Conclusie
(zie noot 1)maar bij deze conclusie is het helaas niet anders.
(zie noot 2)Dat is anders voor paragraaf 4, waarin ik een overzicht geef van de stand van het recht met betrekking tot het rechtskarakter van de waarschuwing en van diverse andere handhavingsmaatregelen die daarmee enige of veel gelijkenis vertonen. Voor deze paragraaf heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de informatie uit diverse reacties. In paragraaf 5 begint de beantwoording van de vragen van de voorzitter en geef ik in algemene zin aan welke factoren van belang zijn voor het aanmerken van een waarschuwing als een Awb-besluit of om een waarschuwing voor de rechtsbescherming daarmee gelijk te stellen. In paragraaf 6 worden deze factoren toegepast op de waarschuwing op grond van artikel 28a Arbowet. Bij sommige factoren - in paragraaf 5 en 6 zal ik specifieker zijn - is belangrijke informatie ontleend aan de reacties. Op de door mij gemaakte afwegingen en keuzes zijn sommige reacties en de inbreng van partijen ook van invloed geweest. Over deze (ook onbewuste) invloed kan ik geen specifieke verantwoording geven.
(zie noot 3)Het doel van deze conclusie is om in dit spanningsveld het juiste midden te vinden. Hierna werk ik deze drie invalshoeken nader uit.
(zie noot 4)ook al is zij zo oud als de oudste van de in de Awb geregelde sancties, de last onder bestuursdwang, en maakt zij in de praktijk vaak deel uit van het handhavingsinstrumentarium. Zoals hierna, in punt 4.2, nader wordt aangegeven, werd de ‘last’ onder bestuursdwang in een wat grijzer verleden aangeduid als ‘waarschuwing’ (of aanzegging) en had zij als doel om een overtreder ertoe te bewegen de door de overheid gestelde regels na te leven, bij gebreke waarvan de overheid de overtreding zelf kon afdwingen met, wat toen nog heette, ‘politiedwang’. Beide hier genoemde doeleinden van deze ‘oude’ waarschuwing - namelijk zij beoogt primair om een overtreder zelf ertoe te bewegen aan de overtreding een eind te maken en, als de overtreder dat niet doet, kan de overheid sanctionerend optreden - zijn nog steeds kenmerkend voor de waarschuwing in algemene zin.
(zie noot 5)Heel (te) kort gezegd, komt deze theorie erop neer dat een effectieve toezichthouder eerst en vooral moet sturen op de vrijwillige naleving van de regels (compliance) door de ondertoezichtgestelden door middel van overreding, overtuiging, informatievoorziening en andere informele middelen.
(zie noot 6)Voor formele sancties is in die theorie pas plaats als deze compliance strategie niet heeft gewerkt. ‘Speaking softly, while carrying a big stick’ is het motto. De door hen voorgestane opbouw van ‘handhavingsmiddelen’ wordt gevisualiseerd in hun beroemde piramide.
(zie noot 7)Dat neemt niet weg dat effectieve handhavers volgens hem nog steeds dienen te beschikken over het palet van zachte en harde beïnvloedings- en handhavingsmiddelen, zij het dat er niet bij voorhand een voorkeur bestaat voor het kiezen voor bestraffing, motiveren of overtuigen. De dominante strategie van veel toezichthouders is dan ook ‘hard waar het moet en zacht waar het kan’.
(zie noot 8)in verband met de reactie op een melding. In deze conclusie beperk ik mij daarom tot de hoofdlijnen.
(zie noot 9)Dat rechtsgevolg moet extern zijn, zodat beslissingen met een zuiver intern karakter niet kwalificeren als besluit. Een beslissing is gericht op rechtsgevolg, als zij beoogt dat er een verandering optreedt in de wereld van het recht. Daarvan is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling sprake als "zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen". In de literatuur worden vergelijkbare definities gehanteerd.
(zie noot 10)"(a) als er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheid van een of meer rechtssubjecten; of (b) wanneer er verandering optreedt in de juridische status van een persoon of object of wanneer een rechtssubject in het leven wordt geroepen; dan wel (c) als het bestaan van zekere rechten, verplichtingen, bevoegdheden of status bindend wordt vastgesteld."
(zie noot 11)"een definitieve en oorspronkelijke beslissing gericht op de wijziging dan wel nadere bepaling of constitutieve vaststelling van rechtsposities of rechtsverhoudingen of de toekenning van bevoegdheden. Dat vergt een publieke regeling, houdende een bevoegdheid die in dat rechtsgevolg voorziet."
(zie noot 12)Ten slotte moet een rechtshandeling om als Awb-besluit te worden aangemerkt een ‘publiekrechtelijke’ zijn. Daartoe moet zij - met het oog op het legaliteitsbeginsel - in principe zijn gebaseerd op een publiekrechtelijk wettelijk voorschrift, ook al erkent de rechtspraak om strategische redenen (zie punt 3.5) ook enkele andere grondslagen.
(zie noot 13)
(zie noot 14)In de Wet beroep administratieve beschikkingen - die op dit punt volgens de MvT bij de Awb nog steeds relevant is voor de uitleg van de Awb
(zie noot 15)- werd zelfs expliciet bepaald dat een beschikking ook gericht kon zijn op "de vaststelling van een bestaande rechtsverhouding". Onder welke omstandigheden beslissingen of handelingen als rechtsvaststellend besluit kunnen worden aangemerkt is minder duidelijk, omdat een algemeen aanvaarde definitie niet bestaat en vooral de grens ten opzichte van de - in punt 3.6 te bespreken - ‘bestuurlijke rechtsoordelen’ omstreden is.
(zie noot 16)Kort en goed is het daarbij de vraag of de rechtsgevolgen van het oordeel voortvloeien uit de wet zelf (geen besluit) of uit de vaststelling ervan door dat oordeel (wel besluit). Zoals aangegeven in mijn conclusie van 12 november 2014,
(zie noot 17)spreek ik van een rechtsvaststellend besluit, indien (a) de rechtsgevolgen ervan worden bepaald door de wet, (b) die rechtsgevolgen pas kunnen intreden ten gevolge van de in concreto bindende vaststelling door het bestuur, en (c) het bestuur door deze beslissing zichzelf bindt. Het tweede kenmerk maakt dat het rechtsvaststellende besluit op rechtsgevolg is gericht; zonder dat besluit kunnen de door de wet bepaalde rechtsgevolgen niet intreden.
(zie noot 18)
(zie noot 19)In dat geval is de bestuursrechter bevoegd om over de rechtmatigheid van de handeling te oordelen.
