Conclusie
1.Inleiding
2.De opbouw van deze conclusie
3.De prejudiciële procedure in strafzaken
Een rechtsvraag
Nodig om te beslissen
Bijzonder gewicht
4.De prejudiciële vragen
5.Het juridisch kader
Het vertrouwensbeginsel en klassieke vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking
Het vertrouwensbeginsel en de EU
Het vertrouwensbeginsel en het EVRM
Het kader voor de beoordeling van rechtmatigheidsverweren
Vergt de samenwerking in de context van een JIT afwijking van dit kader?
6.Beantwoording van de vragen
1.Inleiding
rechtspraak.nlop “EncroChat” en “SkyECC” levert inmiddels al honderden resultaten op. In deze zaken spelen zowel vragen over de rechtmatigheid van de bewijsgaring en de verwerking van de resultaten daarvan, als over de betrouwbaarheid van de in de opsporingsonderzoeken vergaarde gegevens.
2.De opbouw van deze conclusie
3.De prejudiciële procedure in strafzaken
Stb.2022, 276) op 1 oktober 2022 (
Stb.2022, 362) is voor de rechter in procedures die zijn voorzien in het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid geopend voorafgaand aan een door hem in dat kader te nemen beslissing prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. [10] Deze mogelijkheid heeft vooralsnog het karakter van een landelijke [11] ‘pilot’ en wel in die zin dat – in de aanloop naar een nieuw Wetboek van Strafvordering – alvast in de praktijk ervaring met deze procedure kan worden opgedaan. [12] Inmiddels is duidelijk dat de regeling nagenoeg ongewijzigd is opgenomen in het wetsvoorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering. [13] De vraag óf de prejudiciële procedure in strafzaken een plaats moet krijgen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, lijkt daarmee een gepasseerd station.
i) een rechtsvraag, (
ii) waarop een antwoord nodig is om te beslissen en (
iii) waaraan een bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. Ik bespreek deze voorwaarden hieronder.
Een rechtsvraag
Stb.2015, 540). Ook hier bepaalt de wet dat de procedure is beperkt tot rechtsvragen, maar omdat dit begrip noch bij de invoering van deze regeling noch in de praktijk wezenlijk is geproblematiseerd, ga ik op de fiscaalrechtelijke betekenis van het begrip “rechtsvraag” niet verder in.
Stb.2012, 65), bepaalt art. 392 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – net als art. 553 lid 1 Sv Pro – dat de procedure is beperkt tot “rechtsvragen”. Uit de parlementaire geschiedenis van de relevante artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering blijkt dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen openlaten om onder rechtsvragen ook gemengde vragen te begrijpen, maar het tegelijkertijd aan de Hoge Raad heeft willen overlaten om in de praktijk te bepalen of en op welke wijze dit type vragen in prejudiciële procedures beantwoord kan worden. [17] De praktijk heeft uitgewezen dat de civiele kamer van de Hoge Raad gemengde vragen als zodanig niet uitsluit van beantwoording. [18] Indien de vraag echter in sterke mate verweven is met kwesties van feitelijke aard, blijft de beantwoording relatief abstract en beperkt zij zich bijvoorbeeld tot het noemen van enkele uitgangspunten en het identificeren van relevante gezichtspunten die bij het beoordelen van de feiten in acht moeten of kunnen worden genomen. [19] Mijn indruk is dat de civiele kamer van de Hoge Raad terughoudend is in het beantwoorden van gemengde vragen waarbij het zwaartepunt meer bij feitelijke kwesties ligt. Recente uitspraken laten zien dat algemene vragen naar welke “omstandigheden” [20] of “factoren” [21] bij de beoordeling van een (rechts)vraag van belang zijn, door de Hoge Raad niet worden beantwoord.
