Appellant ontving sinds 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Het UWV trok deze uitkering in 2011 in op grond van een herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat appellant zich anders had voorgedaan dan zijn werkelijke medische toestand. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht tijdens spreekuren in 2001 en 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de boete ongegrond, stellende dat appellant zich anders had voorgedaan dan zijn medische situatie en daarmee zijn inlichtingenplicht had geschonden. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd en dat er wel degelijk sprake was van een psychiatrisch ziektebeeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet had aangetoond dat appellant zijn actieve informatieplicht had geschonden tijdens de spreekuren en dat ook de verwijtbaarheid niet vaststond. Het diagnostisch onderzoek was niet afgerond en er bestond veel onduidelijkheid over de medische situatie van appellant. Daarom vernietigde de Raad het boetebesluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten.