ECLI:NL:CRVB:2005:AS3302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetenota’s wegens overschrijding redelijke termijn en onjuiste loonadministratie
Appellante, een onderneming, werd geconfronteerd met correctie- en boetenota’s over de jaren 1992 en 1993 na een looncontrole door het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam. De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze nota’s ongegrond verklaard, stellende dat loonbetalingen niet volledig of correct waren opgegeven en dat de premies op basis van een schatting waren vastgesteld.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet tijdig inzage had gekregen in processen-verbaal met verklaringen van (ex-)werknemers, waardoor haar procesbelangen waren geschaad. Ook voerde zij aan dat de verklaringen onvoldoende basis boden voor de conclusies en dat de gehanteerde schatting van het uitvalpercentage onjuist was.
De Raad oordeelde dat het niet verstrekken van de processen-verbaal in bezwaar in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht, maar dat appellante hierdoor niet zodanig in haar belangen was geschaad dat het besluit vernietigd moest worden. De verklaringen boden voldoende grondslag voor de conclusie dat loonbetalingen niet juist waren verantwoord. De schatting van het premieloon en het uitvalpercentage van 2% werden als redelijk beoordeeld.
Wel stelde de Raad vast dat de boetenota’s na bijna tien jaar waren opgelegd, wat een overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro betekende. Daarom werden de boetes op nihil gesteld. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit over de boetenota’s vernietigd. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: De boetenota’s worden op nihil gesteld wegens overschrijding van de redelijke termijn; looncorrecties worden gehandhaafd.