(zie noot 20)Belangrijker voor deze conclusie is het strategisch gebruik van het besluitbegrip op het grensvlak van feitelijke en rechtshandelingen in de rechtspraak over de zogenoemde bestuurlijke rechtsoordelen, waarop ik in het volgende punt nader inga.
(zie noot 21)
(zie noot 22)Rechtsoordelen hebben bijvoorbeeld betrekking op de vergunningplichtigheid van een handeling of de verenigbaarheid van de handeling met de wettelijke voorschriften. Soms, namelijk als het gaat om een wettelijk rechtsoordeel dat voldoet aan de in punt 3.4 vermelde criteria, kunnen zij worden aangemerkt als rechtsvaststellend besluit en zijn zij om die reden appellabel.
(zie noot 23)Diezelfde rechtspraak maakt om redenen van rechtsbescherming echter een uitzondering als de alternatieve weg om over het oordeel een rechterlijke uitspraak te krijgen - voor de aanvrager het indienen van een vergunningaanvraag, waarna de beslissing daarover in rechte kan worden aangevochten, voor derden het verzoeken om handhaving et cetera - in het concrete geval ‘onevenredig bezwarend (of belastend)’ wordt geacht.
(zie noot 24)In dat geval wordt in die rechtspraak het bestuurlijk rechtsoordeel soms aangemerkt als Awb-besluit of, en dat lijkt thans de heersende lijn, voor de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. Deze rechtspraak, die overigens niet onomstreden is,
(zie noot 25)staat in de conclusie niet ter discussie. Zij wordt gevolgd door alle hoogste bestuursrechters.
(zie noot 26)en de informele zienswijze (die wordt toegepast door de Autoriteit Consument en Markt (ACM)). Deze keuze heeft primair te maken met de beperkte tijd die voor een conclusie beschikbaar is. Daarbinnen kan ik deze onderwerpen niet op verantwoorde wijze bespreken.
(zie noot 27)Zij behelst in wezen een waarschuwing aan een overtreder om zich aan van overheidswege gestelde voorschriften te houden, bij gebreke waarvan de overheid zelf feitelijk zal optreden. Om het primaire doel dat de betrokkene bij voorkeur zelf een eind maakt aan de overtreding beter tot uitdrukking te laten komen, is de term ‘bestuursdwang’ bij de inwerkingtreding van de Vierde tranche Awb veranderd in ‘last onder bestuursdwang’ (vgl. art. 5:21 Awb Pro). Van Buuren e.a. stellen in dit verband:
(zie noot 28)
(zie noot 29)Dat was in het verleden minder vanzelfsprekend dan nu wellicht wordt gedacht. Omdat de discussie over het rechtskarakter van bestuursdwang wel enige gelijkenis vertoont met die over de waarschuwing, ga ik daarop kort in.
(zie noot 30)Dit veranderde met een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 7 oktober 1977,
(zie noot 31)waarin zij moest oordelen over een waarschuwing inhoudende dat binnen 30 dagen na verzending van de waarschuwing, betrokkene de door hem zonder vergunning gebouwde uitbreiding van een volière diende te slopen of een bouwvergunning daarvoor diende aan te vragen, bij gebreke waarvan de uitbreiding door de gemeente op kosten van appellant zou worden gesloopt. De Afdeling overwoog als volgt:
(zie noot 32)
(zie noot 33)Beiden achtten de waarschuwing geen beschikking, Scheltema, omdat zij niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen rechtshandeling is, en Van Buuren omdat de waarschuwing geen nieuwe rechten of verplichtingen in het leven roept, laat staan daarop is gericht.
(zie noot 34)"Maar ik wil niet verhelen dat ik de waarschuwing moeilijk als een beschikking kan zien. De belangrijkste zin uit de motivering van de juist gewezen uitspraak is: ‘Deze waarschuwing is een voorwaarde voor het rechtsgeldig uitoefenen van de bevoegdheid tot politiedwang en derhalve op een rechtsgevolg gericht’. Logisch geheel sluitend lijkt mij deze redenering niet. Niet iedere handeling die een voorwaarde is voor het intreden van rechtsgevolgen is daarmee een rechtshandeling. De zogenaamde potestatieve voorwaarde wordt dan ook niet als een rechtshandeling beschouwd (tenzij het vervullen van de voorwaarde op zichzelf een rechtshandeling is). Om een voorbeeld te nemen: een gemeente krijgt een collectie schilderijen aangeboden onder de voorwaarde dat zij daarvoor een museum laat bouwen. Het (besluit tot het) bouwen van dat museum is daarmee nog geen rechtshandeling of beschikking geworden."
(zie noot 35)"Van een konstitutieve beschikking kan hier niet gesproken worden omdat de waarschuwing geen nieuwe rechten of verplichtingen in het leven roept, laat staan daarop gericht is. Door de waarschuwing verandert er niets in de rechtens bestaande juridische situatie. De waarschuwing herinnert de burger slechts aan zijn verplichting en kondigt een feitelijk optreden van het bestuur aan. Ook een deklaratoire beschikking kan men in de schriftelijke mededeling of waarschuwing niet zien. (…) M.i. kan men de bedoelde waarschuwing slechts als een beschikking zien, wanneer de wet politiedwang uitsluitend na en op basis van die waarschuwing (die dan geen zuivere waarschuwing meer zou zijn) mogelijk zou maken."
(zie noot 36)
(zie noot 37)Zij bevat, anders dan de last onder bestuursdwang, geen juridische verplichting en geeft evenmin aan dat van overheidswege maatregelen zullen volgen als betrokkene die niet zelf neemt. In feite is er - zoals Van Buuren e.a. stellen - met de aankondiging "nog niets (definitief) beslist".
(zie noot 38)Aldus loopt men aan tegen de harde dogmatisch grenzen van het Awb-besluitbegrip.
(zie noot 39)De enkele last kan worden gedefinieerd als een door een bestuursorgaan, al dan niet naar aanleiding van een overtreding opgelegde, normconcretiserende verplichting tot het verrichten van een bepaalde handelingen ter naleving van wettelijke voorschriften. Voert de belanghebbende de last niet uit, dan kan het bestuursorgaan ter effectuering ervan in de regel een bestuurlijke sanctie opleggen.
(zie noot 40)
(zie noot 41)
(zie noot 42)
(zie noot 43)Dat blijkt ook uit de relevante wetgeving, de toelichting erop en/of de rechtspraak erover. De kwalificatie als besluit wordt in de rechtspraak inmiddels zo vanzelfsprekend geacht, dat zij niet nader wordt toegelicht. Hierna vermeld ik zowel van de Afdeling als het CBB diverse uitspraken, waarin een last een Awb-besluit wordt geacht en inhoudelijk wordt beoordeeld, waarbij ik nu en dan ook verwijs naar de wet(sgeschiedenis). Uit het overzicht blijkt de diversiteit aan ‘enkele lasten’ die ons recht kent.
