Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
- die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] (aan) zijn penis laten aanraken en/of trekken en
- de borsten van die [benadeelde 1] aangeraakt.”
Het oordeel van het hof dat er voldoende steunbewijs bestaat voor de verklaring van [benadeelde 1] - waarmee het hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [benadeelde 1] - is niet zonder meer begrijpelijk, gelet op het gewicht van de voor het bewijs gebruikte verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel. Daarnaast heeft het hof, mede gelet op wat onder 2.5.2 is overwogen, onvoldoende blijk ervan gegeven te hebben beoordeeld of er een goede reden bestond voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid. Hierbij is nog van belang dat het hof weliswaar de belangen van de getuige heeft benoemd die zich verzetten tegen het horen als getuige, maar die belangen niet heeft afgewogen tegen de belangen die met de uitoefening van het ondervragingsrecht zijn gemoeid.
Dat het hof compenserende factoren heeft benoemd en bij zijn oordeel heeft betrokken, leidt niet tot een ander resultaat. De door het hof in aanmerking genomen factoren - het kunnen kennisnemen door de verdediging en de rechter van een audiovisuele registratie van het al afgenomen verhoor van de getuige, het onderzoek door de deskundige van de wijze van afname van het verhoor, het bieden van gelegenheid tot het stellen van aanvullende schriftelijke vragen aan de deskundige en het horen van een andere getuige - kunnen op zichzelf van belang zijn voor het bieden van compensatie voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige. Nu het hof daarbij echter niet heeft meegewogen in hoeverre sprake was van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid, kan uitsluitend het in aanmerking nemen van het bestaan van dergelijke compenserende factoren niet het oordeel dragen dat de beslissing om het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
25 mei 2021.