Uitspraak
- met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (feit 2 primair);
- opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (feit 3 primair) en
- een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt (feit 4)
het hof begrijpt: [benadeelde partij]), nabestaanden van Nicky Verstappen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van
- onder 1 primair (de gekwalificeerde doodslag, te weten dat de doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van – kort gezegd – het zedenfeit gemakkelijker te maken, waarbij de geweldshandelingen bestonden uit verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van Nicky Verstappen toe te passen);
- onder 2 primair (het betasten en penetreren van Nicky Verstappen);
- onder 3 (de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen) en
- onder 4 (een gewoonte maken van het bezit van kinderpornografie met betrekking tot de Packard Bell PC en in ieder geval één externe harde schijf in de periode van (
het hof begrijpt: tot een bedrag van € 6.823,77), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met de daarbij horende gijzeling en te vermeerderen met de gevorderde proceskosten voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen.
het hof begrijpt: gegevensdragers) strafbare feiten of handelingen staan.
het hof begrijpt: van (een van) de onder 1, 2 en/of 3 tenlastegelegde feiten), met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van het hof.
het hof begrijpt: een gewoonte maken van het in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, op) de PC. De rechtbank heeft de vrijspraak voor de harde schijven niet gemotiveerd. De advocaten-generaal menen dat een bewezenverklaring dient te volgen voor ook één harde schijf en hebben daarbij opgemerkt dat het niet nodig is dat in de tenlastelegging ook foto’s worden omschreven die van een harde schijf afkomstig zijn.
het hof begrijpt: op de terechtzitting van 6 april 2021) heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van feit 4. De verdediging heeft dit verweer herhaald, nu zij van mening is dat de eerdere beslissing van het hof, zoals kenbaar gemaakt op de terechtzitting van 9 april 2021, op dit punt juridisch onjuist is. Kort gezegd lijkt het standpunt te zijn dat de verdachte mocht worden vervolgd, nu het zwaartepunt van de voorlopige hechtenis lag bij de overige feiten, maar dit standpunt volgt niet uit de jurisprudentie en is juridisch onjuist, aldus de verdediging. De verdediging concludeert dat de vervolging voor een strafbaar feit waarvoor geen toestemming tot overlevering is verleend enkel mag plaatsvinden indien de verdachte voor dit feit geen vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondergaan. Dat een verdachte voor andere feiten (waarvoor wel toestemming tot overlevering is verleend) wel vrijheidsbeperking ondergaat, is wel toegestaan. De verdachte heeft echter reeds vrijheidsbeperking ondergaan voor de verdenking van het bezit van kinderporno. In de zaak van de verdachte is ondanks het ontbreken van toestemming de voorlopige hechtenis al in 2018 bevolen voor onder andere het bezit van kinderporno. Op het moment dat de verdachte voor dit feit werd vervolgd en berecht, onderging hij een vrijheidsbeperkende maatregel voor onder andere dit feit. Het specialiteitsbeginsel is hiermee ten onrechte geheel terzijde geschoven, zo stelt de verdediging. Dat er inmiddels wel toestemming is verleend, doet niet af aan het feit dat de vervolging voor dit feit is aangevangen terwijl er geen toestemming was en de verdachte voor dit feit wel reeds een vrijheidsbeperkende maatregel onderging, aldus de verdediging. De verdediging verzoekt om deze reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor het bezit van kinderporno.
Daarbij merkt het hof – nogmaals en ten overvloede – op dat de Spaanse magistraat-rechter [naam Spaanse magistraat-rechter] op 14 december 2020 heeft besloten tot het instemmen met de uitbreiding van de overlevering ten gunste van de Nederlandse autoriteiten van de verdachte voor het instellen van een vervolging voor een misdrijf van seksuele uitbuiting en kinderpornografie.
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden;
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen (geboren op 13 maart 1987) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Verstappen, door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten en/of met één of meer van zijn, verdachtes, vingers, althans diens penis, althans met een hard voorwerp, de anus van die Verstappen te penetreren of binnen te dringen;
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 1 juli 2018 in de gemeente Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of in Frankrijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en/of films en/of video's, – en/of een gegevensdrager (te weten een Packard Bell PC), bevattende afbeeldingen – van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:
- het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
- het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
1.Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van de feiten 1, 2 en 3
in dubio pro reo’, in het voordeel van de verdachte te worden geoordeeld en dient vrijspraak van het tenlastegelegde te volgen. [14]
Iedere verklaring van den verdachte in den zin van dit artikel moet aan den rechter de bouwstof voor het bewijs kunnen leveren. De vraag of die verklaring inhoudt eene algeheele bekentenis van schuld, eene ontkenning of slechts erkenning van sommige feiten en omstandigheden die met het te laste gelegde feit in een meer of minder verwijderd verband staan, betreft de beoordeling van den inhoud der verklaring, eene beoordeling waarin de rechter geheel vrij is”. [17] Op deze plaats is van belang dat ook het niet-verklaren door de verdachte een rol kan spelen bij het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit.
nemo tenetur-beginsel) en heeft, in tegenstelling tot het
nemo tenetur-beginsel, wel een wettelijke grondslag in het Nederlandse strafprocesrecht (artikelen 29, 271, eerste lid en 273, tweede lid Sv).
2.Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1: (gekwalificeerde) doodslag
het hof begrijpt: waar Nicky Verstappen is gevonden) en de toestand van de kleding kan niet (met zekerheid) de betrokkenheid van een dader worden afgeleid. Ook de houding van het lichaam wordt niet genoemd als omstandigheid waaruit een niet-natuurlijk overlijden kan worden afgeleid. De verdediging heeft in dat kader de betrouwbaarheid en deugdelijkheid van het onderzoek van [bewegingsdeskundige] , waarin wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de houding het gevolg is van (bewuste) manipulatie, betwist. Met betrekking tot de duur van de vermissing heeft de verdediging opgemerkt dat over het moment van overlijden te veel onduidelijk is om daaraan ook maar enige conclusie te kunnen verbinden, laat staan daaraan de conclusie te verbinden dat er sprake moet zijn geweest van een dader. De methode van ‘Homicide by Unspecified Means’ staat er aan ten doel om het gevaarlijke pad van doodsoorzaak-confabulatie (onbewust liegen) te vermijden, zoals bijvoorbeeld met behulp van specifieke diagnoses zoals verstikking, die worden aangevoerd als diagnose van uitsluiting. Er is sprake van doodsoorzaak-confabulatie door de diagnose verstikking vast te stellen, terwijl de aspecifieke verschijnselen voor verstikking ontbreken. Aan de bevindingen aan de hals van Nicky Verstappen kunnen geen conclusies worden verbonden. Er kunnen alleszins geen (voor geweldpleging) betekenisvolle letsels worden gevonden. Indien wordt aangenomen dat er letsels voor het overlijden zijn ontstaan, dan dient in ogenschouw te worden genomen dat er een fikse vechtpartij is geweest tussen de jongens in de tent, voorafgaand aan het verdwijnen van Nicky Verstappen. De letsels ontstaan voor het overlijden kunnen ook het gevolg zijn van die vechtpartij.