(zie noot 44)
(zie noot 45)deze lasten worden appellabele besluiten geacht in onder meer ABRvS 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3240, ABRvS 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1892, en ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8849. Interessant is dat in artikel 15 Woningwet Pro wordt bepaald dat "het bevoegd gezag […] gelijktijdig met een besluit als bedoeld in [onder meer] artikel 13, [kan] besluiten tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom, gericht op de naleving van het eerstgenoemde besluit. In dat geval worden beide besluiten gelijktijdig bekend gemaakt." Aldus kan het bevoegd gezag voorkomen dat over de last en de bestuurlijke sanctie twee rechterlijke procedures kunnen worden gevoerd. Uit het artikel blijkt zonneklaar dat de wetgever de last beschouwd als een (appellabel) ‘besluit’.
(zie noot 46)deze door de AFM of de Nederlandsche Bank (DNB) te geven aanwijzing, waarmee een persoon die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt verplicht om binnen een gestelde redelijke termijn ten aanzien van de ‘aanwijzingsbeschikking’ aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, wordt een Awb-besluit geacht in onder meer CBB 7 april 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ0538; CBB 27 december 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BZ1618; CBB 15 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:66; CBB 22 februari 2017 ECLI:NL:CBB:2017:46; en CBB 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:274. Dat ligt voor de hand, omdat de wet zelf de aanwijzing aanduidt als een ‘beschikking’. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de memorie van toelichting in verband met de in artikel 1:58 Wft Pro voorziene aanwijzing (een toegespitste variant van de aanwijzing ex artikel 1:75, eerste lid, Wft) bepaalt dat zij een ‘ambtshalve beschikking is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, die de financiële onderneming verplicht om een bepaalde gedragslijn te volgen’ die doorgaans vooraf zal worden gegaan door een ‘waarschuwing of mededeling’, niet zijnde een besluit in de zin van de Awb’.
(zie noot 47)
(zie noot 48)Het College overweegt: "Ter zitting heeft verweerster ter ondersteuning van haar standpunt dat de aanwijzing niet valt aan te merken als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb Pro gewezen op de uitspraken van CBB 21 juli 1998 (AB 1998/437) en 2 maart 1999 (AB 1999/168). In die uitspraken werd het verzoek van de toezichthouder om informatie te verstrekken niet aangemerkt als een besluit, zulks niettegenstaande de omstandigheid dat degene tot wie het verzoek is gericht verplicht is daaraan te voldoen. Het college overwoog te dien aanzien dat het verzoek weliswaar tot rechtsgevolg heeft dat de verplichting van toepassing wordt op de aangezochte (rechts)persoon maar daar niet toe strekt. De aanwijzing is op dit punt niet vergelijkbaar met een verzoek als bedoeld: zij is gericht op het treffen van maatregelen jegens een betrokkene en daardoor van onmiddellijke betekenis voor diens juridische positie. Aldus is sprake van een besluit in de zin van de Awb."
(zie noot 49)Het College merkt deze aan als Awb-besluit: "Een dergelijke aanwijzing strekt ertoe om degene tot wie zij zich richt een verplichting op grond van de wet op te leggen dan wel de aard en omvang van een reeds op de betrokkene rustende verplichting op bindende wijze af te bakenen. Het gaat hier dus om een door de wetgever gecreëerd instrument om publiekrechtelijke verplichtingen in het leven te roepen of het bestaan daarvan in rechte vast te stellen. Een bindende aanwijzing kan dan ook zeker beschouwd worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartegen kan dus bezwaar of beroep worden ingesteld".
(zie noot 50)waarin appellanten stellen dat bepaalde brieven moeten worden beschouwd als op grond van artikel 14 Wet Pro toezicht effectenverkeer 1992 gegeven aanwijzingen - en dus als Awb-besluit - omdat zij dwingend aangeven welke gedragslijn [rechtspersoon P] en [RvCX] worden geacht te volgen en van een vrijblijvende suggestie van DNB geen sprake is. Het College oordeelt: "Naar het oordeel van het College vormen deze mededelingen geen aanwijzingen aan [rechtspersoon P] en [RvCX] tot het volgen van een bepaalde gedragslijn. DNB heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij haar opvatting over de minst ingrijpende passnede maatregel […] handhaaft en zij gaat er blijkens het uitspreken van de verwachting dat een tweede directeur van [rechtspersoon X] zal worden benoemd van uit dat deze maatregel ook zal worden getroffen, maar van een hiertoe strekkende dwingende opdracht is geen sprake. Naar het oordeel van het College bevat de brief van 19 december 2002 van DNB dan ook geen aanwijzing in de zin van artikel 14, eerste lid, Wtk 1992, maar is veeleer sprake van een poging [rechtspersoon P] en [RvC X] ertoe te bewegen alsnog zelf maatregelen te treffen. […] Het stond [rechtspersoon P] en [RvC X] vrij alsnog zelf maatregelen te treffen of dat niet te doen en het te laten aankomen op nader beraad door DNB dat zou kunnen leiden tot een aanwijzingsbesluit. […]"
(zie noot 51)waarin het beroep aan de orde was van WSM tegen de weigering van een vergunning voor het aanbieden van beleggingsobjecten door de AFM. In dat kader hebben appellanten ook een grief gericht tegen de in de slotpassage van het bestreden besluit vervatte mededeling, dat WSM de door haar beheerde beleggingsobjecten niet kan blijven beheren en zij deze contracten op korte termijn op enigerlei wijze zal moeten afwikkelen. Over deze passage oordeelt het College als volgt. "Naar het oordeel van het College is de desbetreffende mededeling niet meer dan een constatering door verweerder dat, indien WSM het beheer van de beleggingsobjecten voor de toekomst niet zal staken, sprake zal zijn van een overtreding. In die zin is de mededeling aan te merken als een herinnering aan de plichten die uit de Wft voortvloeien. Naar het oordeel van het College brengt de betreffende mededeling geen directe gevolgen met zich mee; aan WSM wordt geen nadere verplichting opgelegd of enig recht onthouden. Indien deze mededeling wordt gevolgd door een aanwijzing op de voet van artikel 1:75 Wft Pro, dan kan WSM gebruik maken van de tegen dat besluit openstaande rechtsmiddelen en in dat kader aanvoeren dat het in de mededeling vervatte standpunt van AFM, dat WSM haar contracten met cliënten zal moeten beëindigen, onrechtmatig is. Uit het voorgaande volgt dat de mededeling in de slotpassage van het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, zodat daartegen geen beroep openstond."
