Conclusie
1
II.De achtergrond van deze zaak
Inleiding
De onderzoekswensen van de verdediging
Verstrekken van stukken om deze aan het dossier te voegen:
The Court has established that the surveillance of communications and telephone conversations (including calls made from business premises, as well as from the home) is covered by the notion of private life and correspondence under Article 8 (Halford v. the United Kingdom, § 44; Malone v. the United Kingdom, § 64; Weber and Saravia v. Germany (dec.), §§ 76-79).”
The protection of personal data is of fundamental importance to a person’s enjoyment of his or her right to respect for private and family life as guaranteed by Article 8 and the fact that information is already in the public domain will not necessarily remove the protection of Article 8 (Satakunnan Markkinapörssi Oy and Satamedia Oy v. Finland [GC], §§ 133-134). This Article provides for the right to a form of informational self-determination, allowing individuals to rely on their right to privacy as regards data which, albeit neutral, is collected, processed and disseminated collectively and in such a form or manner that their Article 8 rights may be engaged.”
clear, foreseeable and adequately accessible’moet zijn.
Even when the letter and spirit of the domestic provision in farce at the time of the events were sufficiently precise, its interpretation and application by the domestic courts to the circumstances of the applicant’s case must not be manifestly unreasonable and thus not foreseeable within the meaning of Article 8 § 2. For instance, in the case of Altay v. Turkey (no. 2), the extensive interpretation of the domestic provision did not comply with the Convention requirement of lawfulness (§ 57).”
As to the question whether an interference was “necessary in a democratic society’’ in pursuit of a legitimate aim, the Court has acknowledged that, when balancing the interest of the respondent State in protecting its national security through secret surveillance measures against the seriousness of the interference with an applicant’s right to respect for his or her private life, the national authorities enjoy a certain margin of appreciation in choosing the means for achieving the legitimate aim of protecting national security. However, this margin is subject to European supervision embracing both legislation and decisions applying it. In view of the risk that a system of secret surveillance set up to protect national security may undermine or even destroy democracy under the cloak of defending it, the Court must be satisfied that there are adequate and effective guarantees against abuse. The assessment depends on all the circumstances of the case, such as the nature, scope and duration of the possible measures, the grounds required for ordering them, the authorities competent to authorise, carry out and supervise them, and the kind of remedy provided by the national law. The Court has to determine whether the procedures for supervising the ordering and implementation of the restrictive measures are such as to keep the “interference’’
the question which must be answered is whether the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, were fair”.
The Court further reiterates that Article 6, more specifically Article 6 § 3 (b), guarantees the accused “adequate time and facilities for the preparation of his defence” and therefore implies that the substantive defence activity on his or her behalf may comprise everything which is “necessary” to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the possibility to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings. Furthermore, the facilities which should be enjoyed by everyone charged with a criminal offence include the opportunity to acquaint him- or herself, for the purposes of preparing his defence, with the results of investigations carried out throughout the proceedings. The issue of adequacy of time and facilities afforded to an accused must be assessed in the light of the circumstances of each particular case (see Leas, cited above, § 80, with further references).”
The Court further notes that the military court refused to disclose the materials relevant to the authorisation of the wiretapping because they “related to the operational and search activities” of the police. Neither the domestic courts nor the Government in their observations claimed that the materials sought by the defence had been irrelevant or unimportant for the outcome of the case, and it cannot from the outset be ruled out that the materials in question could have been helpful for the defence, which would, therefore, have a legitimate interest in seeking their disclosure.”
Turning to the present case, the Court notes that the applicant, claiming access to the surveillance file, mainly relied on two arguments. Firstly, he sought to establish whether the use of the surveillance measures had been lawful and, secondly, he argued that the principle of the equality of arms had required that he had the same opportunity as the prosecution to choose evidence from the surveillance file. Furthermore, it transpires from the applicant’s arguments that he had certain concerns as to whether L. had in fact received instructions from the police, which would have amounted to unlawful surveillance and could have resulted in parts of the evidence being inadmissible.”
clear, forseeable en adequately accessibelewas, zoals uit het vorige hoofdstuk bleek. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe een machtiging ex artikel 126uba Sv gevraagd en gekregen, maar de vraag is of dit artikel strookt met artikel 8 EVRM Pro. Het EHRM heeft namelijk in Centrum För Rattvisa tegen Zweden eisen geformuleerd waar een wettelijke grondslag op grond waarvan grootschalige verwerking van communicatiegegevens kan plaatsvinden moet voldoen:
Vanwege de voorzienbare inbreuk die de interceptie van de Encrochatdata op de persoonlijke levenssfeer van de Nederlandse gebruikers van deze dienst zou hebben, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om, mogelijk ten overvloede, in Nederland een rechterlijke toetsing te vorderen die strikt genomen het Nederlandse Wetboek van Strafvordering niet als zodanig kent.”
Het internationaal vertrouwensbeginsel brengt met zich mee dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt is te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107 en HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). De rechtbank constateert dat het internationale vertrouwensbeginsel in deze zaak aan de orde is. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank in beginsel mag en moet veronderstellen dat de verwerving van de Encrochat-communicatie in Frankrijk rechtmatig heeft plaatsgevonden. Zulks lijdt slechts uitzondering indien een gegrond vermoeden bestaat dat sprake is van een flagrante schending van de fundamentele rechten van verdachte zoals die worden gewaarborgd in het EVRM dan wel dat feitelijk sprake is van een onderzoek onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten in Frankrijk.”