het hof: elders in het digitale einddossier ook wel aangeduid als sparrenperceel), dat zich bevond in een omheind perceel. [29]
het hof begrijpt: beter past) binnen het ontbindingsproces dan dat sprake is van (inwendig) (hoofd)letsel. [39] Nu bij de latere sectie in het geheel niet is gebleken van (inwendig) hoofdletsel, kan dit als mogelijke oorzaak van de dood van Nicky Verstappen reeds hier worden uitgesloten. Tot slot heeft [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 geadviseerd een gerechtelijke sectie te laten plaatsvinden. [40]
Toxicologische doodsoorzaak
Uitdroging
Onderkoeling c.q. hypothermie
het slijmvlies was gaaf”. Het ontbreken van dit aspecifieke verschijnsel in de maag sluit onderkoeling echter niet uit, aldus Soerdjbalie-Maikoe. [57]
Ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma)
het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en zou men op een andere manier hebben moeten liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak. [65]
Fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking
het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en dan zou men op een andere manier liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak. [73]
Stress en/of angst
Verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukkenvan/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) en verstikking doorgeweld op de hals (zoals bij verwurging)
Verstikking kan, maar hoeft niet, postmortaal tekenen (te) geven. In een aantal gevallen zijn na verstikking, postmortaal, noch macroscopisch, noch microscopisch, tekenen van verstikking aanwijsbaar. Zuurstofnood kan in deze gevallen niet worden aangetoond. Dit was ook in het onderhavige geval van toepassing. Uit het bovenstaande volgt ook dat het niet vinden van tekenen van verstikking, verstikking niet uitsluit”. [79] Van Ingen heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 bevestigd dat verstikking zonder tekenen daarvan mogelijk is. [80]
Met betrekking tot verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke doodsoorzaak heeft Soerdjbalie-Maikoe opgemerkt dat geweld op de hals in een substantieel aantal gevallen gepaard gaat met aspecifieke begeleidende verschijnselen zoals puntvormige bloeduitstortingen (in de bindvliezen van de oogleden, onderhuids) en letsels aan de hals, welke niet zijn vastgesteld bij de schouw en sectie. Soerdjbalie-Maikoe heeft naar voren gebracht dat zij op de foto’s van de sectie niet kon beoordelen of er wel of geen puntvormige bloedingen waren, omdat er geen detailfoto’s van de oogleden en het gelaat voorhanden waren. Een beoordeling van de letsels aan de hals kon wel, voor zover dit nog mogelijk was wegens postmortale veranderingen. Er werden behoudens de postmortale verschijnselen van marmertekening en huidloslating geen overige bijzonderheden aan de hals gezien, zo heeft Soerdjbalie-Maikoe gerapporteerd. [81]
Ten aanzien van verstikking (zoals bij verwurging) heeft Van de Voorde in datzelfde verhoor verklaard dat er heel wat gevallen van geweld tegen de hals zonder letsels aan de hals zijn. Bovendien zijn inwendige letsels aan de hals bij kinderen uitermate zeldzaam. Zij hebben een zeer soepel keelskelet, de adamsappel en het tongbeen zijn kraakbenig en breken niet of nauwelijks. Van de Voorde kan in zijn 20-25 jaar durende carrière getuigen van verschillende dodingen door strangulatie en wurging, waarin er geen uitwendige wurgsporen of strangulatiesporen aan de hals waren, bijvoorbeeld bij een slachtoffer dat zich niet heeft verweerd of een slachtoffer dat is gestranguleerd met een breed snoer, een sjaal of een arm. Dat kan verlopen zonder sporen achter te laten; de halsspierbloedingen en breuken kunnen ontbreken. Als die er zijn, dan kun je de diagnose stellen en als die er niet zijn, dan kun je het niet uitsluiten. Evenals Soerdjbalie-Maikoe heeft Van de Voorde geconcludeerd dat er geen objectieve argumenten zijn die wijzen op verwurging, maar dat dit verwurging als mogelijke doodsoorzaak ook niet uitsluit. [83]
Voorts heeft Bilo in datzelfde rapport geconcludeerd dat subtiel smoren niet kan worden uitgesloten. Ook combinaties van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie bij een reeds bestaande lichamelijke aandoening, kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld een status asthmaticus als stressreactie bij een CARA-kind). Hierbij behoeft op zich de lichamelijke reactie niet tot overlijden aanleiding te geven. Het overlijden is het gevolg van het niet zoeken van medische hulp. [84]
mogelijkedrukplekken, zijn aan te merken als ontbindingsverschijnselen. Deze waarnemingen door de Technische Recherche en [gemeentelijk lijkschouwer] en de duiding daarvan als
mogelijkedrukplekken kunnen derhalve geenszins bijdragen aan de conclusie dat in de onderhavige zaak sprake is van de doodsoorzaak van verstikking. Dat laat onverlet dat, zoals hierboven is overwogen, verstikking mogelijk is zonder tekenen van verstikking.
Vechtpartij in de tent
Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair: seksueel binnendringen/plegen van ontuchtige handelingen
het hof begrijpt: in het onderzoek TGO Hei) heeft geen enkel effect in de strafzaak, aldus de advocaten-generaal. Bij repliek hebben de advocaten-generaal ten aanzien van de grondslag van het onderzoek in de vermissingszaak met betrekking tot de spullen verkregen via de zus van de verdachte gewezen op het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens.
De feitelijke situatieschets
- categorie I: aanwezigheid op of bekendheid met de Brunssummerheide;
- categorie II: zedendelinquenten;
- categorie III: kindermoordenaars;
- categorie IV: aanwijzingen (tips);
- categorie V: medewerkers van [vereniging] in 1998.
het hof begrijpt: in het onderzoek TGO Hei) zijn er verschillende handelingen ondernomen om met hem in contact te komen. Zo is op 8 november 2017 een brief in de brievenbus achtergelaten op het [voormalig adres van de verdachte] met het verzoek om contact op te nemen met het onderzoeksteam. Op zowel 13 november 2017 als tweemaal op 15 november 2017 heeft de politie aangebeld op voornoemd adres en bleek er niemand thuis. Op laatstgenoemde datum is door verbalisant [verbalisant 6] een visitekaartje achtergelaten met het verzoek om met spoed contact op te nemen met de verbalisant. Op 16 november 2017 is een e-mailbericht opgemaakt voor de desbetreffende wijkagent met het verzoek aan de bel te gaan om dit verzoek kenbaar te maken. [100]
het hof begrijpt: als POI in het onderzoek TGO Hei). [101]
het hof begrijpt: 2018) terug zou zijn in Nederland. Nadien heeft [zus van de verdachte 1] op 6 maart 2018 aan verbalisant [verbalisant 6] te kennen gegeven dat zij niet wist op welke datum in maart de verdachte naar Nederland zou komen en vervolgens op 3 april 2018 dat zij nog niets had vernomen van de verdachte. [102]
het hof begrijpt gelet op map 5 van het digitale einddossier, pg. 1019: het NFI-zaaknummer in de zaak TGO Hei) maken deel uit van dit DNA-profielcluster. Dit betekent dat het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 afkomstig kan zijn van de verdachte en dat hij onbekende man 2 uit deze zaak kan zijn. De berekende frequentie van de autosomale DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 is kleiner dan 1 op 1 miljard. [128]
Het juridische kader van vormverzuimen en artikel 359a Sv
De constatering van (een) vormverzuim(en)Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, eerste lid Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de strafrechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de strafrechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. Dat betekent in de onderhavige strafzaak dat op dit punt de vraag is: is er in de onderhavige strafzaak bij het voorbereidend onderzoek een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel geschonden waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim? Zo ja, en de eventuele rechtsgevolgen blijken daarbij niet uit de wet, is er dan sprake van een aanzienlijke of ernstige schending van dat voorschrift of rechtsbeginsel? Ten slotte is de vraag of aan dat vormverzuim, rekening houdend met de in artikel 359a, tweede lid Sv genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en met inachtneming van het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit – dat wordt volstaan met het, vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien, minst verstrekkende rechtsgevolg – bewijsuitsluiting als rechtsgevolg dient te worden verbonden.
het hof begrijpt: van het lichaam van Nicky Verstappen).
het hof begrijpt: van het lichaam van Nicky Verstappen). Daartoe is aangevoerd dat er in deze zaak geen sporenbeeld is dat bijdraagt aan de conclusie dat van seksueel binnendringen sprake is geweest, integendeel. Voorts is er geen sprake van een samenspel van omstandigheden dat bijdraagt aan de conclusie dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Gewijzigde wetenschappelijke inzichten maken dat niet mag worden uitgegaan van de bevindingen en conclusies van Van Ingen en Maes, te weten dat sprake is geweest van letsels, laat staan dat deze zijn veroorzaakt door penetratie. De bevindingen en conclusies van Van Ingen en Maes kunnen derhalve niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Ook de conclusies van Green horen niet thuis in een bewijsconstructie, aldus de verdediging.