(zie noot 52)Brieven die (net) niet voldoende dwingend zijn geformuleerd of een mededeling die niet meer is dan een constatering dat betrokkene als zij bepaald handelen continueert de wet overtreedt, worden niet aangemerkt als Awb-besluit. Deze rechtspraak is heel vergelijkbaar met die van de Afdeling over de vooraankondiging van een last onder bestuursdwang of dwangsom (punt 4.2).
(zie noot 53)
(zie noot 54)Hetzelfde oordeel (‘normaal sturingsmiddel’) trof een waarschuwing die de mededeling bevatte dat het nogmaals weigeren om medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek zou worden aangemerkt als plichtsverzuim.
(zie noot 55)Deze rechtspraak vertoont gelijkenis met de in punt 4.2 vermelde rechtspraak over de vooraankondiging van een last onder bestuursdwang.
(zie noot 56)waarin aan een ambtenaar, omdat onduidelijk was hoe hij de hand had weten te leggen op een vertrouwelijke notitie over zijn eigen ontslag, buitengewoon verlof was toegekend, welk besluit bovendien de waarschuwing bevatte dat hij zich gedurende dat verlof niet mocht begeven in de gebouwen van de dienst in kwestie. Wat betreft deze waarschuwing oordeelt de CRvB als volgt:
(zie noot 57)zonder dat dit overigens werd geproblematiseerd. Sinds die datum staat op grond van het toen gewijzigde artikel X9 van de Kieswet geen afzonderlijk beroep meer open tegen de waarschuwing, maar alleen nog tegen het oordeel van de raad ex artikel X5, derde lid, Awb, over de waarschuwing.
(zie noot 58)
(zie noot 59)dat bij herhaling of continuering van de overtreding die aanleiding was voor de waarschuwing, voorziet in de bevoegdheid (en soms plicht) tot oplegging van een (soms punitieve) bestuurlijke sanctie of maatregel.
(zie noot 60)In algemene zin kan zij worden gedefinieerd als een geschrift waarin door of vanwege een bestuursorgaan wordt gesteld dat de betrokkene bepaalde wettelijke regels heeft overtreden en dat bij continuering of herhaling van de overtreding een bepaalde bestuurlijke sanctie of maatregel kan of zal volgen.
(zie noot 61)
(zie noot 62)waarin zij als volgt oordeelt over het besluitkarakter van een dergelijke waarschuwing.
(zie noot 63)Juridisch-dogmatisch, omdat volgens hem een handeling niet reeds een rechtshandeling is, omdat zij een schakel vormt in een keten van handelingen die tot een sanctie kan leiden en omdat de grondslag voor de waarschuwing uitsluitend in het beleid ligt. Doordat de CRvB de waarschuwing niettemin aanmerkt als appellabel besluit wordt aan het belang van een effectieve handhaving afgedaan terwijl volgens hem een legitieme rechtsbeschermingsbehoefte ontbreekt. De rechtmatigheid van de waarschuwing kan immers aan de orde worden gesteld in het beroep tegen de (mogelijk) erop volgende sanctie.
(zie noot 64)De uitspraak betrof het rechtskarakter van een brief, waarin appellant erop was gewezen dat indien hij nog een keer niet de gewenste medewerking zou verlenen aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam zijn bijstandsuitkering zou worden verlaagd. De Centrale Raad oordeelt:
(zie noot 65)
(zie noot 66)Ik weet dat niet zeker omdat de CRvB voor zijn oordeel dat de waarschuwing in kwestie een Awb-besluit is, weliswaar verwijst naar de wettelijke grondslag ervan, maar uiteindelijk vooral van belang lijkt te achten dat deze een ‘essentieel en onlosmakelijk onderdeel’ vormt van de oplegging van vervolgmaatregelen, casu quo - in de termen van Michiels - "een conditio sine qua non" is voor het opleggen van deze maatregelen. Dat criterium hanteerde de CRvB in 1995 om een beleidsmatige waarschuwing als Awb-besluit aan te merken. Of hij daarvan is teruggekomen kan op basis van de uitspraak niet zonder meer worden gesteld, ook al sluit ik niet uit dat dit wel het geval is.
(zie noot 67)Hoe dan ook, uit deze uitspraak en die van 24 november 2009 kan wel worden afgeleid dat de CRvB beduidend kritischer staat tegenover het als Awb-besluit aanmerken van een op beleidsregels gebaseerde waarschuwing dan voor 2009. In recentere rechtspraak van de CRvB heb ik dergelijke waarschuwingen niet meer aangetroffen.
(zie noot 68)Deze waarschuwing is een appellabel Awb-besluit.
(zie noot 69)
(zie noot 70)"3.3. Met de rechtbank is het College van oordeel dat de waarschuwing niet is gericht op rechtsgevolg. De waarschuwing berust niet op de wet en is niet meer dan een constatering dat appellant de Tw heeft overtreden zonder gevolgen voor eventuele toekomstige vergelijkbare gedragingen. De waarschuwing legt appellant geen rechtens bindende verplichting op, onthoudt hem niet enig recht en raakt hem evenmin anderszins direct in zijn rechtspositie. Hieruit volgt dat de waarschuwing niet is gericht op enig rechtsgevolg, waardoor deze niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu bezwaar alleen openstaat tegen een besluit, heeft het Agentschap Telecom het bezwaar van appellant tegen de waarschuwing terecht niet-ontvankelijk verklaard."
(zie noot 71)In deze zaak is appellante opgekomen tegen de waarschuwing dat zij in strijd met de Wet personenvervoer 2000 taxidiensten verricht, daarbij onder meer verwijzend naar CRvB 5 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BG9682 (zie punt 4.9). Volgens verweerder is ‘zijn’ waarschuwing echter zonder rechtsgevolg, omdat deze - anders dan de waarschuwing in de CRvB-zaak - "geen grondslag [vindt] in een wettelijke bepaling" en zij "geen voorwaarde voor handhaving" is. Het College volgt verweerder in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt: "Appellante is met de brief geïnformeerd over het oordeel van verweerder dat zij handelt in strijd met de Wp2000. De brief biedt appellante de gelegenheid om die situatie te beëindigen. In de brief zijn voor appellante geen verplichtingen neergelegd die niet al voortvloeien uit wettelijke voorschriften. Het door appellante gestelde gevolg dat zij straf- en boetemaatregelen riskeert als zij zonder vergunning doorgaat met het vervoer, is niet het gevolg van de brief, maar van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder artikel 76 van Pro de Wp2000. De door appellante aangehaalde uitspraak werpt, zoals verweerder met juistheid heeft aangevoerd, geen ander licht op deze zaak. Het College is met verweerder van oordeel dat de brief niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Die brief is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt."
