Conclusie
Nummer22/00998
Het cassatieberoep
De zaak
Inzet in cassatie; opbouw conclusie
(7)
(10 - 32)
(33 - 66)
(67 – 204)
(112 -135)
(136 - 142)
(205 - 206)
(207 - 208)
De eerste twee middelen
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de drie slachtoffers met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Het
tweede middelkomt op tegen de afwijzing van het verzoek twee deskundigen op de terechtzitting te horen. Het
derde, vierde en vijfde middelkomen in de kern op tegen de (motivering van) het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde feiten (in verminderde mate) aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de drie slachtoffers met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.
opvat, maar de daad in koelen bloede
uitvoert’. [3] Het gaat in de ogen van de wetgever niet om de tijdsruimte tussen het besluit en de uitvoering, maar om de gemoedsbeweging van de dader. [4] In tenlasteleggingen werd het bestanddeel voorbedachte raad nadien vaak omschreven als ‘kalm beraad en rustig overleg’. Deze feitelijke omschrijving is veelvuldig bekritiseerd, omdat van kalm beraad en rustig overleg in het werkelijke leven zelden sprake zou zijn bij een delict als moord. Levensdelicten worden immers dikwijls onder invloed van emoties gepleegd. De Hoge Raad gaf in 1975 [5] een nadere uitleg aan het bestanddeel ‘voorbedachte raad’:
NJ2000, 605 luidde een koerswijziging in. De Hoge Raad overwoog, in lijn met de conclusie van AG Machielse, als volgt:
NJ2012/152, m.nt. B.F. Keulen een algemene vooropstelling geformuleerd, die in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963,
NJ2014/156, m.nt. B.F. Keulen, onder verwijzing naar onderdelen van de memorie van toelichting, van een nadere uitleg is voorzien:
NJ2008, 97 werd geklaagd dat het hof zijn oordeel dat sprake was van voorbedachte raad nader had moeten motiveren in het licht van de omstandigheid dat het feit niet aan de verdachte was toegerekend. Het hof had vastgesteld dat de verdachte opzettelijk met haar auto op twee personen was ingereden. De slachtoffers betroffen een lid van de Tweede Kamer en een persvoorlichter. De verdachte had onder meer verklaard dat zij het Kamerlid had gezien en had gedacht: “dat is een mooi doelwit”. Vervolgens is zij in haar auto gestapt en achter het Kamerlid aangereden. Ten aanzien van de strafbaarheid had het hof onder meer overwogen dat de verdachte leed aan een schizoaffectieve stoornis met onder meer paranoïde wanen die haar keuzevrijheid dusdanig ernstig hadden aangetast, dat het feit niet aan haar kon worden toegerekend. De Hoge Raad overweegt als volgt:
tweede middelkomt op tegen de afwijzing van het verzoek de deskundigen Weeda en Geurkink op de terechtzitting in hoger beroep te horen.
‘Wat kunt u - vanuit uw expertise op gedragskundig gebied - zeggen over de argumenten en het oordeel van de rechtbank, zoals vermeld in het vonnis, over de toerekenbaarheid van het tenlastegelegde aan verdachte, waarin door de rechtbank wordt afgeweken van het advies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, te weten het advies om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren?’
Pro Justitiadubbelrapport over de verdachte hebben uitgebracht. Een dag later vond een volgende zitting bij het hof plaats.
culpa in causadoor drugsgebruik. Aanleiding voor dit betoog waren de overwegingen van de rechtbank dat de verdachte meermalen door zijn behandelaren te verstaan is gegeven dat hij geen drugs, in het bijzonder cannabis, meer mocht gebruiken en dat de rechtbank twijfelde of het cannabisgebruik van de verdachte enkel en alleen als zelfmedicatie in verband met de symptomen van zijn psychotische ontregeling gebeurde. De verdediging heeft ten aanzien hiervan een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de deskundigen Weeda en Geurkink.
Pro Justitiarapportages uitgebracht. Het eerste rapport is van de deskundigen Den Boer en Vermeulen van het PBC, van 4 december 2019. Hun conclusie was dat bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een psychische stoornis, mogelijk in de vorm van schizofrenie of een schizoaffectieve stoornis, en dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Geadviseerd is tbs met dwangverpleging op te leggen.
Pro Justitiarapport van 13 januari 2022 van Van Bakel en De Wijs-Heijlaerts zich een nieuwe aanleiding voordeed om het verzoek te doen de deskundigen Weeda en Geurkink te doen horen. De kern van de klacht lijkt te zijn dat het hof bij zijn afweging had moeten betrekken dat, ook na het horen van de andere vier deskundigen, bij de verdediging nog vragen leefden die zij aan de deskundigen Weeda en Geurkink had willen stellen.