Enigeverwevenheid met de feiten van de zaak moet – zo leid ik hieruit af – wat de wetgever betreft dus mogelijk zijn. In ieder geval volgt niet dwingend uit de wet of de wetsgeschiedenis dat de prejudiciële procedure in strafzaken beperkt moet blijven tot “zuivere rechtsvragen”. [29]
Nodig om te beslissen
). Voor een procedure waarbij de rechter ook “zonder zaak” strafrechtelijke rechtsvragen aan de Hoge Raad zou mogen stellen, heeft de wetgever dus niet gekozen. [32] In de parlementaire geschiedenis is niet veel aandacht geweest voor het criterium “nodig om te beslissen”. De Memorie van Toelichting stelt slechts dat het criterium is opgenomen “[o]m de rechter enige houvast te bieden in welke gevallen het stellen van een vraag passend is”. [33] In het onderzoek van Giesen e.a. is geconcludeerd dat dit criterium in civiele zaken “werkt” en daarom in strafzaken kan worden overgenomen. [34]
mogelijk‘nodig’ zijn), terwijl het omgekeerd ook eerder denkbaar is dat de Hoge Raad vragen gesteld krijgt en beantwoordt, die later niet nodig blijken. Gelet op de aan de strafrechtelijke procedure inherente onzekerheid over de feiten enerzijds, en de noodzaak om de reikwijdte van het criterium “nodig om te beslissen” te beperken anderzijds, lijkt het mij aangewezen dat de Hoge Raad tenminste van de feitenrechter verlangt dat deze aangeeft en motiveert dat en waarom het aannemelijk is dat het antwoord op een prejudiciële vraag nodig is om te beslissen. In dit verband zal veel aankomen op de motivering. Hypothetisch geformuleerde (‘wat als’) vragen zullen in beginsel niet voor behandeling in een prejudiciële procedure in aanmerking komen.
4.De prejudiciële vragen
Is het interstatelijke vertrouwensbeginsel zonder meer van toepassing op bewijs verkregen door de inzet van een opsporingsmiddel in het buitenland, in het kader van een JIT waarbij Nederland partner is?
Geldt het interstatelijke vertrouwensbeginsel (onverkort) als, zoals in de zaak Shifter, de gebruikers van de telecommunicatiediensten waarvan gegevens worden onderschept zich (steeds) op Nederlands grondgebied gebied bevinden, terwijl de interceptie en/of het veiligstellen van gegevens in/vanuit een andere EU-lidstaat plaatsvindt?
Is voor de interceptie en/of het veiligstellen van gegevens in/vanuit het buitenland van telecomgegevens waarvan duidelijk is dat de gebruikers van de telecomdiensten zich (ook) op Nederlands grondgebied bevinden een machtiging van een Nederlandse rechter vereist?
Hoe verhoudt het internationale vertrouwensbeginsel zich tot het equality of arms-beginsel dat volgt uit artikel 6 EVRM Pro en de mogelijkheden voor de verdediging om de rechtmatigheid van het bewijsgaringsproces te kunnen onderzoeken, meer in het bijzonder in de zaak Shifter de verzoeken van de verdediging om stukken aan het dossier toe te voegen met betrekking tot het bewijsgaringsproces in het buitenland en stukken met betrekking tot de Joint Investigation Teams?
Zijn, indien het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet onverkort geldt, (mogelijke) gebreken bij het bewijsgaringsproces en de interceptie en/of het veiligstellen van gegevens vanuit het buitenland ‘afgedekt’ door de door de machtigingen van de rechters-commissarissen, zoals de machtiging van de rechter-commissaris te Rotterdam d.d. 27 maart 2020 en de machtigingen van de rechters-commissarissen te Amsterdam d.d. 7 en 11 februari 2021 (en de eventuele vervolgmachtigingen)?
Als er sterke aanwijzingen zijn dat gebreken kleven aan het buitenlandse opsporingsonderzoek, in het licht van uitspraken van het land waar dat opsporingsonderzoek plaatsvindt, wat zijn dan de consequenties voor de toepassing van het interstatelijke vertrouwensbeginsel? In hoeverre en naar welke maatstaven dient de Nederlandse strafrechter daar dan nader onderzoek naar te (laten) verrichten?
Is een wettelijke grondslag vereist voor het bewaren en gebruiken van de metadata en communicatie van gebruikers van een elektronische communicatiedienst door de Nederlandse autoriteiten, ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, als deze is verkregen van een andere lidstaat, nadat die andere lidstaat deze data heeft geïntercepteerd?
