Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
beslissing op het wrakingsverzoek van
Stichting Rivierduinen, te Leiden, verzoekster
Procesverloop
Overwegingen
Het College heeft ter zitting van 9 maart 2015, na intern overleg van enkele minuten, besloten dat het staatssteunargument te laat is aangevoerd, daarom in strijd is met de goede procesorde en buiten beschouwing moet worden gelaten. Verzoekster heeft ter zitting onderbouwd waarom geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Het aangevoerde staatssteunargument is geen nieuw feit, bewijsstuk of productie, maar slechts een juridisch argument ter verdere onderbouwing van reeds door verzoekster opgevoerde beroepsgronden.Niet valt in te zien waarom twaalf dagen niet voldoende zou zijn voor de NZa om ter zitting voldoende voorbereid te reageren op dit staatssteunargument. De NZa is geen onbekende met dit argument en kan dit verwachten. Het College kan, zoals het wel vaker doet, ter zitting bepalen dat de NZa in de gelegenheid wordt gesteld alsnog nader schriftelijk te reageren. De financiële belangen van verzoekster bij deze zaak zijn groot en het staatssteunargument is voor verzoekster van groot belang. Verzoekster ziet niet in waarom de voortgang van de procedure en de goede procesorde in het geding zouden zijn aangezien de NZa in de pleitnota heeft gereageerd op het staatssteunargument en de NZa alsnog in de gelegenheid zou kunnen worden gesteld (schriftelijk) te reageren op het staatssteunargument. De behandeling van het door verzoekster opgevoerde argument van staatssteun had dienen te prevaleren boven het belang van de NZa bij een spoedige berechting. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat in dit soort procedures slechts één beroepsinstantie bestaat en dat verzoekster niet de mogelijkheid heeft het staatssteunargument alsnog aan een hogere instantie voor te leggen. Het buiten beschouwing laten van het argument is onder deze omstandigheden zozeer onbegrijpelijk dat bij verzoekster de vrees is ontstaan dat dit besluit van het College niet onpartijdig is en dat dit besluit van het College slechts kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekster.
Dat de stukken binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gegeven termijn, zijn ingediend, maakt dit niet anders. Deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het aanvoeren van een nieuwe grond in strijd is met de goede procesorde."