Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
4.1 Opnamen en stortingen
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, die zich in 1997 in Polen vestigde en directeur was van een Poolse vennootschap, ontving een aanslag inkomstenbelasting 1998 die per aangetekende post naar zijn Poolse adres werd gestuurd. Deze zendingen bleken onbestelbaar en werden ongeopend retour ontvangen door de Inspecteur. Belanghebbende stelde de aanslag niet te hebben ontvangen en betoogde dat de aanslag buiten de wettelijke driejaarstermijn was opgelegd.
De Rechtbank oordeelde dat de aanslag tijdig was opgelegd en dat de termijnoverschrijding van het bezwaarschrift verschoonbaar was, mede omdat de Inspecteur de gemachtigde niet had geïnformeerd over de aanslag. Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de Inspecteur navraag had moeten doen over de postbezorging, maar dat de aanslag toch op de juiste wijze was bekendgemaakt. Het Hof oordeelde ook dat belanghebbende zijn fiscale woonplaats in Nederland had, gelet op zijn sterke banden met Nederland, en dat een deel van de contante opnamen als inkomen uit aanmerkelijk belang belast moest worden.
Belanghebbende kwam in cassatie tegen deze oordelen, stellende dat de aanslag niet ordelijk was bekendgemaakt, dat hij fiscaal in Polen woonde en dat de winstuitdeling niet bewezen was. De Staatssecretaris stelde voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie in. De conclusie van de A-G benadrukt dat de kernvraag is of de aanslag ordelijk bekend is gemaakt, waarbij het feit dat de aangetekende post onbestelbaar retour kwam en de Inspecteur geen navraag deed, aanleiding geeft tot nader onderzoek. De fiscale woonplaats en winstuitdeling zijn eveneens belangrijke punten van discussie.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt vast dat nader onderzoek nodig is naar de ordentelijke bekendmaking van de aanslag en behandelt de fiscale woonplaats en winstuitdeling.