De rechtbank stelt voorop dat in het kader van deze verzoeken relevant is dat in Frankrijk de inzet van de interceptietool en de daarvoor benodigde aanvragen en toetsing heeft plaatsgevonden. De Encrochat data is in Frankrijk verzameld op basis van Franse strafvorderlijke bevoegdheden waarvoor een Franse rechter een machtiging heeft verleend. Daarbij heeft het OM vanaf het begin benadrukt, en laatstelijk in de brief van 24 maart 2021 bevestigd, dat sprake is geweest van een Frans strafrechtelijk opsporingsonderzoek naar het bedrijf Encrochat. Frankrijk heeft de aanvraag tot machtiging en inzet op basis van eigen feiten en omstandigheden onderbouwd, waarbij Nederland geen feiten en omstandigheden betreffende lopende Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken heeft aangedragen om de aanvraag van de machtiging nader te onderbouwen.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van het vertrouwensbeginsel zoals hiervoor uiteen is gezet, uitgangspunt is dat de Nederlandse strafrechter erop moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 EVRM Pro heeft plaatsgevonden.
4.2. Met betrekking tot de beoordeling van verweren betreffende de rechtmatigheid van opsporingsonderzoek of van onderzoek in de daaraan voorafgaande fase dat heeft plaatsgevonden in het buitenland, moet het volgende worden vooropgesteld.
4.4.2. Ten aanzien van onderzoekshandelingen in het buitenland waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dient de Nederlandse strafrechter te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels die dat optreden normeren – waarvan de hiervoor genoemde verdragsrechten deel uitmaken – zijn nageleefd.”
Meestal krijgen we een zaak waarbij we bewijs moeten zoeken. Nu hadden we het bewijs, maar moesten we vol aan de bak om uit te zoeken hoe de zaak zat. Waar die criminelen zaten, wie het waren.”
De rechtbank is voorshands van oordeel dat niet gezegd kan worden dat een mogelijk vormverzuim bij toegepaste Encrochathack niet van bepalende invloed zou kunnen zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten in zaaksdossiers Lamp en Barca.
De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.”
I didn’t take a time for discuss all detail with our Dutch partners. (...) I need to talk with them for decide the start day”?
verwerkingshandelingen. De vraag is vervolgens of artikel 126uba Sv daartoe een toereikende grondslag biedt. Wat de verdediging betreft is dat niet het geval. Uit de wettekst volgt niet dat op basis van deze bepaling de bevoegdheid kan ontstaan om vergaarde communicatiegegevens
te verwerken. Met het verwerken (en dus ook analyseren) van de berichten gaat men immers verder dan het enkele vastleggen, waar de wettekst over spreekt. De officieren zien dat anders. Zij menen dat het meerdere (het inzetten, en vergaren/opnemen) is gevraagd om het mindere (analyse, gebruik en bewaren) toe te passen. Over de vraag wat nu eigenlijk het meerdere of mindere is valt te twisten. Het is maar de vraag of het verzamelen van de gegevens (in de visie van het Openbaar Ministerie: het meerdere) een grotere inbreuk op de privacy vormt dan (in de visie van het Openbaar Ministerie: het mindere) de verwerking van gegevens. Het is meer dan voorstelbaar dat bij de daadwerkelijke koppeling en analyse van gegevens (de verwerking) veel meer informatie naar voren komt dan de informatie die verkregen wordt bij het enkele vergaren van gegevens; zodat de inbreuk op de privacy bij de
verwerkinggroter geacht moet worden te zijn dan bij de
vergaring. In de visie van de verdediging is de wet – en (Straatsburgse) jurisprudentie helder. Voor ingrijpende (privacy)inbreuken is een
toereikendewettelijke grondslag vereist. Die lijkt er niet te zijn geweest waar het de verwerking van de gegevens betreft en de verdediging wenst dat nader te onderzoeken.
Naar het oordeel van deze rechtbank brengt het voorgaande, anders dan door sommige andere rechtbanken is overwogen, mee dat het materiële interstatelijke vertrouwensbeginsel in strikte zin niet van toepassing is. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat er sprake is geweest van een sterke verwevenheid van de opsporingsactiviteiten in Frankrijk en Nederland. Er is binnengedrongen in de server van Encrochat die in Frankrijk was gestationeerd maar ook op telefoontoestellen van gebruikers in Nederland. Bovendien werden de resultaten van de “hack” min of meer direct doorgegeven aan de politie in Nederland. De op vordering gegeven beschikking van de rechter-commissaris waarin machtiging werd verleend tot het binnendringen in de telefoontoestellen van de NN-gebruikers in Nederland geeft van die sterke verwevenheid eveneens blijk. En tot slot gaat het, zoals hiervoor besproken, niet om de overdracht van resultaten van opsporing, op basis van een verzoek om (kleine) rechtshulp in de klassieke betekenis van het woord. Evenmin gaat het om de verstrekking (al dan niet op verzoek van Nederland) van resultaten van opsporing van door de autoriteiten in een vreemde staat zelf geïnitieerd onderzoek. Maar het gaat om direct gedeelde gegevens die voortkomen uit opsporingsonderzoek dat in gecoördineerde vorm met de Fransen is opgezet en uitgevoerd.
onderscheppingvan de berichten (de daadwerkelijke hack’s), en vervolgens om onrechtmatigheden bij de
verwerkingvan de berichten. Het gaat er daarbij ook steeds om in hoeverre er sprake is geweest van een toereikende wettelijke grondslag.”