EncroChat en de onderzoeken 26Lemont en Vidar
De wijze waarop zal worden binnengedrongen in het/de geautomatiseerde syste(e)m(en) zal worden vastgelegd aan de hand van logs en in een beschrijvend proces-verbaal van bevindingen, voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen;
Een beschrijving van de daarbij gebruikte software zal voor onderzoek beschikbaar zijn en dient op enig later tijdstip te kunnen worden ingezet bij een nabootsing of demonstratie van het binnendringen van het/de syste(e)men), voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen;
De vergaarde informatie wordt opgeslagen op zodanige wijze dat die aan de hand van hashwaarden of anderszins de integriteit garanderende wijze te controleren en te onderzoeken is;
De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijke later reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst;
De vergaarde informatie/communicatie wordt onderzocht op het voorkomen van zogenaamde verschoningsgerechtigden in die communicatie aan de hand van zoeksleutels waarbij ten minste de bekende namen van advocaten, door hen opgegeven telefoonnummers en/of e-mailadressen ten behoeve van communicatie met cliënten zullen worden opgenomen;
De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken;
De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter-commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.
De vergaarde en ontsleutelde informatie mag slechts worden onderzocht met toepassing van vooraf aan de rechter-commissaris voorgelegde zoeksleutels, zoals:
Het onderzoek met de zoeksleutels moet zo worden ingericht dat desgewenst achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek;
Er wordt bij het onderzoek recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt geheimhouderscommunicatie actief uitgefilterd;
De rechter-commissaris wordt inzage gegeven in de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen;
De vergaarde informatie wordt na het onderzoek zoals hiervoor omschreven voorgelegd aan de rechter-commissaris om de inhoud en omvang te controleren, en de relatie tot concrete vermoedelijke strafbare feiten te beoordelen;
De vergaarde informatie zal pas na uitdrukkelijke toestemming van de rechter-commissaris aan het Openbaar Ministerie of de politie ter beschikking worden gesteld ten behoeve van (verder) opsporingsonderzoek. Daarbij moet (gelet op voorwaarde 2) duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke gegevens aan het onderzoeksteam worden verstrekt;
De vergaarde informatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.
5.Het juridisch kader
Joint Investigation Team(hierna: JIT), ook wel aangeduid als een gemeenschappelijk onderzoeksteam. Namens verdachten is in deze procedure een beroep gedaan op zowel (de Nederlandse implementatiewetgeving van) art. 13 EU Pro-Rechtshulpovereenkomst (die de grondslag biedt voor gemeenschappelijke onderzoeksteams) als art. 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU (waarbij het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) is geregeld). Gelet op deze stand van zaken ga ik eerst in op samenwerking in het kader van een JIT (5.2.2) en bepreek ik vervolgens art. 13 EU Pro-rechtshulpovereenkomst (5.2.3-5.2.7) en de Nederlandse implementatie daarvan (5.2.8-5.2.9). Ik besluit met een bespreking van de toepasselijkheid van art. 31 van Pro de Richtlijn 2014/41/EU (5.2.10-5.2.12).
De samenwerking in het kader van een Joint Investigation Team
Stb.2017, 246) op 1 juli 2018 zijn deze bepalingen echter vervallen en is de inhoud daarvan opgenomen in Titel 2 van Boek 5 van het Wetboek van Strafvordering. De bepalingen zijn daarbij vernummerd tot art. 5.2.1-5.2.5 Sv.
Stb. 2015,40) gaat het hier naar Nederlands recht om een EOB dat ziet op toepassing van de art. 126m en 126t Sv. Het vorderen van historische gegevens over telecommunicatieverkeer valt daar niet onder. Dit kan wel in een EOB worden gevraagd, maar daarop is dan het algemene regime van art. 10 van Pro de richtlijn en art. 5.4.7 Sv van toepassing. [67] Daarnaast bevat art. 31 van Pro de richtlijn een voorschrift voor de lidstaat die een EOB gericht op de interceptie van telecommunicatie uitvoert. Als de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt in een derde lidstaat van welke geen technische bijstand is vereist, is de uitvoerende lidstaat verplicht tot kennisgeving van de interceptie aan die lidstaat. Die derde lidstaat kan daarop aangeven dat a) de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en b) dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt.