NJ2023/71 m.nt. N. Jörg. In combinatie met het arrest van 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702,
NJ2007, 626 m.nt. P.A.M. Mevis, kan uit dit arrest worden afgeleid dat alleen bij tijdig bij appelschriftuur opgegeven getuigen of deskundigen het verdedigingsbelangcriterium geldt, maar dat omstandigheden kunnen meebrengen dat een verantwoorde opgave van getuigen en deskundigen niet al bij appelschriftuur is te verwezenlijken en dat zich ook gevallen kunnen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen en of deskundigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. Als dan een getuigenverzoek op de terechtzitting is gedaan en daarmee het noodzakelijkheidscriterium geldt, kunnen die omstandigheden meebrengen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het “verdedigingsbelang” zou worden bereikt.
De middelen over (on)toerekenbaarheid
derde middelhoudt in dat het hof in verband met de vraag naar de toerekenbaarheid ten onrechte geen vaststellingen heeft gedaan over de aard van de stoornis en de wijze waarop en de mate waarin deze stoornis het handelen van de verdachte heeft beïnvloed. Ook wordt geklaagd dat het hof het verzoek om de deskundigen Weeda en Geurkink ter zitting te horen heeft afgewezen omdat het hof zich voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een stoornis en, zo ja, in welke mate de stoornis doorwerkte in het ten laste gelegde voldoende geïnformeerd achtte, terwijl het hof bij arrest geen vaststellingen heeft gedaan over de aard van de stoornis en de wijze waarop en de mate waarin deze het gedrag van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde heeft beïnvloed.
vierde middelbevat de klacht dat het hof heeft geoordeeld dat de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zonder dat het hof enige vaststelling over de aard van de stoornis heeft gedaan en bij de beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid heeft betrokken, terwijl het hof op andere onderdelen wel is uitgegaan van de conclusies van twee van de rapportages dat er ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een psychotische ontregeling. De stellers van het middel menen dat het bestreden arrest in zoverre innerlijk tegenstrijdig is.
vijfde middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
Inleiding
nooitvoor zijn daden verantwoordelijk kan worden gehouden. [44]
Ius in causa positum. Trouwens, ook bij de vroegere redactie zou de rechter altijd nog te onderzoeken hebben of de dader in staat was zijn wil te bepalen.” [47]
PG: bij kinderen tussen de tien en zestien jaren die geacht worden een strafbaar feit met oordeels des onderscheids te hebben gepleegd]toerekenbaar omdat zij met vrije wilsbepaling gehandeld hebben (…)
PG: de Kamercommissie die rapporteerde over het wetboek van strafrecht]met de Regering eene definitie van oordeel des onderscheids niet noodzakelijk acht tegen het gevoelen eener minderheid, die op grond van het groote verschil van opvatting dat onder de regtsgeleerden omtrent dit punt heerscht, eene omschrijving zou wenschen op te nemen, zoo erkent zij toch dat in de praktijk dikwijls beslissingen zijn voorgekomen, die met een juist begrip van oordeel des onderscheids in geenen deele zijn overeen te brengen. Zij acht het daarom niet overbodig, met verwijzing naar hetgeen te dien aanzien in de Memorie van Toelichting op veelal juiste gronden is aangevoerd, en naar art. 22 van Pro den » Bill to establish a Code of offences for England and Ireland” aan het Engelsche Parlement aangeboden in 18801, uitdrukkelijk te verklaren dat zij eenparig van meening is dat onder oordeel des onderscheids niet in het algemeen moet worden verstaan de wetenschap dat het begane feit verkeerd of slecht is, maar veeleer het inzigt van het ongeoorloofde der gepleegde handeling uit het zelfde oogpunt waaruit de volwassene zulk eene handeling beschouwt.
Nadere invulling in de rechtspraak en literatuur
anders dan bij de vraag of het feit de verdachte kan worden toegerekend, niet meer dan een verband bestaande uit gelijktijdigheid. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de rechter bij het geven van een last dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, in zijn vonnis vaststelt dat de bewezenverklaarde feiten het gevolg zijn van de geestesgesteldheid van de verdachte, vindt geen steun in het recht.” [56]
Zo ja,
Zo ja,
pro Justitia. In deze rapportage geven de deskundigen antwoord op de vragen of de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde handelen leed aan een psychische stoornis, of deze stoornis de gedragskeuzen van de verdachte beïnvloedde en zo ja, op welke manier en in welke mate. Tot slot volgen conclusies van de gedragsdeskundigen over de toerekeningsvatbaarheid. [61] De wet verplicht de rechter niet tot het inwinnen van gedragsdeskundige rapportage. Ook als rapportage wel voorhanden is, is de beoordeling of aannemelijk is dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een stoornis uiteindelijk een juridisch oordeel, waarvan de beantwoording aan de rechter is. [62] In deze lijn heeft de Hoge Raad in het kader van artikel 37a Sr (tbs) geoordeeld dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat de rechter daarin een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet is gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen. [63]
culpa in causa. In de voorliggende zaak speelt dat leerstuk geen rol. Ik laat een uitgebreide bespreking van dit leerstuk daarom achterwege.