De beslissing van het hof
gebruik(cursivering door hof aangebracht) wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).” (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).
Het beoordelingskader voor onderzoekswensen
equality of armsmerkt de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913 onder meer op:
equality of armshoudt, als “one of the features of the wider concept of a fair trial”, in dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a disadvantage
vis-à-vishis opponent”. Het EHRM heeft over de betekenis van dit beginsel voor de behandeling van strafzaken onder meer het volgende overwogen:
Het eerste middel en de bespreking daarvan: het vertrouwensbeginsel
nietin overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. Enkel in dat geval dient de Nederlandse strafrechter aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren na te gaan of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim. Het in de overwegingen van het hof besloten liggend oordeel dat van zo een in Frankrijk onherroepelijk vastgesteld verzuim kennelijk geen sprake is, acht ik, gelet op de voorlopige vaststellingen van het hof alsook het door de verdediging gevoerde verweer, niet onbegrijpelijk. Daar komt bij, gelijk de overwegingen van het hof inhouden, dat een eventuele inbreuk op de soevereiniteit van Nederland geen belang van de verdachte is. Met zijn oordeel dat de verdediging door de afwijzing niet in zijn belang wordt geschaad, nu die onderzoekswensen tot doel hebben meer inzicht te krijgen in de rechtmatigheid van de EncroChat-hack, terwijl het hof daarover geen oordeel dient te vellen, miskent het hof dan ook niet het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro.
Het tweede middel en de bespreking daarvan: een voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv
omdatsprake is van een ander voorbereidend onderzoek, althans niet van een vormverzuim met ‘bepalende invloed’, ongeoorloofd vooruitgelopen op beslissingen in de zin van art. 348/350 Sv, als gevolg waarvan sprake is van (ten minste de gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid;
NJ2021/169, m.nt. Jörg is onder meer de beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij het ‘voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte nader uitgewerkt. De Hoge Raad zegt daarover:
de verdachteter zake van
het aan hem tenlastegelegde feit. Blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof daarbij het kader van art. 132 en Pro art. 132a Sv voor ogen gehad. Voor zover het middel betoogt dat ‘s hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het niet is uitgegaan van het bepaalde in de artikelen 132 en 132a Sv, maar de uitleg van het begrip ‘voorbereidend onderzoek’ ten onrechte afhankelijk heeft gesteld van de titel waarbinnen de betreffende opsporingsbevoegdheden zijn ondergebracht in het Wetboek van Strafvordering, berust het derhalve op een onjuiste lezing van het arrest. Met zijn overwegingen over het Titel-V karakter van het onderzoek 26Lemont heeft het hof naar mijn inzicht, mede gezien zijn vaststellingen daaromtrent (zie daarover nader onder randnummer 13), juist tot uitdrukking willen brengen dat dit onderzoek niet gericht was tegen de verdachte aangaande het aan hem in het onderzoek Vlierbes tenlastegelegde feit, maar dat het onderzoek zag op het bedrijf EncroChat en zijn medewerkers enerzijds en NN-gebruikers van de EncroChat-dienst anderzijds – die nog niet waren geïdentificeerd en ook nog geen verdachten waren in de zin van art. 27 Sv Pro – in het kader van een verdenking dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd. Dat oordeel komt mij, mede in het licht van het hiervoor geschetste juridisch kader, niet onbegrijpelijk voor en is, het door de verdediging ter terechtzitting aangevoerde daarbij in aanmerking nemend, niet ontoereikend gemotiveerd.
omdatsprake is van een ander voorbereidend onderzoek”. Het hof heeft immers niet méér gedaan dan vast te stellen dat
door de verdediginggeen aanknopingspunten naar voren zijn gebracht voor de aanwezigheid van een vormverzuim en dat
vooralsnoggeen aanwijzingen bestaan dat de rechter-commissaris op grond van enige onrechtmatigheid in het 26Lemont-onderzoek tot een beslissing is gekomen. Daarmee heeft het hof zijn afwijzende tussenbeslissing op de onderzoekswensen nader gemotiveerd binnen de grenzen die de wet daaraan stelt en zonder vooruit te lopen op de vragen van art. 348 en Pro 350 Sv.
Inleiding
Het aanhoudingsverzoek van de verdediging
In het onderzoek Shifter heeft de rechtbank Noord-Nederland reeds besloten om gebruik te maken van de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. (...) In dat kader acht de rechtbank van belang dat de prejudiciële procedure van de rechtbank Noord-Nederland ziet op de reikwijdte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en – hiermee communicerend – ook de rol van de Nederlandse rechter in het zogenaamde brononderzoek van dit onderzoek. De beantwoording van de prejudiciële vragen in het onderzoek Shifter is mogelijk van belang voor beslissingen c.q. de beantwoording van de vragen van artikel 348/350 Sv in het onderzoek 26Velp. De rechtbank heeft bij haar afweging oog voor het onwenselijke gevolg dat de behandeling van de onderhavige zaken verdere vertraging oploopt en er zittingsruimte verloren gaat. Echter is de beantwoording van de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen prejudiciële vragen voor het onderzoek 26Velp mogelijk van zodanig belang dat dit doorslaggevend dient te zijn.”
