ECLI:NL:HR:2011:BP1466
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitleg woonplaatsbegrip in Algemene Kinderbijslagwet
Belanghebbende, een Azerbeidzjaanse nationaliteit bezittende persoon, had een aanvraag tot kinderbijslag over 2005 ingediend die door de Sociale verzekeringsbank werd afgewezen op grond van het ontbreken van ingezetenschap in Nederland volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar gegrond, maar de Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat belanghebbende geen ingezetene was vanwege het ontbreken van een economische binding met Nederland, ondanks een langdurig verblijf en sociale integratie.
De Hoge Raad stelt dat het begrip woonplaats in de AKW moet worden uitgelegd aan de hand van het fiscale woonplaatsbegrip, waarbij een duurzame persoonlijke band met Nederland voldoende is, zonder dat een economische binding vereist is.
De Centrale Raad heeft volgens de Hoge Raad een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door economische binding als noodzakelijk criterium te stellen. Daarom wordt het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van deze uitleg.
De Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van het fiscale woonplaatsbegrip.