(zie noot 72)
(zie noot 73)maar soms week zij ervan af en stelde zij als extra voorwaarde voor het aanmerken van een (beleidsmatige) waarschuwing als Awb-besluit dat de daarop volgende overtreding volgens het beleid automatisch tot het treffen van een maatregel zou moeten leiden.
(zie noot 74)Omdat dat niet het geval was, merkte de Afdeling in een uitspraak van 6 september 2003 een waarschuwing gegeven wegens overtreding van de beleidscriteria voor de exploitatie als coffeeshops niet als Awb-besluit aan.
(zie noot 75)
(zie noot 76)- aan die eis vrijwel nooit wordt voldaan, aangezien bij de toepassing van een maatregel in beginsel altijd de relevante belangen zullen moeten worden afgewogen. Kortom, echt consistent was de rechtspraak niet.
(zie noot 77)
(zie noot 78)Voor de gewaarschuwde kan het van belang zijn zo spoedig mogelijk te beschikken "over een rechterlijk oordeel over de vraag of de waarschuwing terecht is gegeven (en dus of hij overtreder is)". In dit verband stelt hij verder dat de rechtmatigheid van de waarschuwing weliswaar aan de orde kan komen in een rechterlijke procedure tegen een naar aanleiding van een tweede overtreding opgelegde maatregel, maar dat "naarmate meer tijd verstreken is tussen waarschuwing en tweede overtreding, de bewijsproblemen" over de eerste overtreding zullen "toenemen". Overigens acht hij de uitspraak "in dogmatisch zin" niet onjuist, omdat "een handhavingsbeleid als in geding niet meer is dan een vorm van zelfbinding van het bestuursorgaan". Bröring en Naves zijn positiever over de koerswijziging van de Afdeling, omdat zij in overeenstemming is met de uit het legaliteitsbeginsel voortvloeiende opvatting dat beleidsregels een al bestaande bevoegdheid betreffen en niet zelf een bevoegdheid kunnen creëren.
(zie noot 79)
(zie noot 80)Dit blijkt ook uit een vrij recente uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017.
(zie noot 81)De Afdeling overweegt:
(zie noot 82)waaruit ook naar voren komt dat de omstandigheid dat de waarschuwing in casu een alternatief was voor een symbolische bestuurlijke boete, deze geen Awb-besluit maakt.
(zie noot 83)Een zaak waarin de Afdeling een waarschuwing wél (voor de rechtsbescherming) gelijk stelt met een appellabel Awb-besluit, heb ik in de rechtspraak niet aangetroffen.
(zie noot 84)De zaak betrof de tijdelijke intrekking door de Algemeen Directeur Dienst Wegverkeer van de erkenning bedrijfsvoorraad wegens overtreding van bepaalde voorschriften, nadat betrokkene eerder conform het beleid voor een soortgelijke overtreding al was gewaarschuwd. De Afdeling overweegt als volgt.
(zie noot 85)
(zie noot 86)
(zie noot 87)
(zie noot 88)dezelfde wet waarbij ook artikel 28a Arbowet is toegevoegd aan het handhavingsarsenaal van de Arbowet. Ook de wettelijke regeling van beide waarschuwingen is vrijwel identiek. De toelichting op de wet maakt geen onderscheid tussen de Wav-waarschuwing en de waarschuwing van artikel 28a Awb en zal, voor zover van belang voor het besluitkarakter van beide waarschuwingen, aan de orde komen in punt 6.2 van de conclusie. Over het rechtskarakter van de Wav-waarschuwing bestaat geen rechtspraak. Wel maak ik nog de volgende opmerking. In een amicus-brief wordt gesteld dat uit artikel 17d Wav volgt dat de waarschuwing van artikel 17b, eerste lid, Wav volgens de wetgever een Awb-besluit is en wel een beschikking. Een vergelijkbare bepaling is te vinden in artikel 31, tweede lid, Arbowet. Deze bepalingen luiden als volgt.
(zie noot 89)wordt geen aandacht besteed aan het rechtskarakter ervan. Mij is geen rechtspraak bekend waarin een school opkwam tegen een van de waarschuwingen en waarin de bestuursrechter zich moest uitspreken over de vraag of de waarschuwing een Awb-besluit is. Wel is er een overigens heel beperkt aantal uitspraken, waaruit kan worden afgeleid dat de minister van OC&W ervan uitgaat dat de waarschuwing een Awb-besluit is en dat die mening lijkt te worden gedeeld door de Afdeling.
(zie noot 90)waarin het ROC Twente beroep had ingesteld tegen de besluiten op bezwaar, waarbij de minister van OC&W, twee waarschuwingen ex artikel 6.1.5, tweede lid, WEB, en een 11 maanden later genomen besluit tot lagere vaststelling van de rijksbijdrage en terugvordering van het bedrag dat te veel betaald is omdat het ROC niet aan de waarschuwingen had voldaan, in stand had gelaten. Wat betreft de waarschuwingen vermeldt de uitspraak dat eiseres daartegen bezwaar heeft gemaakt en dat verweerder "bij besluiten van 7 mei 2014 (bestreden besluit 1) respectievelijk 28 juli 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard". De minister gaat er dus vanuit dat de waarschuwingen Awb-besluiten zijn. De rechtbank duidt de besluiten op bezwaar inzake de waarschuwingen ook aan als ‘besluiten 1 en 2’, maar aan een inhoudelijk beoordeling ervan komt zij niet toe, omdat, eiseres geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen de waarschuwingen, aangezien de ROC de opleiding waarop zij betrekking hadden, inmiddels heeft beëindigd.
(zie noot 91)waarin de waarschuwing overigens alleen indirect aan de orde is. De zaak betreft de afwijzing door de minister van OC&W van een subsidieaanvraag van PerfectCall, omdat de daarmee te financieren opleiding commercieel medewerker die wordt aangeboden door Bedrijfs Educatie Nederland (BEN) volgens een inspectierapport niet voldoet aan de wettelijke eisen. Tijdens de beroepsprocedure is gebleken dat de inspectie BEN eerder had gewaarschuwd, maar ook dat de minister deze waarschuwing niet als ‘een op de zaak betrekking hebbend stuk’ als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, Awb, aan het dossier heeft toegevoegd. In hoger beroep stelt PerfectCall dat hij hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geraakt. De Afdeling oordeelt:
(zie noot 92)De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op grond van artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie zonder nadere motivering verworpen,
(zie noot 93)zodat mag worden aangenomen dat hij de opvatting van de AG deelt.