De beslissing van het hof
régularitéen
loyauté(regelmatigheid/rechtmatigheid en billijkheid) van het aanvankelijk verzamelde bewijsmateriaal te beoordelen, zonder enige afbreuk op hun fundamentele rechten.” (r.o. 14). Voorts verwijst het Cour de Cassation (r.o. 21) naar het antwoord dat de Franse Conseil Constitutionnel (Grondwettelijke Raad) op 8 april 2022 ((Besluit nr. 2022-987) heeft gegeven op de vraag van het Cour de Cassation of het artikel waarop de interceptie is gebaseerd (artikel 706-102-1 van het Franse Wetboek van Strafvordering) strijdig is met de Franse grondwet. Het antwoord van de Conseil Constitutionnel luidt dat dit artikel hiermee niet in strijd is.
De bespreking van het middel
Inleiding
Het verweer van de verdediging
Gelet op de aard en inhoud van de, ingevolge de opdracht ingebrachte, stukken valt niet in te zien dat en waarom deze stukken niet eerder, eigener beweging, door het openbaar ministerie aan het dossier hadden kunnen worden toegevoegd.”
Ze zijn afkomstig uit het onderzoek 26Lemont naar de EncroChat-provider van versleutelde telefoons. Dit onderzoek starttenwejaren geleden met Franse partners en met ondersteuning door Europol. Een bewuste keuze, omdat bekend was dat criminelen zich anoniem waanden op dit soort middelen en daarom vrijuit spraken. In het voorjaar van 2020 bereikten we een doorbraak.”
De rechtbank moet er echter op kunnen vertrouwen dat de mededelingen van het Openbaar Ministerie juist zijn en doet dit ook, tenzij evident zou blijken van het tegendeel, hetgeen hier niet aan de orde is”. Inmiddels blijkt duidelijk dat uw rechtbank niet kan vertrouwen op de mededelingen van het Openbaar Ministerie. Uit de stukken uit het buitenland blijken die mededelingen namelijk niet te kloppen. Onze suggestie is daarom dat uw Hof oordeelt dat als het Openbaar Ministerie in strijd met de waarheid mededelingen heeft gedaan, uw Hof op de juistheid van de stellingen van het OM niet kan vertrouwen.
De rechtbank constateert op grond van het voorgaande dat het Openbaar Ministerie zowel ten aanzien van EncroChat als ten aanzien van SkyECC aanvankelijk heeft gesteld dat het om een Franse interceptietool gaat. Ten aanzien van EncroChat is eerst benadrukt dat Nederland geen rol bij de ontwikkeling en uitvoering van de interceptietool heeft gespeeld. Later is echter in strafzaken in het land naar voren gebracht dat Nederlandse opsporingsambtenaren ten tijde van de ontwikkeling en plaatsing van de interceptietool technische expertise en/of bijstand hebben geleverd aan Frankrijk.
In de stukken worden verschillende einddata genoemd van de livefase: 14, 20 of 26 juni 2020.’
De beslissing van het hof
het hof begrijpt: de hieronder, bij voorwaarde 4 van de rechter-commissaris, bedoelde “lijst-zaken”) kreeg overhandigd.
het plaatsenvan een interceptietool op de server bij EncroChat.
inzetvan de interceptietool die leidde tot het onderscheppen van telefoondata werd door de Franse rechter gegeven en verlengd tot en met in ieder geval juni 2020.
De bespreking van het middel
NJ2021/169, m.nt. Jörg, waarin dit kader voor het laatst is aangescherpt. Daarin is de maatstaf, zoals geformuleerd in HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
NJ2004/376, m.nt. Buruma, dat alleen plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring wanneer ernstig inbreuk gemaakt is op “beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan”, verduidelijkt. Volgens rechtsoverweging 2.5.2 in het arrest van 1 december 2020 moet het gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het EHRM – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
onherstelbaarvormverzuim. [21] Het hof hoefde het verweer van de verdediging dan ook niet te beoordelen aan de hand van de in art. 359a Sv-rechtspraak neergelegde maatstaf. Het oordeel van het hof dat evenwel niet kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie “welbewust en met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte” onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt, berust in zoverre dan ook niet op een onjuiste rechtsopvatting. Overigens lijkt het hof daarmee te hebben willen responderen op de bewoordingen van het verweer van de verdediging. Blijkens meergenoemde pleitnotities is ter terechtzitting immers aangevoerd dat met het handelen van het openbaar ministerie “sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van cliënt en aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan”.
NJ1997/308, m.nt. Schalken, waarin de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens “misleiding van de rechter” die erop gericht was “een toetsing door de rechter van de methode in de onderhavige strafzaak te frustreren” in stand bleef, hier niet opgaat.
