Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
24 april 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van meerdere feiten van gekwalificeerde diefstal met geweld, gepleegd op 18 juli 2015 te Tolkamer. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep verzocht de raadsman van verdachte om schorsing van de zaak teneinde deze gelijktijdig met de zaak van de medeverdachte te behandelen en de medeverdachte nader te horen.
Het hof wees dit verzoek af, stellende dat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. De raadsman had echter concreet toegelicht welke vragen aan de medeverdachte gesteld zouden moeten worden, waaronder vragen over de gebeurtenissen in de nacht van de feiten en verklaringen van derden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf toepaste maar zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, waardoor het oordeel niet begrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing, waarbij het schorsingsverzoek opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van de motiveringsvereisten.
De zaak betreft de toepassing van art. 331 lid 1 jo Pro. art. 328 en Pro art. 281 lid 1 Sv Pro omtrent schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Het arrest is gewezen op 24 april 2018 door de Hoge Raad, waarbij de raadsheren Borgers en Boerlage en vice-president de Hullu betrokken waren.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering afwijzing schorsingsverzoek en wijst zaak terug naar hof voor hernieuwde berechting.