(zie noot 94)casu quo als punitieve sanctie moet worden aangemerkt. Volgens haar is dat niet het geval.
(zie noot 95)maar wel met een beperkt doel. De vragen die hierna worden onderzocht zijn: is een beslissing tot openbaarmaking van een waarschuwing of van de overtreding die aanleiding is voor de waarschuwing een appellabel Awb-besluit? En, als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe is de rechtsbescherming geregeld en wordt in dat kader de juistheid van de waarschuwing zelf of van het begaan hebben van de overtreding op een of andere wijze beoordeeld?
(zie noot 96)Openbaarmakingsbeslissingen worden in artikel 44a Gezondheidswet en artikel 9.8 Jeugdwet betiteld als ‘besluiten’, op het nemen waarvan de Awb van toepassing is en waartegen Awb-rechtsbescherming mogelijk is. De wet heeft betrekking op toezichtsinformatie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ). De waarschuwingen die op grond van artikel 44, derde lid, onder g, Gezondheidswet of artikel 9.7, derde lid, Jeugdwet openbaar (kunnen) worden gemaakt, hebben, voor zover ik kan nagaan, zelf geen wettelijke grondslag, en betreffen vermoedelijk alleen beleidsmatige waarschuwingen. Een voorbeeld biedt de in artikel 3 Beleidsregels Pro geweld tussen cliënten voorziene schriftelijke waarschuwing, die ingevolge artikel 2, eerste lid, Beleidsregels bestuurlijke boete in plaats van de bestuurlijke boete door de minister van VWS kan worden gegeven bij de eerste constatering van een overtreding. Indien na een eerdere schriftelijke waarschuwing een tweede overtreding van hetzelfde voorschrift wordt geconstateerd, dan zal de minister voor die tweede overtreding een bestuurlijke boete opleggen.
(zie noot 97)waarbij die bepaling ook aangeeft welke elementen in dat ‘besluit’ moeten zijn opgenomen (lid 2), dat de betrokken persoon ervan in kennis moet worden gesteld (lid 1) en dat hij daarover op grond van de afdeling 4.1.2 doorgaans moet worden gehoord. Bovendien veronderstelt artikel 1:99 Wft Pro dat tegen het publicatiebesluit Awb-beroep openstaat. Zie verder punt 4.22. Deze waarschuwing is een waarschuwing aan het publiek en moet worden onderscheiden van de waarschuwing van de overtreder, die in deze conclusie centraal staat. Overigens maken beide toezichthouders in de praktijk wel gebruik van laatstgenoemde waarschuwingen, maar voor waarschuwingen van de overtreder bevat de Wft geen wettelijke grondslag.
(zie noot 98)
(zie noot 99)De zaak betrof de schriftelijke mededeling van het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk om een integriteitsrapport openbaar te maken in een niet-geanonimiseerde versie. Over het besluitkarakter van deze mededeling oordeelt de Afdeling ambtshalve als volgt.
(zie noot 100)Hoewel ik geen uitspraak heb aangetroffen, waarin de Afdeling de beslissing tot publicatie van (de overtreding die aanleiding is voor) een waarschuwing als Awb-besluit aanmerkt, ligt het in de rede dat ook deze beslissing een appellabel Awb-besluit is. Immers, ook bij het nemen hiervan maakt het bestuursorgaan informatie betreffende een bestuurlijke aangelegenheid openbaar op grond van artikel 8 Wob Pro, waarbij de belangen van artikel 10 Wob Pro moeten worden gewogen. Daarbij maakt het volgens mij niet uit of de waarschuwing al dan niet gebaseerd is op een specifieke wettelijk grondslag en evenmin dat de waarschuwing zelf mogelijk geen Awb-besluit is. Volgens de rechtspraak is immers ook de publicatie van een inspectierapport een Awb-besluit, terwijl het rapport ook geen Awb-besluit is.
(zie noot 101)Deze beleidsregel geeft nadere invulling aan de wijze waarop de minister van SZW de bevoegdheid tot openbaarmaking van deze gegevens op grond van artikel 8 Wob Pro toepast.
(zie noot 102)
(zie noot 103)
(zie noot 104)waarin zowel het bevel van de hoofdinspecteur publieke en geestelijke gezondheidszorg tot neerlegging van de werkzaamheden als arts/psychiater als de openbaarmaking ervan waren bestreden. In de uitspraak beoordeelt de Afdeling eerst of het bevel zelf rechtmatig is gegeven en komt zij tot oordeel dat dit inderdaad het geval is. Wat betreft het publicatiebesluit oordeelt zij vervolgens: "Voorts overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 22 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV6576), dat een bevel als het onderhavige een bevoegd genomen besluit is in het kader van een aan de hoofdinspecteur toegekende taak om toezicht te houden op de naleving van regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. In het kader van deze toezichthoudende taak past dat bevelen als het onderhavige worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak. Bij die openbaarmaking is echter een nadere afweging van belangen geboden, waarbij het algemeen belang dat door openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van [appellant] geen onevenredig nadeel te lijden als gevolg van de openbaarmaking, waarbij aan het algemeen belang om bovengemelde reden groot gewicht moet worden toegekend. Van een onevenredige benadeling zal in een geval als het onderhavige sprake kunnen zijn als het bevel in rechte geen stand houdt en derhalve ten onrechte publiekelijk kenbaar is gemaakt. Of sprake is van onevenredige benadeling hangt dan af van een oordeel over de rechtmatigheid van het bevel. Zoals onder 10 tot en met 12 is overwogen, is het bevel rechtmatig gegeven, zodat reeds daarom van onevenredige benadeling in dit geval geen sprake is."
(zie noot 105)In die zaak stelt de Afdeling dat "van een onevenredige benadeling" sprake kan zijn "als het boetebesluit uiteindelijk in rechte geen stand houdt en de betrokken rechtspersoon ten onrechte als overtreder kenbaar is gemaakt. Of sprake is van onevenredig benadeling hangt dan af van een oordeel over de rechtmatigheid van het boetebesluit". Vervolgens stelt de Afdeling vast dat ter zake van het boetebesluit de rechtbank Rotterdam en in hoger beroep het CBB bevoegd zijn en dat de belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb Pro, hangende bezwaar of (hoger) beroep de voorzieningenrechter van beide colleges een voorlopige voorziening kan vragen "met als argument dat het boetebesluit in bezwaar of beroep naar verwachting geen stand zal houden".