De bevindingen en interpretaties van G. van Ingen en A. Maes
De bevindingen, interpretaties en conclusies van M.A. Green
het hof begrijpt: plaats van aantreffen van het slachtoffer) en tijdens de sectie die op 13 augustus 1998 op (
het hof begrijpt: het lichaam van) Nicky Verstappen was verricht, alsmede het sectierapport van Van Ingen. Aan Green was in het bijzonder gevraagd zich uit te laten over de verschijnselen bij de anus zoals getoond op de foto’s die op 29 december (
het hof begrijpt: 2000) naar hem waren toegestuurd en een latere set vergrotingen die op 12 februari (
het hof begrijpt hierna telkens: 2001) naar hem waren toegestuurd en op 13 februari in Leeds waren aangekomen.
het hof begrijpt: verwijd) is met een naar voren liggende ‘lip’ van huid. De ingang van de anus ziet er ‘trechtervormig’ uit. De huid is opmerkelijk glad met verlies van de gegroefdheid die normaal gesproken is te zien bij de huid rondom de anus. Er hebben veranderingen plaatsgevonden bij de overgang tussen het slijmvlies en de huid van de buitenzijde van de anus (verhoorning), zodat de overgang zich opwaarts en binnenwaarts heeft ‘teruggetrokken’ en niet zo gemakkelijk te zien is als gewoonlijk, zelfs niet op die foto’s waarop de anus wordt opengehouden door de billen met de vingers uit elkaar te houden. Voorts stelt Green vast dat zowel anterieur als posterieur van de middenlijn schaafwonden goed zichtbaar zijn (op 12 uur en op 6 uur). Posterieur is niet alleen sprake van schaafwonden, maar lijkt er ook een fissuur te zijn en, in verband hiermee, is er een vage bloeduitstorting met een diameter van ongeveer 5 millimeter. Green denkt niet dat de schaafwonden en de bloeduitstorting zijn veroorzaakt door harde ontlasting. Het is zeker geen postmortaal verschijnsel. De anale dilatatie is naar zijn mening te extreem om toe te schrijven aan postmortale verandering, hoewel dit ertoe heeft kunnen bijdragen.
Green concludeert dat de verschijnselen overeenkomen met een of andere vorm van anale penetratie kort voor overlijden bij een kind dat gedurende een periode ervoor gewend was aan seks met anale penetratie. Het is niet mogelijk te zeggen of deze penetratie is veroorzaakt door een penis (anale seks). Andere vormen van anale penetratie kunnen deze veranderingen veroorzaken. Samenvattend denkt Green dat dit kind kort voor overlijden onderworpen is geweest aan een of andere vorm van anale penetratie en gedurende een periode ervoor gewend was aan een dergelijke penetratie. [135]
Green merkt op dat de huid rond een gewone anus radiale ribbels vertoont. Zij worden minder uitgesproken en verdwijnen uiteindelijk in gevallen waarin anale penetratie een gewoonte wordt. Ook het ontstaan van een gladde, glanzende huid waaruit het pigment is verdwenen bij de rand van de anus is gedocumenteerd in verband met anale penetratie. Een vergelijkbaar causaal verband tussen anale penetratie en zogenaamde ‘trechtervorming’, die de overgang van slijmvliezen naar huid gedeeltelijk verbergt, is ook al jaren geleden herkend en beschreven; herhaaldelijk opgelopen gering trauma is de meest voor de hand liggende verklaring. Green beschouwt de verschijnselen in en rondom de anus ruim buiten het scala van gewone veranderingen die na overlijden optreden.
Green heeft in voormelde brief geconcludeerd dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat anaal misbruik in deze zaak ‘onomstotelijk kan worden aangetoond’, zoals bij de Engelse strafrechter is vereist. [137]
linea pectinatazou kunnen zijn, maar hij is daarvan niet volledig overtuigd. Aangezien er geen histologisch onderzoek is verricht, kan hij de mogelijkheid niet uitsluiten dat de zichtbare letsels na overlijden zijn ontstaan. Zonder histologisch onderzoek is het niet met zekerheid te zeggen of het blauwige letsel op 6 uur een bloeduitstorting betreft. Kortom, er zijn geen eenduidig specifieke tekenen van letsel, aldus Green. [138]
De bevindingen, interpretaties en conclusies van R.A.C. BiloIn zijn verslag d.d. 4 april 2001 heeft (gepensioneerd) forensisch arts [139] Bilo naar voren gebracht dat, voor zover te beoordelen aan de hand van de foto’s en de beschrijving van de patholoog, de verwijding van de anus een normaal postmortaal verschijnsel is. Hierbij kan op basis van het feit dat er sprake was van anale verwijding of op basis van de grootte van de verwijding niet worden vastgesteld of er sprake is geweest van anaal misbruik.
het hof begrijpt: het/de letsel(s)) kan met behulp van de foto’s niet worden vastgesteld. Indien de beschrijving van de patholoog van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden zijn ontstaan, dan zijn deze vermoedelijk het gevolg van het feit dat een (groot) voorwerp de anusring is gepasseerd. Met behulp van de foto’s kan niet worden vastgesteld of het voorwerp van binnen naar buiten is gegaan (harde ontlasting) of van buiten naar binnen (bijvoorbeeld een penis in erectie of een ander ‘glad’ voorwerp). De kans is echter klein dat ontlasting bij obstipatie (harde ontlasting) bij een kind van deze leeftijd dergelijk letsel/schade veroorzaakt. Voor zover te beoordelen aan de hand van de foto’s is sprake van oppervlakkige afwijkingen in de anusring. Oppervlakkige afwijkingen/letsels in de anogenitale streek herstellen in het algemeen snel; soms zijn ze (bij een levend kind) binnen 24 uur alweer verdwenen. Als de beschreven afwijkingen voor het overlijden zijn ontstaan, dan is de kans groot dat deze kort voor het overlijden zijn ontstaan. Voorts heeft Bilo naar voren gebracht dat de met de rode pijlen gemarkeerde ‘lijn’ op de in zijn verslag weergegeven foto’s de
linea pectinata(=
linea dentata) is en dat de lijn kan lijken op een litteken van een oude fissuur, maar dat het een normale anatomische structuur is. In de visie van Bilo kan op grond van de bevindingen van de patholoog anaal misbruik niet uitgesloten worden geacht, maar op de foto’s zijn geen afwijkingen zichtbaar die misbruik in combinatie met instrumenteel geweld aannemelijk maken. [140]
Met betrekking tot de beschadigingen in de anusring heeft Bilo conclusies getrokken waarbij moet worden aangetekend dat deze uitsluitend gelden als de beschrijving en interpretatie van de NFI-patholoog met betrekking tot hetgeen hij bij de uitwendige schouw heeft gezien correct is.
linea dentatagezien, maar een beschadiging die er eigenlijk niet zou moeten zitten. [143]
De bevindingen, interpretaties en conclusies van W. van de Voorde
linea dentata(gegolfde lijn op de grens tussen huid en slijmvlies) zichtbaar. Op grond van de foto’s kan niet worden uitgemaakt of dit een bloeding betreft. Van de Voorde onderschrijft de conclusie van Bilo, inhoudende: “
Indien de beschrijving van de patholoog van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden zijn ontstaan, dan zijn deze vermoedelijk het gevolg van het feit dat een voorwerp de anus is gepasseerd. De kans is klein dat harde ontlasting bij een kind van deze leeftijd schade veroorzaakt. (…) Letsels in de anogenitaal streek neigen tot snelle genezing. Dus indien het letsels zijn, zijn deze kort voor het overlijden ontstaan”. Van de Voorde stelt zich op het standpunt dat anaal misbruik derhalve niet met zekerheid kan worden bevestigd noch worden uitgesloten. Volledigheidshalve heeft Van de Voorde opgemerkt dat niet-traumatische penetratie tevens tot de mogelijkheden behoort. Behoudens de waarneming van de patholoog tijdens de uit- en inwendige lijkschouwing zijn er geen objectieve medicolegale aanwijzingen voor seksueel misbruik. De mogelijkheid van seksueel misbruik kan op grond van de huidige medicolegale bevindingen noch worden bevestigd, noch worden uitgesloten. [145]
De bevindingen, interpretaties en conclusies van V. Soerdjbalie-Maikoe
De bevindingen, interpretaties en conclusies van W.A. Karst
Op de foto’s is zichtbaar dat sprake is van een gedilateerde anus, met een doorsnede in de middenlijn van circa 2,5 centimeter, met daardoor zicht op het dieper gelegen darmslijmvlies van de endeldarm. De grens tussen huidepitheel en darmslijmvlies is hierdoor zichtbaar, die enigszins golvend en op sommige plekken rood-doorschemerend circulair verloopt en de medische term
linea pectinataof
linea dentataheeft. Juist buiten de overgang tussen de huid en het darmslijmvlies, aan de rugzijde (met een klokprojectie tussen half 12 en 12 uur), is een kleine donkere verkleuring zichtbaar, met aan de rechterzijde een lijnvormige rode huidverkleuring. Karst merkt dit aan als normale postmortale veranderingen. Er zijn geen zichtbare beschadigingen van de huid of het darmslijmvlies.