NJ2011/169, m.nt. T.M. Schalken (5.4.2-5.4.7). Een deel van de vragen van de rechtbank Noord-Nederland komt in de kern neer op de vraag of er, onder de omstandigheid dat sprake is van interstatelijke samenwerking binnen een JIT, aanleiding is om van het in dit arrest uiteengezette kader af te wijken. Om die vraag te kunnen beantwoorden (5.4.8-5.4.10), sta ik hieronder kort stil bij de betekenis van het vertrouwensbeginsel voor klassieke vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking (5.3.2), alsmede bij de betekenis van het vertrouwensbeginsel in de context van de EU (5.3.3-5.3.4) en in die van de rechtssfeer van de Raad van Europa (5.3.5).
Het vertrouwensbeginsel en klassieke vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking
in abstracto– en dus los van concrete resultaten van die samenwerking – het onderlinge vertrouwen is getoetst. [70] Die toetsing kan bij een bilateraal verdrag per land plaatsvinden. Zo’n verdrag bevat vervolgens voorwaarden en weigeringsgronden voor de samenwerking in het concrete geval. De aangezochte staat gaat – gelet op het algemene vertrouwen in de andere staat – ervan uit dat hetgeen de verzoekende staat aan het verzoek ten grondslag legt, juist is en dat deze staat zich zal houden aan hetgeen waartoe hij na afloop verplicht moet worden geacht [71] , terwijl de verzoekende staat – op basis van eenzelfde soort vertrouwen – op zijn beurt erop vertrouwt dat de uitvoering van een samenwerkingsverzoek conform het recht van de aangezochte staat plaatsvindt. Uitgangspunt bij klassieke vormen van strafrechtelijke samenwerking is:
locus regit actum(de plaats van de handeling bepaalt het toepasselijke recht). Dit neemt overigens niet weg dat de aangezochte staat bij de uitvoering van een verzoek zoveel mogelijk rekening kan houden met het door de verzoekende staat verlangde gevolg. [72]
Het vertrouwensbeginsel en de EU
NJ2011/169, m.nt. T.M. Schalken
.Ik ga eerst in op het door de Hoge Raad geschetste kader voor de beoordeling van rechtmatigheidsverweren (5.4.2-5.4.7) en beantwoord vervolgens de vraag of er in geval van interstatelijke samenwerking in de context van een JIT aanleiding is om anders tegen dit kader aan te kijken (5.4.8-5.4.10).
Het kader voor de beoordeling van rechtmatigheidsverweren
4.3. De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.
Vergt de samenwerking in de context van een JIT afwijking van dit kader?
gerichtegegevensvergaring. Bij meer klassieke vormen van (bijzondere) opsporing brengen wettelijke toepassingsvoorwaarden en beginselen van een goede procesorde mee dat de inzet van deze bevoegdheden in beginsel slechts met een nauwkeurig omschreven doel kan plaatsvinden. Dit uitgangspunt kan bij opsporing via het vergaren van cryptotelefoniegegevens als in een zaak als deze aan de orde is echter maar beperkt gerealiseerd worden. Men spreekt in dat verband daarom ook wel van ‘bulkinterceptie’ of ‘bulkgegevens’. [83] Hier ga ik iets dieper op in.
,126uba en 126zpa Sv geïntroduceerd. [89]
allecommunicatie die via een te hacken aanbieder van cryptotelefonie loopt, wordt aangemerkt als ‘verdachte’ communicatie in de zin van art. 126t Sv, en alle gebruikers van de aanbieder als (NN-)persoon in de zin van art. 126t Sv.