(zie noot 106)
(zie noot 107)waarin het College, kort gezegd, de nihil-boete (een boete van € 0,-) in de ban doet en in dat kader ook een oordeel geeft over het mogelijke waarschuwingskarakter van die boete. Aanleiding voor de zaak is een besluit op bezwaar, waarbij de minister van EZ het primaire besluit tot correctie van een zogenoemde S&O-verklaring in stand heeft gelaten, maar de bij dat besluit opgelegde bestuurlijke boete van € 2800 vanwege geringe verwijtbaarheid heeft gematigd tot € 0. Op grond van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is de rechtbank Rotterdam (en in hoger beroep het CBB) bevoegd om over een besluit tot correctie van S&O-verklaringen te oordelen, als daarbij mede een bestuurlijke boete is opgelegd.
(zie noot 108)Is dat laatste niet het geval, dan is het CBB in eerste en enige aanleg bevoegd.
(zie noot 109)In de zaak heeft de rechtbank Rotterdam zich bevoegd geacht om over het beroep te oordelen. In verband met die bevoegdheid overweegt het CBB ambtshalve als volgt:
(zie noot 110)
(zie noot 111)
(zie noot 112)Dat is in casu inderdaad niet het geval, al was het maar omdat de boete uit de rechtsorde is verwijderd.
(zie noot 113)waarin een nihil-boete wordt aangemerkt als een appellabel besluit, dat meer is dan een bestuurlijke rechtsoordeel, en dat dus niet wegens strijd met artikel 5:40, eerste lid, Awb onbevoegd is genomen. Het College overweegt: "Met betrekking tot de eerste grief van A, die in samenhang met de tweede grief van DNB kan worden behandeld, overweegt het College dat ter zitting is gebleken dat DNB, toen zij er achter kwam dat het samenstel van de toepasselijke wettelijke bepalingen niet toeliet dat een boete van een bepaalde hoogte werd opgelegd, er weloverwogen niet voor heeft gekozen om het besluit van 19 juli 2006, waarbij een boete was opgelegd, volledig te herroepen, maar om dit besluit in stand te laten, met uitzondering van het bedrag van de boete en deze te stellen op nihil. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat van het primaire boetebesluit louter een rechtsoordeel met betrekking tot de overtreding van de Wvb is overgebleven, waartegen volgens DNB het belang van A bij een rechterlijk oordeel over het besluit van 6 december 2006 zou zijn komen te ontvallen."
(zie noot 114)Een verschil tussen de last onder bestuursdwang enerzijds en de enkele last en waarschuwing anderzijds is dat bij de last onder bestuursdwang ook de bestuurlijke bevoegdheid wordt gecreëerd om in het geval de betrokkene de last overtreedt feitelijke handhavend op te treden, terwijl bij de zelfstandige last en de waarschuwing in dat geval een aparte bestuurlijke sanctie of maatregel zal moeten worden toegepast.
(zie noot 115)De reden hiervoor is dat de CRvB ter zake hiervan een duidelijke en - voor zover ik kan nagaan - niet omstreden lijn volgt, waaraan ik weinig heb toe te voegen of af te doen. Zoals in punt 4.6 aangegeven is bepalend voor de appellabiliteit van die waarschuwing of daarin wordt vastgesteld dat de betrokken ambtenaar zich in termen van de toepasselijke rechtspositievoorschriften heeft schuldig gemaakt aan ‘plichtsverzuim’ (appellabele Awb-handeling) of dat dit niet het geval is en de waarschuwing niet verder gaat dan ‘een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen’ (geen appellabele Awb-handeling). Deze rechtspraak vertoont gelijkenis met de rechtspraak van de Afdeling over de vooraankondiging van een last onder bestuursdwang, die evenmin wordt aangemerkt als een appellabel Awb-besluit (punt 4.2).
(zie noot 116)Zij is in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling en het CBB en vermoedelijk ook met die van de CRvB (ook al weet ik dat niet zeker). Het voorgaande geldt uiteraard ook - en te meer - voor informele waarschuwingen die zelfs geen basis hebben in een beleidsregel. Ook die waarschuwingen kunnen geen Awb-besluit zijn.
(zie noot 117)waarvoor het klassieke legaliteitsbeginsel niet gold.
(zie noot 118)De waarschuwing betreft geen begunstigend bestuur, maar belastend. Daarvoor gold en geldt het legaliteitsbeginsel onverkort. De bevoegdheid tot het geven van de waarschuwing kan dus niet worden gecreëerd door een beleidsregel, maar in principe alleen door een wettelijk voorschrift.
(zie noot 119)Dat heeft dan weer tot gevolg dat alleen een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing een Awb-besluit kan zijn. Dat beleidsregels geen bevoegdheid tot het nemen van besluiten kunnen scheppen is zo vanzelfsprekend dat recente handboeken beleidsregels als mogelijke grondslag voor een besluit niet meer bespreken.
(zie noot 120)
(zie noot 121)- essentieel dat belanghebbende de rechtmatigheid van de waarschuwing aan de orde kan stellen in de procedure, waarin een (verhoogde) bestuurlijke sanctie wordt aangevochten. Volgens de Afdelingsuitspraak van 8 februari 2017 is deze mogelijkheid ook noodzakelijk met het oog op artikel 6 EVRM Pro en artikel 14 Internationaal Pro verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),
(zie noot 122)omdat hierdoor de niet-appellabiliteit van de waarschuwing zelf niet betekent dat belanghebbende een eerlijk proces of een rechtsmiddel wordt ontnomen.
(zie noot 123)Mocht in die alternatieve route door de rechter worden vastgesteld dat de waarschuwing ten onrechte was gegeven, dan heeft betrokkene in beginsel recht op vergoeding van de schade, die als gevolg van de onrechtmatige waarschuwing is geleden. Daaraan voeg ik toe dat de beslissing om een waarschuwing via een kleurverandering op de site van de NVWA actief openbaar te maken, volgens mij een appellabel Awb-besluit is dat thans nog wordt gebaseerd is op artikel 8 Wob Pro en in de toekomst, na inwerkingtreding van de Wet actieve openbaarmaking toezichtinformatie, op artikel 44, derde lid, onder g, Gezondheidswet (zie punt 4.21). In de rechterlijke (voorzieningen)procedure tegen dit besluit kan ook de juistheid van de waarschuwing aan de orde worden gesteld.
(zie noot 124)Ten slotte wijs ik erop dat voor zover de AFM of DNB overtredingen waarop een waarschuwing betrekking openbaar wil of moet maken op grond van artikel 1:94 e.v. Wft, deze openbaarheidsbeslissing een appellabel Awb-besluit is (punt 4.21) en dat betrokkene in de regel een voorlopig rechterlijk oordeel kan krijgen over de vraag of er inderdaad sprake is van overtreding, voordat deze informatie openbaar wordt gemaakt (punt 4.22).