Inleiding
Het verweer van de verdediging
geensprake was van (bijvoorbeeld) onderzoekshandelingen in het buitenland (i.c. Frankrijk), onder
medeverantwoordelijkheidvan Nederland. Het arrest gaat ook niet in op onderzoekshandelingen, al dan niet onder medeverantwoordelijkheid van Nederland, op Nederlands grondgebied. Voorzichtigheid bij de interpretatie van het in dit arrest neergelegde vertrouwensbeginsel is dus geboden.
4.3.De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.”
Dat betekent nog niet dat eventuele gebreken in die eerste, buitenlandse fase tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of onbruikbaarheid van het door de pseudo-koop verkregen bewijsmateriaal zouden moeten leiden,maar wel dat voldoende mogelijkheden tot controle ten aanzien van de fase in het buitenland voor de rechter noodzakelijk kunnen zijn om tot een beslissing in de zaak te kunnen komen.” En “Gelet op de ter zitting door de procureur-generaal gedane mededeling dat de Duitse autoriteiten bereid waren ter terechtzitting te verschijnen en opheldering te verschaffen, vind ik de overweging dat er onvoldoende mogelijkheden tot controle zijn, onbegrijpelijk.Dit zou toch pas kunnen worden vastgesteld nadat de Duitse autoriteiten ter zake zijn gehoord en gebleken is welke informatie verschaft kan worden. Daarbij lijkt het mij uit het oogpunt van samenwerking tussen de justitiële autoriteiten van verschillende landen ook wenselijk dat de rechter, indien hij het verschaffen van nadere informatie noodzakelijk acht, dit aan de buitenlandse autoriteiten duidelijk maakt en hen daartoe de gelegenheid geeft, zodat zij op grond van dat verzoek hun standpunt kunnen bepalen.”
Daarbij heeft het Hof echter onderkend dat in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een aanvankelijk in het buitenland aangevangen onderzoek, de buitenlandse autoriteiten zullen handelen volgens hun eigen voorschriften die kunnen afwijken van de Nederlandse regels en dat niet aan iedere afwijking consequenties behoren te worden verbonden.Voor zover het middel op de opvatting berust dat het vertrouwensbeginsel meebrengt dat in een geval als het onderhavige de besluitvorming en het handelen van de buitenlandse autoriteiten (...) niet door de Nederlandse rechter zouden mogen worden getoetst, kan die opvatting niet als juist worden aanvaard”. Met andere woorden: de redenering dat buitenlands optreden niet kan/mag worden getoetst is niet juist.
de vertrouwensregel mag niet zo ver worden opgerekt, dat ook de verenigbaarheid van het vreemde recht met het EVRM – die de rechter overigens wel betrekkelijk makkelijk kan beoordelen – wordt voorondersteld.”
De Nederlandse strafrechter toetst deze activiteiten, in het bijzonder nu het gaat om opsporingsactiviteiten verricht door ambtenaren van een bij het EVRM aangesloten staat, in beginsel niet. Uitgangspunt is dat de buitenlandse opsporingsautoriteiten hebben gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke nationale rechtsregels en dat dit niet in strijd is met het toepasselijke verdragsrecht, waaronder begrepen het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 van Pro het EVRM. Dit uitgangspunt, voortvloeiend uit het zogeheten interstatelijk vertrouwensbeginsel,vindt zijn begrenzingals wordt vermoed dat schending van mensenrechtelijke bepalingen, die een ongeclausuleerde en absolute bescherming bieden, heeft plaatsgevonden.” In beginsel dus geen toetsing, maar de werking van het vertrouwensbeginsel wordt begrensd bij een vermoeden van schendingen.
Een uitzondering op dit vertrouwensbeginsel wordt gemaakt indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin sprake zou kunnen zijn van het niet respecteren van verdedigingsrechten zoals die voorvloeien uit het EVRM (vgl. EHRM 27 juni 2000, NJ 2002, 102 en HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365).”
de uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in artikel 5.2.1, geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens dit wetboek en de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam betrokken landen geldende verdragen.”
verregaandeinvloed hebben gehad op de inzet van de interceptietool de onverkorte toepassing van het vertrouwensbeginsel niet langer aan de orde zou zijn. Van die situatie is sprake.
joint operation between the French and the Dutch”. De Nederlanders “
have been our partners all along”. Bovendien – en dat laat echt zien hoever de Nederlandse verantwoordelijkheid gaat – moeten de Nederlandse opsporingsautoriteiten toestemming verlenen voordat de onderschepte data door de Fransen met de Engelsen gedeeld mochten worden. Als de Fransen zelfstandig verantwoordelijk waren voor de hack, waarom beslissen de Nederlanders dan overal in mee? Waarom kon de hack volgens de Franse agent pas van start gaan nadat de Nederlanders daar toestemming voor verleend hadden: (“
I didn’t take a time for discuss all detail with our Dutch partners. (...) I need to talk with them for decide the start day”)?
private life, vallen ook de privacy en het recht op correspondentie. Volgens het EHRM valt de surveillance onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM Pro. Onderschepping van communicatie, dus ook de onderschepping van Encrochat berichten levert in beginsel een inbreuk op het recht op
private lifeop. Een dergelijke inbreuk is gerechtvaardigd als deze in ‘
accordance with the law’ is, een van de in lid 2 genoemde gerechtvaardigde belangen dient én ‘
necessary in a democratic society’ is.