Karst merkt het openstaan (dilateren) van een anus aan als een gebruikelijk postmortaal fenomeen en merkt onder verwijzing naar een onderzoek uit 1996 op dat een postmortaal wijde anusopening niet kan worden gebruikt in relatie met seksueel misbruik (anale penetratie). Voorts moet de zichtbare (golvend verlopende)
linea pectinataniet worden verward met inkepingen of verscheuringen van of rondom de anus. Karst brengt naar voren dat in verschillende artikelen en leerboeken wordt aangegeven dat een postmortaal openstaande anus bij kinderen in het verleden onterecht werd gerelateerd aan anale penetratie.
linea pectinatabetreft) beschrijft als genezend, maar concludeert dat de bevindingen passend zijn bij anale penetratie juist (
het hof begrijpt: kort) voor het overlijden.
ongeveer even waarschijnlijkzijn wanneer sprake is geweest van anale penetratie, als wanneer geen sprake is geweest van anale penetratie. [148]
ongeveer even waarschijnlijkzijn wanneer sprake is geweest van anale penetratie, als wanneer geen sprake is geweest van anale penetratie. Het is daarmee (dus) niet uit te sluiten dat Nicky Verstappen voorafgaand aan zijn overlijden anaal is gepenetreerd, maar de bevindingen op de sectiefoto’s geven geen ondersteuning voor die hypothese. [151]
Conclusies
Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2006
Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de onderbroek in zones verdeeld. Het gebied rondom bloedspoor [ABR035]#1, de tailleband, de randen en het kruis van de onderbroek zijn bij de indeling in zones als afzonderlijke zones beschouwd, omdat dit plaatsen zijn waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen. De 30 zones zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt (een deel van) de onderbroek met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape (de stub) wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen [ABR035]#5 tot en met [ABR035]#19 en [ABR035]#21 tot en met [ABR035]#35 zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de onderbroek, welke in zijn geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De zones beslaan vrijwel de gehele onderbroek. [163]
Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2008Onderzoek naar biologische sporenBij het DNA-onderzoek in 2006 is voor 11 bemonsteringen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50 niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. De resterende delen van deze sporen zijn in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. De aanwijzing op de aanwezigheid van speeksel is in 10 resterende delen van de sporen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #49 bevestigd. [166]
Aan de buitenkant van de onderbroek is het gebied [ABR035]#24 gestubd en veiliggesteld als [AAGD5406]#14. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van het slachtoffer en onbekende man 2. Daarnaast is aan de buitenkant van de onderbroek het gebied [ABR035]#30 gestubd en veiliggesteld als [AAGD5406NL]#18. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van onbekende man 2. [172]
De advocaten-generaal hebben zich niet expliciet uitgelaten over het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit, indien het hof niet zou concluderen tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde seksueel binnendringen.
het hof begrijpt: op het lichaam en de kleding van het slachtoffer). Hetzelfde geldt voor de haar (
het hof begrijpt: die is veiliggesteld vanaf de onderbroek van het slachtoffer) die het Openbaar Ministerie heeft genoemd. Deze bevindingen kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarbij komt dat het sporenbeeld op de plaats delict (
het hof begrijpt: plaats van het aantreffen van het slachtoffer) maagdelijk is en tegenspreekt dat daar een bruut misdrijf heeft plaatsgevonden, zo stelt de verdediging.
het hof begrijpt: binnenstebuiten) droeg. De [vader van Nicky Verstappen] , heeft verklaard dat hetgeen de moeder van Nicky verklaarde overeenkwam met zijn verklaring. [184]
Het beroep op het zwijgrecht in de verhoren door de politie
De proceshouding van de verdachte in eerste aanleg
het hof begrijpt: gaat maken) of een verklaring gaat geven. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet kan zeggen wanneer het moment komt waarop hij er wel iets over kan zeggen. Nadat aan de verdachte is voorgehouden dat hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zal verklaren als de tijd rijp is en dat de tijd rijp is als alles volledig begrepen wordt, heeft de verdachte verklaard dat hij nog weet dat hij dat heeft verklaard, maar dat hij niet weet wat hij bedoelt met als “alles volledig begrepen wordt”. Hij heeft verklaard dat door hem alles moet worden begrepen en dat hij met zijn raadsman heeft afgesproken dat hij op dat moment nog geen verklaring aflegt.
Ik wil vandaag een korte verklaring afleggen. Ik heb al eerder gezegd dat ik niets van doen heb met de ontvoering, het vermeende misbruik en de dood van Nicky Verstappen. Ik loop al heel lang met een geheim rond. Ik heb hier nog nooit met iemand over gesproken. Hoe langer ik dat geheim met me mee droeg/draag, hoe moeilijker het werd/is om daar iets mee te doen. Vandaag is wel het moment om daar iets mee te doen. Ik ga daar wel over praten. Maar eerst wil ik nog even iets kwijt over mijn eigen persoon. Ik ben niet zo’n prater, zeker niet onder druk, ik ben introvert, ik praat niet zo graag over mezelf. (...) [190] Ik heb dus nu besloten om wel te gaan verklaren en daar heb ik enkele redenen voor. Eén van de redenen is dat één van de rechters, de rechtbank, duidelijk maakte dat als ik mijn DNA kan verklaren, dat ik dan de sleutel heb van mijn cel. Tweede punt is dat de ouders recht hebben om te weten wat er nu gebeurd is en het stukje dat ik daarvan weet, wil ik nu vertellen. Bij het eerste verhoor zei de rechter: “Je hebt wisselende verklaringen afgelegd voor zaken uit midden jaren ‘80 en dat is één van de redenen dat je nog vastzit”.
Je staat wat te kijken, dan heb je het idee: o, er is iets, wat is dat?”. Hij zou niet meer weten wat het was, maar het was voldoende om hem nieuwsgierig te maken. Zijn aandacht werd vanaf de bosrand getrokken door iets in de verte, in die strook met dennen/sparren, op ongeveer 30 meter afstand. Hij heeft Nicky Verstappen aangetroffen op de plaats waar zij tijdens de schouw hebben stilgestaan, achter het hek met prikkeldraad; het sparrenperceel, gemarkeerd met een oranje pilon. Als hij daar is gevonden, heeft de verdachte hem daar ook aangetroffen. Daar is hij over het hek gestapt, zo heeft de verdachte verklaard.
De verdachte heeft verklaard dat hij hem rechter heeft gelegd, op zijn rug. Volgens de verdachte lag hij meer op zijn buik. De verdachte heeft hem omgedraaid, maar hij weet niet of hij helemaal op zijn buik lag, deels op zijn buik. Hij lag niet op zijn rug. De verdachte heeft hem omgedraaid en één been gestrekt. Hij heeft hem naar zijn rug gedraaid. Dat was voordat hij luisterde naar zijn hartslag. De verdachte heeft verklaard dat hij gelooft dat hij eerst is gaan kijken naar de ademhaling.