Past het ontwikkelen van een nader kader voor ontoerekenbaarheid binnen de rechtsvormende taak van de Hoge Raad?
Aanknopingspunten voor een toetsingskader
insanity testsin de Verenigde Staten. [111]
België
ernstig aantast. [116] Er ligt een recent wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek. Daarin wordt de regeling van artikel 71 Sw Pro niet inhoudelijk gewijzigd. [117]
Duitsland
Frankrijk
Engeland en Wales en delen van de Verenigde Staten
wild beast test. Deze test hield kort gezegd in dat een verdachte ‘must be totally deprived of his understanding and memory so as not to know what he is doing, no more than an infant, brute or a wild beast’ om ontoerekeningsvatbaar te zijn. [139] Dit criterium is in essentie cognitief van aard; centraal staat het ontbreken van besef wat de verdachte doet. Een vereiste van causaal verband tussen de stoornis en het feit valt in het criterium niet te lezen. In het verlengde van dit criterium werd wel relevant geacht of de verdachte “was able to distinguish whether he was doing good or evil”. Hierin komt het vermogen om onderscheid te maken tussen goed en kwaad tot uitdrukking, de “right-wrong test”.
M’Naghten rules, die zijn genoemd naar een strafzaak uit 1843. M’Naghten had de secretaris van de premier van het Verenigd Koninkrijk op straat in zijn rug geschoten. Hij verklaarde dat de conservatieve premier zijn doelwit was, omdat hij werd achtervolgd door leden van de Conservatieve partij die het op zijn leven hadden gemunt. Vastgesteld werd dat de verdachte aan waanvoorstellingen leed. Hij werd ontoerekeningsvatbaar verklaard. Omdat er ophef over deze uitkomst kwam, werd de rechters gevraagd welke instructie de jury moet krijgen in zaken waarin een
insanity defensewordt gevoerd. Het antwoord luidde als volgt:
defect of reason. Vrij vertaald houdt dit criterium in dat een feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als hij ten gevolge van een psychische stoornis niet besefte wat hij deed of, als hij dat wel besefte, niet besefte dat het
wrongwas wat hij deed. De vraag of de verdachte besefte dat hij iets
wrongdeed, moet volgens de rechters niet worden beantwoord volgens de maatstaf of de verdachte in het algemeen beseft wat
right and wrongis. Beslissend is, anders dan bijvoorbeeld nog bij de
wild beast test, of de verdachte niet besefte dat het in concreto gepleegde feit
wrongwas. Daarmee wordt een verband tussen de stoornis en het begane feit verlangd. De term
wrongwordt in dit verband verschillend uitgelegd, variërend van het begrip wederrechtelijk tot moreel onjuist. [140]
McNaghten ruleszijn nog steeds leidend bij de beoordeling van ontoerekenbaarheid in Engeland en Wales. Zij spelen ook nog steeds een belangrijke rol – al dan niet in enigszins aangepaste vorm – in delen van de Verenigde Staten. Wel is kritiek op deze regel geuit. De voornaamste kritiek is dat het criterium te beperkt is, omdat iemand ook onder invloed van een psychische stoornis weliswaar kan beseffen dat wat hij of zij doet
wrongis, maar dat hij of zij het handelen desalniettemin niet kan controleren. [141] Om deze reden zijn in verschillende staten van de Verenigde Staten de
M’Naghten rulesaangevuld, aangepast dan wel vervangen. Ik bespreek daarvan de
irresistible impulse test, de
product testen de
Model Penal Code testbeknopt en in vogelvlucht. [142]
Parsons v. Statevindt de kritiek op de beperkingen van de
M’Naghten rulesweerklank. Het Supreme Court of Alabama oordeelde als eerste hooggerechtshof dat aan deze test de
irresistable impulse testmoet worden toegevoegd:
de irresistible impulse testruimer geïnterpreteerd en staat niet het impulsieve karakter van een handeling centraal, maar het ontbreken van controle over het strafbare handelen. Om die reden wordt ook wel betoogd dat het bij bepaalde interpretaties van deze test beter is om te spreken van een ‘control test’. Slechts in enkele staten fungeert de
irresistible impulse testnog als aanvulling op de
M’Naghten rules. [143] De test is controversieel, omdat aan het strafrecht ten grondslag ligt dat van een burger mag worden verwacht dat hij of zij impulsen die kunnen leiden tot wetsovertreding weerstaat.
