ECLI:NL:HR:2005:AT5917
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 6:11 Awb bij betwisting niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens vermeende niet-ontvangst aanslagbiljet
Belanghebbende, een vennootschap gevestigd in Luxemburg, maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1999. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het Hof Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad stelt vast dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd wanneer het aanslagbiljet daadwerkelijk is verzonden, terwijl dit essentieel is voor de aanvang van de bezwaartermijn volgens artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de enkele stelling van belanghebbende dat het aanslagbiljet nooit is ontvangen niet volstaat om de termijnoverschrijding te verontschuldigen op grond van artikel 6:11 Awb Pro. De Hoge Raad benadrukt dat deze stelling beoordeeld moet worden op aannemelijkheid en dat afhankelijk daarvan kan worden beslist of sprake is van een omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalt dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor herbeoordeling met toepassing van artikel 6:11 Awb.