Hij weet nog dat hij heeft gehandeld om te kijken of hij iets kon doen, om te kijken of Nicky nog leefde. De verdachte heeft verklaard dat hij de ademhaling van Nicky bij zijn mond heeft gecontroleerd; hij heeft dat zelfs met zijn wang geprobeerd, omdat hij dan misschien meer kon hebben gevoeld. Naderhand heeft hij zijn oren op zijn borst gelegd om naar de hartslag te luisteren. Hij hoorde niets. Nicky was overleden. De verdachte heeft lang geluisterd naar hartslag, minstens een minuut.
De verdachte heeft aanvankelijk ter terechtzitting verklaard dat hij niet op een andere plek heeft gevoeld. Op een later moment op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer zou weten of hij met zijn handen heeft gevoeld of op andere plekken. Hij denkt dat het zo was dat hij zijn wang op de mond heeft gehouden.
het hof begrijpt: in de avond van 11 augustus 1998, dan wel de nacht van 11 op 12 augustus 1998) naar de hei gefietst om het te gaan melden. Hij zag (
het hof begrijpt: daar aangekomen) geen noodzaak meer te melden aan de leden van de Koninklijke Marechaussee dat hij Nicky Verstappen had gevonden, omdat hij immers al was gevonden. Op de vraag waarom hij in 2001 niet alsnog heeft gemeld dat hij Nicky Verstappen had aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij een verleden had. In het verleden is hem een keer door de politie gezegd: “
Wat er ook gebeurt, we gaan jou dan vinden. Wat er ook gebeurt op dat gebied, we gaan jou vinden”. Dan word je bang, zo heeft de verdachte verklaard. De voorzitter van de rechtbank heeft daarop aan de verdachte gevraagd of hij dan de indruk had dat er een misdrijf was gepleegd met Nicky Verstappen waar de verdachte niet bij betrokken wilde raken. De verdachte heeft daarop verklaard dat hij alleen wist dat er een dood kind was en dat hij niet wist wat er met dat kind was gebeurd. Hij legde een relatie met zijn verleden, omdat bij dat verleden ook kinderen waren betrokken. Verder speelde mee dat hij zich bekeken voelde op een gegeven moment. Als er iemand was geweest, heeft die misschien gezien dat hij bij het jongetje was. Hij wilde er niet bij betrokken worden, aldus de verdachte.
het hof begrijpt: de raadslieden en de verdachte) hebben besloten om de dag daarvoor voor het eerst een verklaring af te leggen en de verdachte wil het houden bij deze verklaring. Op de vraag of de verdachte kan verklaren hoe het spoor op de pyjamabroek en de sporen op de onderbroek van Nicky Verstappen die zijn te matchen aan de verdachte, de sporen in de vorm van huidschilfers en een match in de moederlijke lijn van de verdachte met aangetroffen haren/haardelen, alsmede aanwijzingen voor speeksel, op de aangetroffen plaatsen zijn terechtgekomen, heeft de verdachte verklaard dat hij blijft bij zijn verklaring zoals op 28 september 2020 afgelegd. Hij heeft daaraan niets toe te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn verklaring duidelijk genoeg heeft gemaakt dat zijn contact met Nicky Verstappen op de hei toen hij hem heeft gevonden, meer dan oppervlakkig is geweest. Hij heeft handelingen verricht en hem aangeraakt. Hij heeft het dan over de handelingen zoals hij op 28 september 2020 heeft verklaard. De verdachte heeft verklaard dat hij niet zou weten hoe zijn DNA op de binnenkant van de onderbroek van Nicky Verstappen is gekomen, maar dat hij wel de kleding heeft gecorrigeerd. Hij heeft verklaard dat hij niet meer kan verduidelijken wat hij toen heeft gedaan. De verdachte heeft verklaard dat het voor hem ook een vraag is hoe zijn DNA in mengprofielen met het DNA van Nicky Verstappen op plaatsen in de onderbroek van Nicky Verstappen is gekomen. Hij heeft verklaard dat hij helemaal niets heeft gelezen van het dossier.
De proceshouding van de verdachte in hoger beroep
het hof begrijpt: richtlijnen).
Geachte dhr. [raadsman 2]” en wordt afgesloten met “
dhr. [verdachte]”. De brief beslaat twee pagina’s en is voor een groot deel zwart gelakt. In de brief staat het volgende leesbare deel vermeld:
en ik heb toen gekozen om iets rechts van het fietspad een zijpad in te rijden om daar te plassen. Ik keek uit op ‘n veld en om de een of andere reden werd m’n aandacht getrokken op het verderop gelegen sparrenbosje. Ik ben er toen naartoe gelopen en zag iets; dichterbij zag ik een kind liggen. Ik ben over de prikkeldraad geklommen en heb het kind omgedraaid dat op z’n buik lag in rugligging. Ik heb de ademhaling gecontroleerd bij de mond en ook m’n oor op de borstkas gelegd. Tot m’n schrik moest ik vaststellen dat het kind dood was. Het koude zweet brak me uit en ik weet niet hoe lang ik er gezeten heb, mijn tijd stond stil”.
De totstandkoming van de verklaring van de verdachte
Wat er ook gebeurt, we gaan jou dan vinden. Wat er ook gebeurt op dat gebied, we gaan jou vinden” en dat iemand hem mogelijk bij het jongetje had gezien, acht het hof daarvoor niet afdoende. De verdachte heeft immers verklaard dat hij niet wist wat er met Nicky Verstappen was gebeurd. Uit de inhoud van de verklaring van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte niet de indruk had dat er een misdrijf – in welke vorm dan ook – jegens Nicky Verstappen was gepleegd. De verdachte wist naar eigen zeggen alleen dat het kind dood was. Het hof acht het in die lezing in de rede liggen dat hij (vrijwel) direct melding zou maken van het aantreffen van het lichaam van een jongen waarvan hij op het nieuws had gehoord dat deze vermist was. Het hof is van oordeel dat een melding en verklaring daarover een positieve bijdrage had kunnen leveren aan het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen. Er was voor de verdachte geen enkele aanleiding te veronderstellen dat hij daardoor in de problemen zou komen.
De sporen van de verdachte op het lichaam en de kleding van het slachtofferHet hof stelt vast dat de verdachte heeft getracht een verklaring te geven voor het aantreffen van zijn biologische sporen op het lichaam en op en in de kleding van het slachtoffer.
het hof begrijpt in dit verband: de onderbroek) beter past bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact. [196]
De sporen op de plaats van het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer
Het ontbreken van een mogelijke andere dader dan de verdachte
Conclusie
De ‘chain of custody’
Voorts werden de folie met microsporen van de borst [S-09], de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer onderzocht op de aanwezigheid van haren. Op de onderbroek werden enkele lichaamshaartjes waargenomen, die werden veiliggesteld en vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van celmateriaal om de haarwortels. Er werd een zeer kleine hoeveelheid celmateriaal waargenomen dat voor DNA-onderzoek zou worden gebruikt.
In het kader van het vezelonderzoek werden de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer afgeplakt met film. Deze stroken film en de veiliggestelde vezels bleven, evenals de folie met microsporen van de borst van het slachtoffer [S-09], op het Gerechtelijk Laboratorium bewaard voor een eventueel later uit te voeren vergelijkend vezel(contactsporen)onderzoek. [215] Bij het onderzoek naar sperma, haren en vezels zijn, afgezien van een referentie vezelmonster (vermoedelijk uit de tailleband binnenkant voorzijde van de pyjamabroek) geen bemonsteringen (delen van de stof) uit de pyjamabroek en onderbroek veiliggesteld. [216]
het hof begrijpt: waaronder [S-12 en S-13]) gingen separaat retour. [217]
Bij eerder onderzoek in 2001 was vanaf de folie met (micro)sporen van de borst één bloedpartikeltje veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De folie is nogmaals onderzocht op de aanwezigheid van bloed en hierbij is één bloedpartikeltje aangetroffen dat is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Deze bloedpartikeltjes zijn tezamen met microsporen (vezels, haren etc.) middels de plakfolie vanaf de borst van het slachtoffer verzameld. De stukken van overtuiging van dit (deel)onderzoek zijn separaat retour gegaan. [221]
Voorts is de pyjamabroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Daarbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 17 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen 17 locaties zijn bemonsterd door deze met de onderliggende stof uit de pyjamabroek te verwijderen.