(zie noot 125)Blijkens een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4930, kan een ernstige waarschuwing van een gemeente wegens integriteitsschendingen in dit verband worden meegewogen. Of dat ook geldt voor beleidsmatige of informele waarschuwingen, die niet direct te maken hebben met integriteit, kan op grond van de toelichting bij de bepaling of de rechtspraak niet worden vastgesteld.
(zie noot 126)
(zie noot 127)‘de waarschuwing heeft in dat geval in beginsel gevolgen voor rechten en verplichtingen van belanghebbende bij een toekomstige vergelijkbare overtredingen, namelijk dat een sanctie kan worden opgelegd’.
(zie noot 128)Dezelfde kritiek kan men dan echter ook al hebben op de huidige lijn van de Afdeling, volgens welke een wettelijke waarschuwing wel een Awb-besluit is als de volgende overtreding tot oplegging van de sanctie moet leiden en de waarschuwing altijd voorafgaat aan de sanctieoplegging. Voor zover ik het besluitbegrip al oprek, is die oprekking daarmee niet principieel, maar gradueel.
(zie noot 129)Beide hebben een wettelijke basis, beide worden altijd (waarschuwing) of vaak (enkele last, voor zover deze in de marktoezichttermen een ‘bindende aanwijzing’ is, zie punt 4.3) opgelegd naar aanleiding van een geconstateerde overtreding, beide beogen primair dat de betrokkene die overtreding zelf ongedaan maakt en beide moeten, als deze dat niet doet, worden afgedwongen door middel van een bestuurlijke sanctie die ongetwijfeld een Awb-besluit is. Het enige verschil tussen beide is dat de enkele last de expliciete juridische verplichting bevat om een bepaalde handeling te verrichten of een gedragslijn te volgen, terwijl bij de waarschuwing de verplichting om de overtreding te beëindigen/niet te herhalen, wat óók het verrichten van bepaalde handelingen kan betekenen,
(zie noot 130)geïmpliceerd is. Dat lijkt mij een te gering verschil voor een principieel verschillende benadering voor wat betreft de juridische kwalificatie en appellabiliteit van de beide instrumenten.
(zie noot 131)In die zaak had het Commissariaat een informele waarschuwing gegeven (en niet direct een boete opgelegd), omdat men aan de overtreden wettelijke norm voor de eerste keer nadere inhoud had gegeven. Uit de feiten blijkt dat het Commissariaat over de rechtmatigheid van de invulling een oordeel in rechte had gewenst. Volgens de Afdeling was de waarschuwing echter geen Awb-besluit, omdat zij aan belanghebbende geen rechtens verbindende verplichting oplegde. Omdat de waarschuwing geen wettelijke basis heeft, ben ik het in zoverre met de Afdeling eens (punt 5.3). Wel kan dan de vraag worden opgeworpen of de waarschuwing niet voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk zou moeten worden gesteld omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over de in de waarschuwing geïmpliceerde normconcretisering te krijgen ‘onevenredig bezwarend is’. In de uitspraak meent de Afdeling dat daartoe geen reden bestaat. Zij overweegt:
(zie noot 132)ook al speelt die zaak in een iets andere context.
(zie noot 133)"Wanneer zij zich daarentegen […] zou moeten blootstellen aan administratieve of strafrechtelijke procedures en de daaruit voortvloeiende sancties, als enig rechtsmiddel om de verenigbaarheid van de betrokken nationale bepalingen met het gemeenschapsrecht aan te vechten, dan zou dat niet volstaan om haar een dergelijke effectieve rechtsbescherming te verzekeren." In dat geval moet wel direct beroep tegen de nationale wet mogelijk zijn. De administratieve sanctie waarnaar het Hof verwijst is een ‘administratieve geldboete’ (punt 13).
(zie noot 134)Bovendien is het feit dat de wet een beoordelingsbevoegdheid toekent niet in strijd met het vereiste, mits de strekking en de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid voldoende duidelijk zijn omschreven. Voor het overige verwijs ik naar de literatuur.
(zie noot 135)
(zie noot 136)
(zie noot 137)
(zie noot 138)
(zie noot 139)Dat betekent dat de rechtmatigheid van de waarschuwing niet langer in de procedure tegen de bestuurlijke sanctie ter discussie kan worden gesteld en dat het rechtsgevolg van de waarschuwing - de ‘ontsluiting’ van de bestuurlijke sanctiebevoegdheid - in die procedure ook formele rechtskracht heeft. In de procedure tegen de bestuurlijke sanctie kunnen de aan die waarschuwing ten grondslag liggende juridische en feitelijke oordelen door belanghebbenden echter wel worden betwist en moeten zij in dat geval door de rechter worden beoordeeld.
(zie noot 140)Hierna licht ik het voorgaande wat uitvoeriger toe.
(zie noot 141)Deze formele rechtskracht betreft, zoals gesteld, de rechtshandeling en de rechtsgevolgen waarop zij is gericht. In de rechtspraak wordt van die formele rechtskracht slechts in uitzonderlijke situaties afgeweken. Zowel de regel als de uitzondering blijkt bijvoorbeeld uit de hierna vermelde uitspraak.
(zie noot 142)
(zie noot 143)waarbij ter ondersteuning wordt gewezen op de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 9 augustus 2016,
(zie noot 144)die in de onderhavige zaak ter beoordeling staat. Volgens de minister “stelt de wetgever” hiermee “vast dat de waarschuwing geen besluit is”. Ik ben van deze stelling niet onder de indruk, omdat de stelling van de ‘wetgever’ (minister) is gebaseerd op de rechtbankuitspraak die thans ter discussie staat. Bovendien hecht ik meer waarde aan de wetsgeschiedenis van artikel 28a Arbowet, omdat het door [appellant] bestreden besluit daarop is gebaseerd.
(zie noot 145)- dan zullen zij als regel tegelijk worden aangevochten en worden zij in een (rechterlijke) procedure gevoegd beoordeeld (zo mag althans worden aangenomen). In die situatie doet het extra rechtsbeschermingsmoment dat door mijn voorstel wordt gecreëerd niet af aan de effectiviteit van de handhaving. Bovendien is het voor die effectiviteit ‘gunstig’, dat een appellabele waarschuwing, die niet wordt aangevochten, in de procedure tegen het bevel tot stillegging formele rechtskracht heeft, zodat de waarschuwing zelf en de ontsluiting van de bevoegdheid om het bevel tot stilleging op te leggen in de tweede procedure worden geacht rechtmatig te zijn (punt 5.12). Als de waarschuwing geen appellabel Awb-besluit zou zijn, kan de rechtmatigheid ervan in de procedure tegen het stilleggingsbevel nog wél worden bestreden.