in accordance with the law’ moet zijn, brengt met zich mee dat de opsporingsautoriteiten op grond van een specifieke wettelijke bepaling moeten hebben gehandeld. Deze wettelijke bepaling moet ‘
clear, foreseeable and adequately accessible’ zijn.
fair trialop. Dat betekent echter niet dat de onrechtmatigheid van de bewijsvergaring niet van invloed kan zijn op de eerlijkheid van het proces “as a whole”.
equality of armsen
adversarial proceedings. Het EHRM heeft overwogen dat ‘
both prosecution and defence must be given the opportunity to have knowledge of and comment on the observations filed and the evidence adduced by the other party’. Daarnaast vereist het recht op een eerlijk proces volgens het Europese Hof dat “
the prosecution authorities disclose to the defence all material evidence in their possession for or against the accused”.
equality of arms, wat meebrengt dat de verdachte moet kunnen beschikken over ‘
adequate time and facilities for the preparation of his defence’, volgt dat de verdediging toegang moet krijgen tot alle gegevens die noodzakelijk zijn om alle relevante verweren aan de strafrechter voor te leggen. Het kan dan gaan om mogelijk ontlastend bewijsmateriaal. Nu de stukken met betrekking tot de interceptie van de Encrochat gesprekken in Frankrijk niet aan de processtukken zijn toegevoegd, is in beginsel sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro, een schending van het recht op een eerlijk proces. Het EHRM nam in de zaak
Leas t. Estlandeen schending van artikel 6 EVRM Pro aan, omdat de verdachte niet de beschikking had gekregen over stukken die waren verzocht om te beoordelen of de surveillance waaraan hij was onderworpen op rechtmatige wijze had plaatsgevonden. De verdediging heeft meerdere malen gevraagd om onderliggende stukken, maar deze stukken zijn niet verstrekt.
geenverdenking bestond dat zij in georganiseerd verband misdrijven beraamden of pleegden. Dat is de crux (en dan zijn we weer terug bij de stelling van politiechef [betrokkene 4] : “
Normaal is het zo dat we in een zaak op zoek zijn naar bewijs. Dat hebben we nu helemaal omgedraaid. Al ons bewijs zoekt nu naar een zaak”).
Anders gezegd: als artikel 126uba Sv het meerdere toestaat (het hacken) dan staat 126ubaSv ook het mindere toe, het onderzoeken van de data.” Die uitspraak valt niet te volgen. De hack op zichzelf is een inbreuk op het privéleven, maar het verwerken en doorzoeken van die gegevens gaat veel verder. Daarmee valt immers een min of meer volledig beeld van iemand persoonlijke leven te verkrijgen. Of analoog: de inval in een woning is ingrijpend en gaat ver, maar de daaropvolgende doorzoeking gaat nog veel verder.
private lifeoplevert. Een schending van de privacy is ook geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering en de ernst van het verzuim is er ruim om strafvermindering te kunnen rechtvaardigen.
private lifeoplevert.
De beslissing van het hof
het hof begrijpt: op rechtmatigheid) zou moeten toetsen.
medeverantwoordelijkis voor de verkrijging van de EncroChat-gegevens middels de interceptietool.
op voorhand is te verwachten of is te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kan zijn.
Het vijfde middel en de bespreking daarvan: het vertrouwensbeginsel
NJ1915, p. 427, geldt dat beide gevallen betrekking hebben op de
rechtsmachtvan de betreffende landen, en niet op de vraag op of vanaf welk grondgebied bepaalde opsporingsbevoegdheden zijn uitgeoefend.
in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op een bewijsmiddel dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechters geen kennis hebben en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten?” De stellers van het middel verwijzen met het gecursiveerde onderdeel naar rechtsoverweging 44 uit het arrest
Prokuratuurvan het Hof van Justitie. [26] Deze rechtsoverweging heeft betrekking op de situatie dat sprake is van informatie en bewijzen die in strijd zijn met de voorschriften van het Unierecht. Dat is in de onderhavige zaak in hoger beroep weliswaar veelvuldig door de verdediging betoogd, maar niet als zodanig komen vast te staan. Reeds hierom zie ik geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek tot het stellen van deze vraag. Dat geldt evenzo voor de derde en laatste vraag van de stellers van het middel, hoe het voorgaande zich verhoudt “met het waarborgen van fundamentele (mensen)rechten via een
effective remedyzoals die, ook in het kader van het overleggen/bewaren van digitaal bewijsmateriaal in strafzaken, wordt voorgestaan in het Unierecht/door de Europese Commissie”. [27]
Het zesde middel en de bespreking daarvan: een voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv
equality of arms. Daarnaast klaagt het middel dat dit oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd. Ook dit middel komt met een subsidiair verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het EHRM.
equality of armsomdat de verdediging niet de rechtmatigheid van de interceptie van de EncroChat-gesprekken in Frankrijk heeft kunnen controleren, nu de stukken die daarop betrekking hebben niet aan de processtukken zijn toegevoegd.