Alle sporen die bij het onderzoek in 2006 van de pyjamabroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan bij het standaard DNA-onderzoek geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse, dat wil zeggen de indicatie op DNA-kenmerken, wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan aanvullend DNA-onderzoek. Bij het aanvullende DNA-onderzoek is gebruikgemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en de LCN-techniek. Bij het onderzoek in 2006 is voor één bemonstering, te weten [ABR034]#93, niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. Dit resterende deel van het spoor [ABR034]#93 is in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt.
In juni 2008 zijn alle DNA-extracten van de sporen, die naar aanleiding van het onderzoek in 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Bovendien is een deel van de resterende DNA-extracten behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Voor één spoor is het verkregen PCR-product aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Ook het resterende deel van het spoor [ABR034]#93, dat bij het onderzoek in 2006 nog niet was verbruikt, is in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. [223]
Tot slot is de onderbroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 18 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen 18 locaties zijn bemonsterd door deze met de onderliggende stof uit de onderbroek te verwijderen.
Alle 52 sporen, die bij het onderzoek in 2006 van de onderbroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en de LCN-techniek.
Bij het DNA-onderzoek in 2006 is voor 11 bemonsteringen niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. De resterende delen van deze sporen zijn in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoektechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. In juni 2008 zijn alle 52 sporen, die naar aanleiding van het onderzoek reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Voor 12 sporen zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van 11 sporen, die bij het onderzoek in 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. [224]
het hof begrijpt: naar het overlijden) van Nicky Verstappen. Voorts is op 4 februari 2020, in het bijzijn van voornoemde officier van justitie, gesproken met [verbalisant 2] . Hij was op 11 augustus 1998 ook als forensisch rechercheur, werkzaam bij de forensische recherche van de toenmalige politieregio Limburg-Zuid, betrokken bij het forensisch onderzoek op de plaats waar de overleden Nicky Verstappen op 11 augustus 1998 was aangetroffen. Het doel van die gesprekken was om meer duidelijkheid te verkrijgen over wie op welk moment gedurende het onderzoekstraject in aanraking was geweest met de stukken van overtuiging, waar deze stukken vanaf de start van het onderzoek op 11 augustus 1998 verbleven en welke handelingen daarmee hadden plaatsgevonden. Hierbij lag de focus met name op de pyjamabroek en de onderbroek die Nicky Verstappen droeg toen zijn lichaam op 11 augustus 1998 levenloos werd aangetroffen op de Brunssummerheide.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een zodanig ondeugdelijke verslaglegging dat daaraan een gevolg zou moeten worden verbonden. Daarbij merkt het hof op dat het de vraag is of tegenwoordig in de rapportages alle door de raadslieden in de pleitnota opgeworpen vragen worden beantwoord, zoals hoe het lichaam (met de kleding) in de koelcel werd geplaatst en wie dat deed. Ook merkt het hof op dat in de formulering van het verweer voorts een aanname wordt gedaan over een feitelijke gang van zaken die niet blijkt uit het dossier, namelijk dat uit foto’s zou volgen dat met dezelfde handschoenen waarmee het lichaam van Nicky Verstappen werd aangeraakt ook de kleding werd aangeraakt en het slachtoffer werd ontkleed. Die aanname is niet nader onderbouwd. Het hof heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die deze aanname ook maar enigszins onderbouwen.
De verdachte als ‘DNA-bom’ versus minimale contactsporenVoorts zijn de raadslieden bij de formulering van hun verweer uitgegaan van de verdachte als een ‘DNA-bom’ op het moment dat hij Nicky Verstappen op de Brunssummerheide vond en geschokt naast hem zat. De raadslieden hebben er in dat verband op gewezen dat de verdachte heeft verklaard over het fietsen, dat het een warme dag was, dat hij schrok en emotioneel werd. De verdachte was aangeslagen en zat verdrietig naast Nicky Verstappen. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat op de terechtzitting in hoger beroep was te zien dat de verdachte letterlijk gaat snotteren als hij verdrietig is en dat er dan tranen komen. Dan gaat hij, zoals elk verdrietig mens, met zijn handen naar zijn eigen gezicht, aldus de raadslieden. Voorts hebben zij naar voren gebracht dat op een hete dag na inspanning en – daarmee gepaard gaand – zweten meer DNA wordt achtergelaten dan op een koelere dag zonder inspanning en dat als je als donor met je handen je gezicht, snot bij je neus of een traan bij je oog/mond, aanraakt, met die handen veel meer DNA wordt overgebracht dan zonder die handelingen.
Het koude zweet brak me uit”, maar het hof begrijpt die verklaring als uitdrukking in verband met de vaststelling dat het kind dood was, omdat de verdachte daarover in de daaraan voorafgaande zin schrijft, en niet als zijn verklaring over het verlies van lichaamsvocht via de zweetklieren in zijn huid. Over zijn toestand heeft de verdachte verklaard dat hij met stomheid was geslagen toen hij het jongetje zag liggen en heeft hij te kennen gegeven dat er bij hem sprake was van angst en paniek. Door zijn raadsman specifiek gevraagd naar zijn emoties, heeft de verdachte verklaard dat er eerst een shock was en dat het onwerkelijk was, maar dat hij daarna handelde.
3.6.2.3.
Contaminatie in het algemeen
het hof begrijpt: door de schouwarts) is verspreid, zoals de raadslieden hebben aangevoerd.
Contaminatie door vocht: lijkvocht of urine
Contaminatie door stempelenDe raadslieden van de verdachte hebben naar voren gebracht dat stempelen kan plaatsvinden door het op elkaar plaatsen van lagen kleding en dat dit bij vochtige kleding nog sneller kan plaatsvinden. De raadslieden hebben te kennen gegeven dat de verdediging ervan uitgaat dat de onderbroek vochtig was. Met het vervoer van kleding en stukken van overtuiging kunnen in de zak besmettingen van die kleding plaatsvinden. Voorts kan het stempelen van DNA voorkomen indien kleding met folie wordt beplakt. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat met één stuk tape de gehele zijde van de onderbroek werd beplakt. Als je daar dan één donorspoor hebt, wordt dat spoor in potentie elke keer weer dat je de tape op de onderbroek drukt om nieuwe vezels te verzamelen, nader verspreid. Elk tweede spoor op de binnen- dan wel buitenkant is hiermee nietszeggend geworden, aldus de raadslieden.
het hof begrijpt: contactsporen) op katoen en viscose. Als algemene conclusie van deze reeks experimenten werd gesteld dat er geen aanwijzingen (geen bruikbare DNA-profielen) waren voor de verspreiding van een humaan biologisch spoor op een stuk van overtuiging door gebruik van microsporenfolie. In geen geval kon in de NFI-studie DNA worden gedetecteerd op de doorgestempelde locatie. Op basis van de resultaten van deze studie is de kans zeer klein dat door het gebruik van microsporenfolie zoveel DNA van de ene plek naar de andere plek op (de pyjamabroek en) de onderbroek is verplaatst dat hiervan bruikbare DNA-profielen worden verkregen. [234]
Contaminatie door het bemonsteren met een wattenstaafje
Contaminatie door het bemonsteren door knippen en/of stubben
het hof begrijpt: uitgeknipt) en dat verder van de onderbroek 31 bemonsteringen zijn genomen, die zijn gericht op het veiligstellen van eventueel aanwezig celmateriaal. Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de onderbroek in zones verdeeld. De 30 zones zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt, zoals eerder is overwogen, (een deel van) het onderzoekmateriaal met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape, de stub, wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen, te weten [ABR035]#5 tot en met #19 en #21 tot en met #35, zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de onderbroek, dat in zijn geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Contaminatie door het gebruik van een handschoen
Overige vormen van contaminatie
Conclusie
Overige verweren van de raadslieden
Het kan hierbij gaan om handelingen waarvan wordt betwistof
die zijn uitgevoerd, om handelingen waarvan wordt betwistwie
ze heeft uitgevoerd, of om een combinatie daarvan. Hierbij is het aan de rechtbank en de betrokken partijen om te komen tot de kern van het twistpunt; welke handelingen of contacten zijn in deze zaak gegeven, en welke worden betwist? Om een evaluatie van de onderzoeksresultaten te kunnen uitvoeren is, naast duidelijkheid over de betwiste handelingen, ook specifieke informatie nodig over de omstandigheden van de zaak. Bij deze zogenoemde ‘contextinformatie’ gaat het om nadere detaillering van de omstandigheden zoals die bekend zijn, of redelijkerwijs kunnen worden aangenomen onder de gegeven scenario’s”. [241]
4.4. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3: de wederrechtelijke
vrijheidsberoving van Nicky Verstappen
het hof begrijpt: op/in de onderbroek van het slachtoffer) zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. [kampoudste] was interessant in het onderzoek; hij was de enige die beschikte over een eigen slaaptent en de enige kampleider die in de vroege ochtend van de verdwijning van Nicky Verstappen over het kamp had gelopen. Verder is [kampoudste] veroordeeld voor zedenfeiten en zijn meldingen gedaan van seksueel misbruik door [kampoudste] .