in abstracto,niet bezwaarlijk. Aangetekend kan nog worden dat het optreden van de rechter-commissaris op deze wijze in juridische zin wel enigszins verschilt van de thematiek die speelde in het smartphone-arrest en eveneens van hetgeen aan de orde was in de Ennetcom-casus. In het smartphone-arrest is door de Hoge Raad immers expliciet bij de overwegingen betrokken dat de rechter-commissaris ook zelf bevoegd is tot het in beslag nemen van daarvoor vatbare voorwerpen, aan welke bevoegdheid vervolgens het oordeel is opgehangen dat de rechter-commissaris exclusief bevoegd is tot het (laten) doen van onderzoek waarbij op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn. [105] Een bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden voor het gebruik van gegevens na de verkrijgingsfase kent de wet niet en deze bevoegdheid kan – in elk geval indien gegevens vanuit het buitenland zijn verkregen – ook niet van een machtigingsbevoegdheid (bedoeld in art. 126t lid 5 en/of art. 126uba lid 3 jo. 126nba lid 4) worden afgeleid. En de Ennetcom-situatie was in zekere zin een geval op zichzelf, omdat de toetsing door de rechter-commissaris daar plaatsvond ter uitvoering van voorwaarden die door de buitenlandse verstrekkende autoriteit waren gesteld. Niettemin meen ik – evenals, in een iets andere context, mijn ambtgenoten Harteveld [106] en Keulen [107] – dat het systeem van de wet zich niet verzet tegen een aanvullende rol voor de rechter-commissaris in gevallen als deze. [108] Bij mijn bespreking van de zevende prejudiciële vraag kom ik hier nog op terug (6.8).
gebrekenin het bewijsgaringsproces” (mijn cursivering). Dit brengt mij tot enkele algemene opmerkingen over de verhouding tussen beide begrippen in zaken waarin de onderhavige materie speelt.
rechtmatigheidvan bulkgegevens bestaande uit cryptotelefoniegegevens aan de orde wordt gesteld, kunnen grofweg twee varianten worden onderscheiden, die grotendeels samenvallen met onderscheidenlijk de fase van de vergaring en de fase van de verdere verwerking die ik hierboven heb besproken. Ten eerste is er de betwisting van de rechtmatigheid van de vergaring. Dan gaat het bijvoorbeeld om de vraag of er (in Frankrijk) een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de ‘hack’ [109] en of met deze vorm van (bulk)interceptie niet een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers is gemaakt. Dit betreffen voor zover ik kan overzien in de kern steeds betwistingen in de sfeer van art. 8 EVRM Pro (daarop kom ik hierna, bij mijn bespreking van de relevante jurisprudentie ter zake van art. 8 EVRM Pro onder 5.7.2-5.7.11, nog uitgebreider terug). [110] Daarnaast wordt wel de rechtmatigheid aangevochten van de wijze waarop – in Nederland – met deze gegevens wordt omgesprongen, omdat daarbij tekort zou worden gedaan aan de rechten van de verdediging. Het gaat in de praktijk dan met name om de mogelijkheden die de verdediging heeft om de gegevensbestanden (de ‘datasets’) die als gevolg van de opsporingsoperatie zijn verkregen in te zien en hier onderzoek naar te doen, teneinde onder meer de volledigheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen. In dit verband naar voren gebrachte rechtmatigheidsverweren vallen doorgaans binnen de sfeer van art. 6 EVRM Pro (ook hier kom ik nog op terug, bij mijn bespreking van de relevante jurisprudentie ter zake van art. 6 EVRM Pro onder 5.7.12-5.7.21). [111]
betrouwbaarheidgeldt dat er eveneens onderscheid gemaakt kan worden tussen betrouwbaarheidsverweren die primair van doen hebben met het bewijsgaringsproces en verweren die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de daaropvolgende verwerking. Bij de eerste categorie kan gedacht worden aan vragen over de betrouwbaarheid van de gebruikte techniek. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of erop vertrouwd kan worden dat de ‘interceptietool’ een accurate weergave geeft van de inhoud van de chats, of er geen digitale verschrijvingen kunnen hebben plaatsgevonden bij het maken van een
image,etcetera. Het gaat dan, voor de duidelijkheid, dus steeds om betrouwbaarheid in de betekenis van waarheidsgetrouwheid. [112] Bij de tweede categorie gaat het om de betrouwbaarheid van de informatie die uit de – als zodanig niet betwiste – gegevens kan worden afgeleid. In de kern gaat het dan meestal om de vraag of met de zich in het strafdossier bevindende gegevens een adequaat en representatief beeld wordt gegeven van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit. Betoogd wordt dan bijvoorbeeld dat de selectie van berichten uit een (onvolledige) dataset een ongunstig beeld schetst over de rol van een verdachte, een beeld dat niet zou zijn ontstaan indien een volledig of tenminste representatief beeld van alle gegevens voorhanden zou zijn geweest.
