Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
15-860130-20 ( [de verdachte 4] ), (…)
voorzitterdoet de zaken tegen de verdachten uitroepen.
verdachtenantwoorden op de vragen van de voorzitter te zijn:
raadslieden van de verdachtenzijn aanwezig:
- mr. F.A.G.M. Landerloo, raadsvrouw te Maastricht, voor de verdachte [de verdachte 1] ;
- mr. P.P.J. van der Meij (m) en mr. A.M. Timorason (v), advocaten te Amsterdam, voor de verdachte [de verdachte 2] ;
- mr. J-H.C.M. Kuijpers, raadsman te Amsterdam, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot, mr. V. Poelmeijer voor de verdachte [de verdachte 3] ;
- mr. G.J.M. Kruizinga, raadsman te Amsterdam, voor de verdachte [de verdachte 4] .
voorzitterzegt de aanwezige verdachten op te letten op wat zij zullen horen en deelt hen mee dat zij niet tot antwoorden zijn verplicht.
officier van justitie mr. Boheurdraagt de zaken voor.
rechtbankonderbreekt het onderzoek tot de zitting van 23 juli 2021 om 9.00 uur in Haarlem.
hervatting van het onderzoekop de zitting van
23 juli 2021is de verdachte [de verdachte 4] aanwezig.
1.Voorafgaande beschouwing
2.Verzoeken die zien op EncroChat
verstaatdat geen te nemen beslissing voorligt ten aanzien van het verzoek tot verstrekking van de beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2020.
draagt de officier van justitie opom een proces-verbaal op te (doen) maken waarin wordt verantwoord op welke wijze en op welke momenten besluitvorming heeft plaatsgevonden met betrekking tot de terbeschikkingstelling van de dataset met EncroChat-berichten
ten behoeve van het onderzoek-Messina; met meer in het bijzonder aandacht voor de gedane vorderingen door en beslissingen van de betrokken functionarissen (als de officier van justitie en rechter-commissaris), alsmede voor de gronden waarop een en ander is gevorderd respectievelijk beslist, waar mogelijk voorzien van bijlagen met kopieën van de onderliggende stukken. De rechtbank verstaat dat daarbij gerechtvaardigde belangen als bedoeld in artikel 187d, eerste lid, Sv, voor zover deze worden ingeroepen, met de nodige scherpte zullen worden omschreven en dat wordt verantwoord waar deze aan volledige openbaarmaking in de weg staan.
wijstde verzoeken om verstrekking van stukken, verband houdend met het EncroChat-onderzoek, voor het overige bij gebrek aan noodzaak
af.
wijstde verzoeken tot het horen van getuigen die in verband met het EncroChat-onderzoek zijn gedaan
af, omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachten door deze beslissingen in hun verdediging niet worden geschaad.