NJ2013/1, m.nt. Reijntjes (
Stojkovic tegen Frankrijk en België). In die zaak deed zich het volgende voor. De verdachte, die woonachtig was in België, werd verdacht van betrokkenheid bij een gewapende overval in Frankrijk. Een Franse onderzoeksrechter deed een rechtshulpverzoek aan de Belgische autoriteiten tot het horen van de verdachte als een ‘getuige, voorzien van rechtsbijstand’ (témoin assisté). Uit dat verzoek bleek dat reeds sprake was van een verdenking jegens de verdachte. De verdachte werd desondanks zonder bijstand van een advocaat gehoord in België en bekende vervolgens betrokken te zijn geweest bij de genoemde overval en bij twee andere overvallen. Hij werd hierna aan de Franse autoriteiten overgedragen en veroordeeld voor de drie overvallen, mede op basis van zijn bij de Belgische politie afgelegde verklaringen. Het EHRM constateerde een schending van art. 6 EVRM Pro. De wettelijke regeling waaronder het verhoor had plaatsgevonden in België was uiteraard niet toe te rekenen aan de Franse autoriteiten, die ingevolge internationale verplichtingen onderworpen waren aan de toepassing van de Belgische nationale strafvorderlijke bepalingen. Desalniettemin ontslaat dat gegeven de Franse autoriteiten er niet van om achteraf na te gaan of de betreffende onderzoekshandelingen waren uitgevoerd in overeenstemming met de fundamentele beginselen die zijn ontleend aan het recht op een eerlijk proces. [34] Tegen die achtergrond houd ik het ervoor dat de rechter stil zal moeten staan bij de wijze van verkrijging van onderzoeksresultaten in het buitenland in gevallen waarin is gebleken, althans voldoende concrete aanwijzingen bestaan, van schendingen van de beginselen van het recht op een eerlijk proces, zoals een schending van de Salduz-rechtspraak [35] , die er bijgevolg toe kunnen leiden dat het gebruik van deze resultaten voor het bewijs in een Nederlandse strafzaak in strijd komt met het recht op een eerlijk proces van de verdachte.
equality of armsrecht heeft op inzage in de stukken die betrekking hebben op niet alleen de feiten van de zaak alsook op de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van het bewijs, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Nog daargelaten het feit dat het beginsel van
equality of armsniet absoluut geldt, mag van de verdediging worden verlangd dat zij een
onderbouwdverzoek doet tot het voegen van of inzien van de verzochte informatie, waarbij die onderbouwing betrekking moet hebben op het belang van de voeging dan wel de inzage in het licht van de beslissingen die in de strafzaak kunnen en moeten worden genomen. [38] Zoals reeds aan bod kwam bij de bespreking van het eerste en het tweede middel, kon de verzochte informatie over de inzet van de interceptietool in Frankrijk de verdachte niet baten in zijn verdediging, nu de Nederlandse strafrechter zich dient te onthouden van een oordeel over de rechtmatigheid van het in het buitenland uitgevoerde onderzoek, alsook over de vraag of in dat verband art. 8 EVRM Pro is geschonden. Het hof is, alles overziend, dan ook op goede gronden tot de slotsom gekomen dat het gebrek aan informatie over (de rechtmatigheid van) de bewijsvergaring in Frankrijk er niet toe leidt dat het gebruik van de EncroChat-data in de strafzaak tegen de verdachte inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Anders dan de stellers van het middel menen, hoefde het hof daarbij niet te toetsen of is voldaan aan de “Bykov-eisen”. [39]
in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op een bewijsmiddel dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten?
effective remedy?
Het achtste middel en de bespreking daarvan: de wettelijke grondslag voor de verwerking van de EncroChat-data
zelfstandigeopsporingsbevoegdheid (cursivering door de stellers van het middel).
geenwettelijke grondslag bieden voor het gebruik van de data die zijn verkregen in het kader van het onderzoek in Frankrijk. Ook voor deelklacht iii) geldt dat het is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft het hof niet geoordeeld dat art. 126dd Sv van toepassing is op de gegevens die verkregen zijn door de Franse autoriteiten. Het hof heeft niet méér gedaan dan vastgesteld dat de officier van justitie in de voorliggende zaak op grond van art. 126dd Sv heeft bepaald informatie uit het 26Lemont-onderzoek in te brengen in de strafrechtelijke onderzoeken naar inmiddels geïdentificeerde verdachten, waaronder in het onderzoek Vlierbes naar de verdachte. Deze feitelijke vaststelling, die in cassatie louter op begrijpelijkheid kan worden getoetst, is in hoger beroep door de verdediging niet betwist. Een door de verdediging in een hoger beroep onderbouwd gevoerd verweer inhoudend dat art. 126dd Sv daartoe geen grondslag biedt – waarover het middel trouwens zwijgt –, tref ik niet aan in de in cassatie voorhanden stukken. Niet kan eerst in cassatie worden geklaagd dat art. 126dd Sv geen deugdelijke grondslag betreft voor de verwerking van de EncroChat-data door de Nederlandse autoriteiten. Overigens zij verwezen naar de voormelde overwegingen van de Hoge Raad over de reikwijdte van art. 126dd Sv.