(i)de verkrijging en
(ii)de verwerking en anderzijds de betrouwbaarheid van
(iii)de verkrijging en
(iv)de verwerking is ook in het licht van het hierboven besproken interstatelijk vertrouwensbeginsel van belang. Voor zover de bewijsgaring onder de verantwoordelijkheid van autoriteiten van een andere EVRM-lidstaat heeft plaatsgevonden, is de taak van de rechter ertoe beperkt zich ervan te verzekeren dat de wijze waarop van de resultaten van deze opsporingshandelingen in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro (zie daarover 5.4.2-5.4.7). De toetsing van de rechtmatigheid van de bewijsgaring wordt dan begrensd door het vertrouwensbeginsel.
vergaring), zal de toetsing door deze onafhankelijke autoriteit in beginsel in de staat onder wiens verantwoordelijkheid de interceptie wordt uitgevoerd moeten plaatsvinden.
kunnendoor bulkinterceptie zijn verkregen, maar dat hoeft niet. De toetssteen is hier niet langer art. 8 EVRM Pro, maar art. 6 EVRM Pro. Centraal staat daarmee niet meer de rechtmatigheid van de privacyinbreuk, maar de verdedigingsrechten die uit het laatstgenoemde artikel voortvloeien.
equality of arms-beginsel en het recht op een contradictoir proces. [137] Concreet is met name het in lid 3 sub b neergelegde deelrecht van de verdachte om te beschikken over de tijd en de faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging van belang. [138]
Sigurður Einarssondeed het EHRM voor het eerst uitspraak over de omgang met grote gegevensbestanden in strafzaken en het recht van de verdediging op toegang tot die grote datasets. De klagers in deze zaak waren voormalige managers van de Kaupþing Bank die in IJsland veroordeeld waren voor hun rol in de IJslandse bankencrisis in 2008. [149] In het kader van deze strafzaak waren – onder meer bij twee IJslandse banken – zeer grote hoeveelheden documenten en elektronische data in beslag genomen. [150] Deze verzamelde (ruwe) data werd aangemerkt als de “full collection of data”. Vervolgens is gebruikgemaakt van bepaalde zoeksoftware (“Clearwell”) om de “full collection of data” te filteren op mogelijk relevante informatie met behulp van trefwoorden. Zo werd een dataset verkregen die een collectie bevatte met documenten waarin deze trefwoorden voorkwamen (“tagged documents”). In deze secundaire dataset zijn vervolgens – zowel via
Clearwellals handmatig – nadere zoekslagen verricht naar documenten die een connectie hadden met de strafzaak. Deze potentieel relevante documenten zijn opgenomen in een nieuwe dataset die werd aangemerkt als de “investigation file”. Uit deze “investigation file” zijn tot slot door het openbaar ministerie de documenten geselecteerd die uiteindelijk in de strafrechtelijke procedure deel zijn gaan uitmaken van het dossier (“evidence in the case”).