Hij is nog nooit weggelopen en heeft ook nog nooit eerder laten blijken dat hij zou weglopen. Daarbij komt dat hij veel te bang is om weg te lopen.” De vader van Nicky Verstappen verklaarde dat zijn zoon nog geen tien meter alleen het bos zou inlopen en zeker niet om zes uur ’s morgens. Hij weet zeker dat als Nicky op dat moment alleen op de hei zou zijn, hij in panische angst zou verkeren. Hij is namelijk niet iemand die er alleen op uittrekt, aldus de vader van Nicky Verstappen. [253] Voorts hebben de ouders van Nicky verklaard dat hun zoon van kinds af aan bangelijk was aangelegd. [254] Voorts weegt het hof mee dat Nicky Verstappen in het geheel niet op weglopen was gekleed. Hij was immers slechts gekleed in een pyjamabroek met daaronder een onderbroek en hij droeg geen schoeisel.
De zaken uit 1984 en 1985 en de overeenkomsten met de (sporen in de) onderhavige
het hof begrijpt: de zaak uit 1984). Volgens de verdediging staat niet vast dat de verdachte ook verantwoordelijk is voor de zaak uit 1984. De verklaring van de verdachte is onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen concluderen waarover het gaat en de link met de zaak uit 1984 is dan ook allerminst zeker, aldus de raadslieden. Gelet op de onzekerheden in de verklaringen van de jongens mogen deze niet in het nadeel van de verdachte worden gebruikt. De betreffende zaken vormen geen extra bewijsmiddel en horen geen rol te spelen in de bewijsoverwegingen. Er is sprake geweest van een verdenking (
het hof begrijpt: in de zaak uit 1985) en een zaak waarin daar niet eens sprake van is geweest (
het hof begrijpt: in de zaak uit 1984), zo stelt de verdediging.
het hof begrijpt: in 1984) in dezelfde paniek was geraakt als op vrijdag 5 juli 1985. De verdachte kon zich iets herinneren van Wijlre en kinderen met een vlieger. Hij heeft verklaard dat het mooi weer was en dat hij in een weiland, ergens buiten de bebouwde kom, een ongeveer 12-jarige jongen met een vlieger zag spelen. De verdachte heeft verklaard dat hij toen bij deze jongen is gaan zitten en met hem heeft gesproken. Nadat hem was medegedeeld dat op donderdag 9 augustus 1984 in Wijlre twee jongens van 12 jaar, die aldaar met een vlieger aan het spelen waren, zijn lastiggevallen door een man, waarvan het signalement overeenkomt met zijn signalement, heeft de verdachte verklaard dat hij aanneemt dat hij dat is geweest, omdat hij bepaalde dingen weer voor ogen kan halen. Daarbij memoreert het hof dat de verdachte in eerste instantie heeft verklaard over de meervoudsvorm ‘kinderen’ in combinatie met een vlieger. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij op enig moment met dat jongetje is gaan lopen, dat hij toen nog in het prikkeldraad is gevallen en dat die jongen over het prikkeldraad is geklommen en met hem is meegelopen. De jongen had de vlieger in een plastic zak bij zich. Zij zijn toen buiten het weiland op een verharde weg terechtgekomen. Op een T-kruising heeft de verdachte de jongen bij zijn arm vastgepakt en tegen hem gezegd dat hij met hem wilde vrijen. De verdachte heeft een hand voor de mond van de jongen gehouden, heeft geprobeerd de ritssluiting van de broek van de jongen los te maken en hem toen op de broek aan zijn geslachtsdeel gevoeld. De jongen is langs de weg in het gras gevallen. De verdachte heeft toen geprobeerd met zijn hand onder de broek aan zijn achterwerk te komen en dat lukte gedeeltelijk, aldus de verdachte.
Jullie moeten rustig zijn, meekomen. Naar de schuur. Hebben jullie dat begrepen”. De verdachte lag met zijn buik bovenop [getuige 4] en [getuige 5] , of meer tussen hen in, had zijn armen gespreid en hield zijn rechterhand voor de mond van [getuige 4] en zijn linkerhand voor de mond van [getuige 5] . De verdachte zei een aantal keren dat zij met hem moesten meekomen. Op een gegeven moment stond de verdachte op en trok [getuige 4] en [getuige 5] overeind, terwijl hij hen bleef vasthouden. Vervolgens liepen zij over een veldweg, de Kruisweg, in de richting van de Elkenraderweg. De verdachte liep achter [getuige 4] en [getuige 5] en hield zijn handen stevig voor hun borst. Zij liepen in de richting van de schuur. [getuige 4] heeft over de schuur verklaard dat achter een haag van zeker twee meter hoog een appelboomgaard lag en dat in die boomgaard een schuur stond. Als je niet wist dat daar een schuur was, kon je dat in ieder geval ook niet zien. [getuige 4] wist het wel, omdat hij het gebied goed kende. Het hof leidt hieruit af dat ook de verdachte het betreffende gebied kende. Ook was de verdachte woonachtig in de nabije omgeving. [258] Op enig moment kon [getuige 4] uit de greep van de verdachte loskomen en wegrennen. De verdachte bleef [getuige 5] vasthouden, terwijl [getuige 5] om hulp riep. De verdachte is toen van achteren met de hand in de broek van [getuige 5] gegaan en heeft met zijn blote hand het blote geslachtsdeel van [getuige 5] aangeraakt.
In de derde plaats was de verdachte in de te vergelijken zaken bekend met de omgeving waarin hij de feiten heeft gepleegd. Ook was hij woonachtig in de nabije omgeving. In de onderhavige zaak heeft de verdachte, nadat aan hem een kaart van de Brunssummerheide was getoond, bevestigd dat hij het gebied kende. [260] De verdachte was een natuurliefhebber en woonde op ongeveer 12 kilometer fietsafstand van de plaats van het aantreffen van het slachtoffer op de Brunssummerheide. [261] Ook in de zaken uit 1984 en 1985 kende de verdachte de omgeving waarin hij de jongens aantrof, blijkens de verklaringen van de verdachte en de jongens.
Ten slotte komt ook de (werk)wijze waarop de verschillende feiten zijn gepleegd door de verdachte, de modus operandi, sterk overeen. Voorafgaand aan het misbruik heeft de verdachte de jongens in de te vergelijken zaken in stilte benaderd en vervolgens vastgegrepen en vastgehouden en daarbij een hand voor de mond gehouden. In de zaak uit 1984 heeft de verdachte de jongens ook met lichamelijke kracht gedwongen mee te gaan. Daardoor zijn de jongens van hun vrijheid beroofd, alsook van hun vrijheid beroofd gehouden ten tijde van het seksueel misbruik. Het hof heeft onder 4.4. geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die Nicky Verstappen wederrechtelijk van diens vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door het slachtoffer op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en enige tijd, in ieder geval ten tijde van het seksueel misbruik, tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.