M’Naghten ruleste ondervangen, werd gevonden in de zogeheten
product test. Ook deze kwam voort uit de gedachte dat de
M’Naghten rulesachterhaald en onjuist waren, omdat daarin uitsluitend de cognitieve vermogens aan de orde komen. Daarom oordeelt het Superior Court van New Hampshire dat een criterium voor ontoerekenbaarheid niet verder kan gaan dan de algemene formulering dat niemand strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor gedrag dat “the offspring or product of mental disease” is. Op vergelijkbare gronden formuleert enige tijd later het Court of Appeals in Columbia de
product testals volgt:
conditio sine qua non-verband moet bestaan, waarbij de lat voor het aannemen van ontoerekenbaarheid niet hoog lijkt te liggen. De grote invloed van de gedragsdeskundige bij de beoordeling van de invloed van de stoornis op het feit compliceert de rol van de jury als verantwoordelijk voor het vaststellen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid. De
product testheeft geen brede navolging gekregen. [144]
M’Naghten rulesen de
irresistible impuls testen de onduidelijkheid over de
product test, is in delen van de Verenigde Staten een nieuw criterium gangbaar geworden: de
Model Penal Code test. In 1962 heeft het
American Law Institutede
Model Penal Codeuitgebracht, bedoeld als model voor de hervorming van de inconsistente strafwetgeving van de verschillende Amerikaanse jurisdicties. Deze
Model Penal Codeheeft daarmee model gestaan voor veel hercodificaties in een groot aantal Amerikaanse staten. Bijlsma constateerde in 2016 dat de test in vijftien jurisdicties heersend was. De Model Penal Code geeft in artikel 4.01, eerste lid, het volgende criterium:
M’Naghten rules(het cognitieve) en de
irresistible impuls test(het controlerende). In plaats van het accent te leggen op het impulsieve karakter van de handelwijze wordt een meer neutrale formulering gebruikt, die het vermogen tot wetsnaleving centraal stelt. De Model Penal Code vereist slechts het ontbreken van
substantial capacity.Die formulering is het gevolg van gedragswetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat een volledige afwezigheid van besef of controle slechts zeer zelden voorkomt. Bijlsma merkt over de termen “
criminality (wrongfulness)” het volgende op:
insanity testsin Engeland en Wales en de Verenigde Staten laat zien dat een criterium waarin slechts een cognitief element voorkomt als te streng wordt ervaren en dat daarom is gezocht naar een bredere test. Met name de criteria die voortvloeien uit de Model Penal Code laten zien dat ook hier zowel een cognitief als ‘controle’ element van belang wordt geacht.
Enkele voorstellen in de rechtswetenschappelijke literatuur
Een aanzet tot verduidelijking van het toetsingskader
often tijde van het feit sprake was van een stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr Pro, maar ook
welkespecifieke stoornis het betrof.
culpa in causa. Zoals besproken, is vaste rechtspraak dat ontoerekenbaarheid niet aan de orde is ingeval de verdachte verwijtbaar is komen te verkeren in de toestand van een psychische stoornis, bijvoorbeeld door vrijwillig gebruik van verdovende middelen. Deze lijn in de rechtspraak zou in het criterium kunnen worden verwerkt door de woorden “niet verwijtbaar” in te voegen (“niet verwijtbaar sprake was van een stoornis”). Uiteindelijk heb ik daarvan afgezien, omdat
culpa in causain de rechtspraak meer lijkt te fungeren als een uitzondering op de exceptie. Hierbij sluit aan dat bijvoorbeeld in het overzichtsarrest over noodweer en noodweerexces de
culpa in causaaan het slot wordt behandeld onder de aanhef “Enkele bijzondere onderwerpen”. [164]
De klachten - Wat betekent het voorgaande voor deze zaak?