Sigurður Einarssoneen rol spelen. [152] De vraag die het EHRM daarbij centraal stelt, is of de verdediging op grond van art. 6 EVRM Pro een recht had om toegang te verkrijgen tot de “full collection of data” en/of de “tagged documents”. [153] Het EHRM gaat eerst in op de “full collection of data” en overweegt hierover:
not relevant to the case, this selection was made by the prosecution alone, without the defence being involved and without any judicial supervision of the process. In that connection, the Court recalls that “a procedure, whereby the prosecution itself attempts to assess the importance of concealed information to the defence and weigh this against the public interest in keeping the information secret, cannot comply with the above-mentioned requirements of Article 6 § 1”(Rowe and Davis
, cited above, § 63). Moreover, the defence was denied lists of the documents – and in particular the “tagged” documents – on the ground that they did not exist and that there was no obligation to create such documents, and reference was also made to the technical obstacles to remigrating the data and conducting new searches, given the volume in question. As to the denial of lists, the Court has no reason to question the finding of the Supreme Court that under domestic law there was no obligation on the prosecution to create documents which did not already exist. It notes, however, that it appears that further searches in the data would have been technically rather straightforward and it considers that in principle it would been appropriate for the defence to have been afforded the possibility of conducting – or having conducted – a search for potentially disculpatory evidence. While it is sensitive to the privacy issues raised by the Government, the Court does not consider that there were insurmountable obstacles in that respect. It thus finds that any refusal to allow the defence to have further searches of the “tagged” documents carried out would in principle raise an issue under Article 6 § 3(b) with regard to the provision of adequate facilities for the preparation of the defence.” [155]
6.Beantwoording van de vragen
rechtmatigheidvan het in het buitenland verrichte onderzoekshandelingen. Het laat de op de rechter rustende verantwoordelijkheid om in te staan voor de
betrouwbaarheidvan de door hem voor het bewijs gebezigde onderzoeksbevindingen onverlet (zie 5.6.4).
NJ2011/169, m.nt. T.M. Schalken, heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat voor de toepassing van het interstatelijke vertrouwensbeginsel allereerst relevant is te bepalen onder de
verantwoordelijkheidvan welke staat de relevante opsporingshandelingen zijn verricht. Zoals ik hiervoor heb beargumenteerd (5.4.8-5.4.9), zie ik geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Of sprake is van een JIT, of Nederland hierbij partner is en/of sprake is van feitelijke en/of juridische bijstand bij in het buitenland verrichte onderzoekshandelingen, doet naar mijn mening niet af aan het uitgangspunt dat opsporingshandelingen steeds onder de verantwoordelijkheid van één land plaatsvinden.
vergaringeen machtiging te geven (al dan niet “naar analogie” (zie 5.5.10) van de machtigingen bedoeld in art. 126t en/of art. 126uba Sv) [163] , waarin hij voorwaarden stelt aan de wijze waarop deze gegevens in de latere
verwerkingsfasemogen worden onderzocht en gebruikt (zie voor een voorbeeld 5.5.10, voetnoot 104). Ik heb mij hiervoor al op het standpunt gesteld dat ik deze werkwijze als zodanig niet bezwaarlijk acht (5.5.11). Ik kom hierop bij de beantwoording van de zevende vraag – die op de verwerkingsfase betrekking heeft – terug.
vergaringsproces. Ik beantwoord de verschillende subvragen hieronder in onderlinge samenhang. Wat betreft de derde en vierde subvraag geldt dat ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor in reactie op de eerste prejudiciële vraag heb geschreven.
rechtmatigheidvan het buitenlandse opsporingsonderzoek geldt dat, zoals reeds bij de beantwoording van de vorige vragen aan de orde kwam, de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen verricht in een andere tot het EVRM toegetreden staat niet ter toetsing staat van de Nederlandse strafrechter. Hierdoor zal informatie die slechts hierop betrekking heeft in beginsel niet relevant zijn voor enige door de rechter in de strafzaak te nemen beslissing, waardoor – in dat geval – de rechter verzoeken van de verdediging niet zal hoeven toewijzen. Dit is slechts anders indien de door de verdediging gestelde in het buitenland begane vormverzuimen zouden doorwerken in het recht op een eerlijk proces in Nederland.
verwerkingsfasete onderzoeken. Hierop heeft de vierde prejudiciële vraag strikt genomen geen betrekking meer. Voor een inhoudelijke beschouwing over dat onderwerp verwijs ik naar hetgeen ik heb opgenomen onder de randnummers 5.7.17-5.7.21.
