dijkstra, heeft een verweerschrift ingediend.
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van de Rechtbank
4.Beoordeling van het middel
(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,
(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,
(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [19] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en
(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.
Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.