NJ2021/361, m.nt. Dommering (
Big Brother Watch e.a./Verenigd Koninkrijk). Voor zover het middel daarover klaagt (deelklacht i), is het tevergeefs voorgesteld. Ik breng in dat verband in herinnering de hiervoor onder de bespreking van het achtste middel reeds aangehaalde rechtsoverweging 6.24.4 van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, inhoudende:
Big Brother Watch e.a./Verenigd Koninkrijk, waaraan mijn ambtgenoot Paridaens in haar doorwrochte en rijk gedocumenteerde conclusie van 9 mei 2023, ECLI:NL:PHR:2023:477 onder randnummers 5.7.2.-5.7.11 refereert. Dergelijke rechtspraak van het EHRM is in een geval als het onderhavige aldus niet van toepassing. De Hoge Raad haalt in dat kader in de voetnoot het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2022, C-793/19 en C-794/149, ECLI:EU:C:2022:702 (SpaceNet en Telekom Deutschland), rov. 125, aan:
Digital Rights), van 21 december 2016, C‑203/15 en C‑698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (
Tele2), van 2 oktober 2018, C‑207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (
Ministerio Fiscal), van 6 oktober 2020, C‑623/17, ECLI:EU:C:2020:790 (
Privacy International) en van 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (
La Quadrature du Net). In de toelichting noemen de stellers van het middel ook nog het arrest van 20 september 2022, C-793/19 en C-794/149, ECLI:EU:C:2022:702 (
SpaceNet en Telekom Deutschland). Daaruit concluderen de stellers van het middel dat in het geval van algemene en ongedifferentieerde bewaring van persoonsgegevens, naast de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ook de eisen gelden dat a) deze bewaring van persoonsgegevens plaatsvindt in het kader van bestrijding van zware criminaliteit en b) de persoonsgegevens ‘slechts’ verkeers- of locatiegegevens, of anderszins identificerende gegevens bij communicatie(diensten) betreft. Voor al deze arresten geldt dat deze betrekking hebben op de situatie dat Richtlijn 2002/58/EG van toepassing is.
mutatis mutandisvoor Richtlijn 2016/680?
Het middel
11 juni 2020in Nederland
8april 2020 tot en met
16 mei2020 in Nederland, meermalen, zonder erkenning wapens van categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of III
van de Wet wapens en munitie, heeft verhandeld;
45.000,-
4 apriltot en met
7 april2020 in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander geldbedragen van Euro 102.500
heeft voorhanden gehaden Euro 11.000 heeft voorhanden gehad, en omgezet naar Bitcoins en een geldbedrag van 20.000 Euro, heeft voorhanden gehad terwijl hij wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
verborgendoor dit in een zorgvuldig verborgen ruimte in de inloopkast op te bergen. Dat hier sprake is van een bewust verhullende handeling wordt bevestigd door het feit dat in dezelfde verborgen ruimte ook een vuurwapen met bijbehorende munitie is aangetroffen. Zo’n ruimte tussen kast en muur en afgedekt met een lat is ook geschikt om het geld en het vuurwapen te verbergen. Het kan niet anders zijn dan dat het totale contante bedrag van € 50.050,- dat de verdachte voorhanden heeft gehad, onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is. Nu de pleegperiode zich beperkt tot één dag kan evenwel niet van een beroep of gewoonte worden gesproken. Het tenlastegelegde kan derhalve met voormelde beperking worden bewezen, maar zoals hierna zal worden overwogen levert dit ten aanzien van het geldbedrag van € 5.050,- dat in de keukenlade is aangetroffen niet een strafbaar feit op.
verhuld.
nogniet heeft omgezet in bitcoins.
omgezetin bitcoins en daarmee witgewassen.
De kwalificatie door het hof
zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
Het verweer van de verdediging
van/aan[betrokkene 9] . De jongste raadsheer verzoekt de verdachte te reageren op het punt
van/aan.
De opgeslagen namen ‘Lange ‘Lange […] ’ of ‘Lange Hollander’
De zendmastgegevens
nietaangetroffen en ook niet in zijn directe omgeving. De telefoon is ook niet gezien bij cliënt tijdens de observaties door de politie.
De verklaring van getuige [betrokkene 6]
hij komt mij wel bekend voor’. (p. 512).
De bespreking van het middel
eenander” voorhanden hebben van een geldbedrag en/of omzetten van een geldbedrag naar bitcoins, terwijl het hof dit feit vervolgens – voor wat betreft het bedrag van € 11.000,- – heeft gekwalificeerd als “witwassen”. Gelet daarop, alsook op de bewijsoverwegingen van het hof ten aanzien van feit 7, die onder meer inhouden dat de verdachte een bedrag van € 11.000,- met tussenkomst van EncroChat-gebruiker Privicy heeft omgezet in bitcoins, berust voormelde kwalificatie naar mijn inzicht op een kennelijke misslag. Ik geef de Hoge Raad in overweging mee het arrest te lezen met verbetering van deze misslag, in dier voege dat de kwalificatie inhoudt het “medeplegen van witwassen”.
het hof zelfambtshalve bekend is dat bitcoins vaak door criminelen worden gebruikt, noch dat dit een feit van algemene bekendheid is. Waarom dit proces-verbaal niet redengevend zou zijn voor het bewijs ontgaat mij dan ook. De stellers van het middel mogen het uiteraard oneens zijn met de conclusie van de betreffende opsporingsambtenaar, maar de rechter is vrij in de selectie en waardering van de bewijsmiddelen. Het gebruik van dit proces-verbaal voor het bewijs acht ik, mede gelet op de inhoud daarvan alsook in het licht van de overige gebezigde bewijsmiddelen, geenszins onbegrijpelijk.
Het middel
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De bespreking van het middel