betrouwbaarheidvan het verzamelde bewijs te betwisten. Hierboven (onder de eerste vraag) schreef ik al dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel de op de Nederlandse strafrechter rustende verantwoordelijkheid om in te staan voor de betrouwbaarheid van hetgeen door hem voor het bewijs wordt gebruikt niet aantast. Indien de rechter uit een andere staat afkomstige onderzoeksgegevens voor het bewijs wil gebruiken, zal hij zich dus van de betrouwbaarheid van deze gegevens moeten vergewissen. Indien de verdediging de betrouwbaarheid van door middel van bulkinterceptie verkregen onderzoeksgegevens betwist (zie voor enkele voorbeelden 5.6.3), kan het noodzakelijk zijn dat de rechter hier nader onderzoek naar instelt of doet instellen. Niet uit te sluiten valt dat voor dit nader onderzoek door het OM inzage moet worden gegeven in (technische aspecten van) de gevolgde werkwijze, maar of dat zo is hangt af van de omstandigheden van het geval. De betrouwbaarheid van bepaalde onderzoeksgegevens kan immers ook op een andere manier blijken, bijvoorbeeld door de uit het buitenland verkregen gegevens te bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek.
in abstracto– en dus: in een prejudiciële procedure – niet veel meer te zeggen. Het komt immers aan op de concrete feiten en omstandigheden die zich in een individuele zaak voordoen. Beslissingen die de feitenrechter hierin neemt kunnen, verweven als zij zijn met de feiten, in een reguliere cassatieprocedure door de Hoge Raad vervolgens op begrijpelijkheid worden getoetst
nadatde feitenrechter de feiten waarop hij zijn beslissingen baseert heeft vastgesteld.
alser “sterke aanwijzingen zijn” dat er “gebreken kleven” aan het buitenlandse opsporingsonderzoek (de vijfde vraag spreekt nog van “(mogelijke) gebreken”). De door de rechtbank aangedragen feitelijke context bevat voor zover ik kan zien geen tekenen waaruit blijkt dat (het aannemelijk is dat) er sprake zou zijn van dergelijke “sterke aanwijzingen”, terwijl evenmin duidelijk wordt waaruit die “gebreken” zouden kunnen bestaan. Gelet hierop is het wat mij betreft niet aannemelijk te achten dat een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen als bedoeld in art. 553 Sv Pro. Ik meen dan ook dat de Hoge Raad op deze grond kan afzien van beantwoording.
rechtmatigheidvan de bewijsgaring, geldt dat de toetsing van de Nederlandse rechter in beginsel wordt begrensd door het interstatelijk vertrouwensbeginsel, meer in het bijzonder door het kader dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 oktober heeft uiteengezet. Voor zover de rechtbank ook het oog heeft op (sterke aanwijzingen voor) “gebreken” die aan de
betrouwbaarheidvan de resultaten van het buitenlandse opsporingsonderzoek zouden doen twijfelen, geldt hetgeen ik hiervoor in reactie op de vierde prejudiciële vraag (onder 6.5.5-6.5.6) heb opgeschreven.
(i)op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een persoon op wie de gegevens (deels) betrekking hebben zeer ingrijpend zal zijn (vgl. HR 5 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584,
NJ2017/229, m.nt. T. Kooijmans
), en/of
(ii)op voorhand is te voorzien dat de cumulatieve inbreuk op de persoonlijke levenssferen van het totaal aantal betrokken personen in zijn geheel zeer aanzienlijk zal zijn.
(ii)genoemde omstandigheid kan recht worden gedaan aan het feit dat het bij onderzoek aan cryptotelefoons – en dit is een verschil met onderzoek aan “gewone” smartphones – niet snel om een potentieel zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de afzonderlijke gebruikers zal gaan. Een “cryptotelefoon” bevat in de regel immers veel minder persoonlijke informatie dan een “gewone” smartphone. Ten eerste omdat hierop maar weinig gegevens worden opgeslagen en ten tweede omdat deze telefoons doorgaans kennelijk niet voor “privédoeleinden” worden gebruikt. De omvang van de inbreuk schuilt bij onderzoek van bulkgegevens als hier bedoeld daarom meestal niet zozeer in de mate van “ingrijpendheid” jegens één betrokken persoon, maar in de optelsom van de – elk afzonderlijk wellicht als gering te beschouwen – inbreuken op de persoonlijke levenssferen van een zeer groot aantal gebruikers.