derde middelhoudt in dat het hof in verband met de vraag naar de toerekenbaarheid ten onrechte geen vaststellingen heeft gedaan over de aard van de stoornis en de wijze waarop en de mate waarin deze stoornis het handelen van de verdachte heeft beïnvloed. Ook wordt geklaagd dat het hof het verzoek om de deskundigen Weeda en Geurkink ter zitting te horen heeft afgewezen omdat het hof zich voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een stoornis en, zo ja, in welke mate de stoornis doorwerkte in het ten laste gelegde voldoende geïnformeerd achtte, terwijl het hof bij arrest geen vaststellingen heeft gedaan over de aard van de stoornis en de wijze waarop en de mate waarin deze het gedrag van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde heeft beïnvloed. Het
vierde middelbevat de klacht dat het hof heeft geoordeeld dat de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zonder dat het hof enige vaststelling over de aard van de stoornis heeft gedaan en bij de beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid heeft betrokken, terwijl het hof op andere punten wel is uitgegaan van de conclusies van twee van de rapportages dat er ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een psychotische ontregeling. De stellers van het middel menen dat het bestreden arrest in zoverre innerlijk tegenstrijdig is. Het
vijfde middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
vierde middelover de gestelde innerlijk tegenstrijdige overwegingen in het arrest te bespreken.
Het vierde middel
tevensverband hield met zijn psychotische ontregeling, impliceert dat dit ook voor de bewezen verklaarde feiten geldt en dat het hof de bewezen verklaarde feiten vervolgens in verband brengt met de ‘opdracht om te doden’. Hiermee lijkt het hof volgens de stellers van het middel de conclusie van Den Boer en Vermeulen dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een psychotische ontregeling, over te nemen.
4.3.2 De op te leggen straf en maatregel
daarmeein direct verband met de ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezige stoornis. Ook uit deze overweging volgt dat het hof is uitgegaan van een ziekelijke stoornis met psychotische kenmerken.
Het derde en vijfde middel
derdeen
vijfde middelbespreken. Het
derde middelkomt er in de kern op neer dat het hof de vraag naar de toerekening niet kon beantwoorden zonder vaststellingen te doen over de aard van de psychische stoornis en de doorwerking daarvan in het denken en handelen van de verdachte. De stellers van het middel betogen dat het hof ten onrechte enkel op grond van de verklaringen van de verdachte tot een oordeel is gekomen over de toerekening, zonder daarbij de mogelijke symptomen van de stoornis en de invloed daarvan op het gedrag van de verdachte te betrekken. Ook de afwijzing van het verzoek tot het horen van de deskundigen Weeda en Geurkink is volgens hen daarom niet begrijpelijk. Het
vijfde middelligt in het verlengde daarvan en komt er in de kern op neer dat het hof een onjuist beoordelingskader heeft toegepast, dan wel dat de toepassing daarvan niet begrijpelijk is.
voorafgaand aande feiten (“tot ver vóór de gepleegde strafbare feiten”) geen keuze heeft gemaakt, laat bovendien onverlet dat zulks niet geldt voor de situatie
ten tijde vande ten laste gelegde feiten, terwijl de toestand ten tijde van de strafbare feiten bepalend is voor de beoordeling van de ontoerekenbaarheid.
specifiekestoornis kan vaststellen, maar wel dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
specifiekestoornis vaststelt, falen zij omdat zij in zoverre berusten op een eis die het recht niet stelt. Ik verwijs hiertoe naar onderdelen 144 tot en met 146 van deze conclusie. Van een onjuiste rechtsopvatting is in zoverre geen sprake, ook niet wat betreft de afwijzing van het verzoek tot het horen van de deskundigen Weeda en Geurkink. De middelen falen in zoverre.
doch niet volledig, werd bepaald door zijn ziekelijke stoornis. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat sprake is van causaal verband tussen de stoornis en de begane feiten (de tweede vraag), terwijl het hof voor de beantwoording van de vraag naar de toerekening (de derde vraag) de mate van doorwerking van de stoornis in het inschattings- en sturingsvermogen van de verdachte in aanmerking heeft genomen. In dat verband heeft het hof gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de stoornis er niet aan in de weg stond dat de verdachte in enige mate in staat was een afweging te maken en dat hij voldoende in staat was in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid (en de morele ongeoorloofdheid) van de feiten te handelen. Aldus gelezen, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.
voorafgaand aan de feitenin overeenstemming zijn met hetgeen de verdachte zich daadwerkelijk herinnert of een latere invulling zijn of een verhaal om zijn daden te disculperen. Daarin ligt besloten dat het hof, ook als van al deze verklaringen moet worden uitgegaan, van oordeel is dat het beroep op ontoerekenbaarheid niet kan slagen. Het hof heeft daarbij de vaststellingen
ten tijde vande bewezen verklaarde feiten doorslaggevend geacht. Dat oordeel is in het licht van het hiervoor besproken toetsingskader niet onbegrijpelijk.