6.De vlucht van de verdachte
Op 4 december 2017 heeft de zus van de verdachte, [zus van de verdachte 1] , bij de politie gemeld dat zij contact met de verdachte had gehad en hem had medegedeeld dat hij was uitgenodigd voor vrijwillige deelname aan een DNA-onderzoek in de zaak Nicky Verstappen. De verdachte heeft toen tegen haar gezegd dat hij geen enkel bezwaar had om DNA af te geven en dat hij volledig wilde meewerken. Hij zou zich in maart 2018 bij de politie in Limburg melden om zijn DNA af te staan. [266] De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 september 2020 bevestigd dat hij contact met zijn zus heeft gehad en dat hij heeft gezegd dat hij zou terugkomen om DNA af te staan. [267]
het hof begrijpt: Wissembourg, een gemeente en stadje in het uiterste noordoosten van Frankrijk gelegen, vlak aan de grens met Duitsland en dicht bij de Vogezen) te gaan. [269] [getuige 8] heeft de verdachte kort voor zijn vertrek, op 19 februari 2018 te 11.00 uur, voor het laatst gezien. [getuige 8] verbleef in het weekend van 16 tot en met 19 februari 2018 in het chalet [naam chalet] . De verdachte had tegen hem verteld dat hij op 20 februari 2018 een drieweekse tocht naar het noorden wilde gaan maken. De verdachte heeft met hem niet gesproken over Spanje, aldus [getuige 8] . [270]
het hof begrijpt: voorafgaand aan) of wellicht in de ochtend (
het hof begrijpt: van de dag van zijn vertrek) de beslissing heeft genomen niet in de Vogezen te gaan wandelen maar met de trein en de bus richting Spanje te gaan, dan ook niet geloofwaardig. Daarbij betrekt het hof voorts dat ook geen van de andere gehoorde getuigen heeft verklaard daarover door de verdachte te zijn geïnformeerd.
Daar waar ik nu ben, ben ik gelukkig en als het moet, kom ik eerder”. [273] Verder heeft getuige [getuige 8] over de gemoedstoestand van de verdachte in het weekend van 16 tot en met 19 februari 2018, kort voor het aangekondigde vertrek van de verdachte op 21 februari 2018, verklaard dat de verdachte blij was en het hele weekend vrolijk en vriendelijk bleef; zijn stemming veranderde niet. [274] Voorts weegt het hof mee dat er medio juni 2018 nog een boeking stond gepland bij [naam chalet] en de verwachting was dat de verdachte dan zeker terug zou zijn. [275] Ook op 6 juli 2018 stond een afspraak bij [naam chalet] gepland, waarover is verklaard dat de verdachte vanwege zijn punctualiteit daarvoor terug zou zijn. [276] Nu [getuige 8] heeft verklaard dat de verdachte concrete plannen had met [naam chalet] en de verdachte altijd zo verantwoordelijk was, ook met betrekking tot [naam chalet] , [277] ziet het hof niet in waarom de verdachte niet kenbaar heeft gemaakt dat hij niet meer in het chalet zou terugkeren. Daarbij komt dat [getuige 9] , eveneens bushcrafter, heeft verklaard dat de verdachte alles heeft gedaan wat hij een andere bushcrafter zou afraden. Zo zou hij niet zijn vertrokken zonder een route achter te laten en zonder met iemand af te spreken op gezette tijden contact op te nemen. [getuige 9] acht dat onbegrijpelijk. [278] Ook [getuige 10] , eveneens bushcrafter, heeft verklaard dat de verdachte een fout heeft gemaakt. Als survival instructeur moet je in ieder geval je route achterlaten en een soort van planning, zodat als je niet op het afgesproken tijdstip ergens bent, iemand aan de bel trekt. [279] Het hof hecht dan ook geen waarde aan de verklaring van de verdachte dat hij om de door hem genoemde reden definitief uit de Vogezen is vertrokken en aldaar niet meer is teruggekeerd en ziet niet in waarom hij de gehoorde getuigen daarover niet heeft geïnformeerd.
Kom nu naar [naam dorp] , [roepnaam verdachte] . Einde nadert” en heeft zij hem op 14 februari 2018 bericht: “
[roepnaam verdachte] . Als je haar wil zien bij leven, kom nu. Als ze dood is, hebben jullie beiden er niks aan”. [283] De verdachte had ook aangekondigd zijn terminaal zieke moeder te komen bezoeken [284] en kort voor zijn vertrek, op 19 februari 2018, [betrokkene 1] het bericht gestuurd dat het met zijn moeder slechter ging en het dus heel goed kon zijn dat hij zijn hike (
het hof begrijpt: wandeling) zou afbreken en eerder naar Nederland zou vertrekken. [285]
thuis kijken ze er eigenlijk niet van op”. Het hof begrijpt dat de verdachte met ‘thuis’ in ieder geval doelt op zijn zus, [zus van de verdachte 1] . Uit de inhoud van de door [zus van de verdachte 1] aan de verdachte verstuurde berichten en de omstandigheid dat zij aangifte heeft gedaan van zijn vermissing, blijkt echter wel degelijk dat zij ongerust was. Zo heeft zij op 12 maart 2018 naar de verdachte het bericht gestuurd: “
Wanneer kom jij naar Nederland?”, vier dagen later, op 16 maart 2018, het bericht: “
[roepnaam verdachte] geef antwoord. Zaken hier veranderen. Ik moet weten hoe ik moet handelen. Wanneer kom jij??????” en op 22 maart 2018: “
[roepnaam verdachte] je moet je gaan melden bij de gemeente. Kom naar Nederland. Tijd tikt voorbij”. [290] Vervolgens heeft zij op 10 april 2018 aangifte gedaan van vermissing van haar broer. [291]
het hof begrijpt: in Spanje) voorstelde als ‘ [één van de voornamen verdachte] ’, terwijl hij zichzelf in de verhoren door de politie ‘ [roepnaam verdachte] ’ noemt. [292] De verdediging heeft daarover naar voren gebracht dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ geen gemakkelijke naam was voor de Spanjaarden. Wat daarvan ook zij, het hof stelt vast dat de verdachte zich aan de gehoorde getuigen [getuige 11] en [getuige 12] , niet zijnde Spanjaarden, met wie hij Nederlands respectievelijk Engels sprak, ook voorstelde als ‘ [één van de voornamen verdachte] ’ en voornoemde [getuige 11] bovendien heeft verklaard dat de verdachte daarbij een andere achternaam dan de naam ‘ [achternaam verdachte] ’ noemde. [293] Het hof stelt vast dat de verdachte door zo te handelen heeft getracht zijn ware identiteit te verhullen.
7.De verklaring(en) van [getuige 13]
het hof begrijpt: 2021) op de afdeling is gekomen en de hele dag met de verdachte op de afdeling zit. Het eerste dat de verdachte met een trillende kin, waaruit de getuige afleidde dat de verdachte emotioneel werd, tegen [getuige 13] zei, was dat hij Nicky Verstappen niet heeft vermoord. De verdachte zei dat hij al dood was. De verdachte had tijdens de ontvoering zijn hand voor de mond van Nicky Verstappen gedaan, waardoor het slachtoffer was overleden. [getuige 13] heeft verklaard dat de verdachte vertelde dat hij ’s avonds bij het kamp was en achter een in tweeën gespleten boom zat, waarbij de getuige met zijn middel- en wijsvinger een ‘V’ vormde. De verdachte zat te kijken naar de tenten. Op dat moment kwam Nicky Verstappen uit de tent om zijn behoefte te doen en toen heeft de verdachte hem gegrepen en de hand voor zijn mond gedaan. De verdachte zei dat hij dacht dat Nicky Verstappen ging schreeuwen en dat was de reden dat de verdachte naar hem toeging en zijn mond bedekte. Vervolgens heeft de verdachte hem ergens gebracht. De verdachte zei niet duidelijk waar hij stopte en wat hij deed. De verdachte zei dat Nicky Verstappen al bewusteloos was toen hij op de plek kwam waar hij eerst stopte.
ik ga een beetje spelen met hem” en spelen was met zijn vinger in de anus gaan. De verdachte zei dat Nicky Verstappen was overleden door verstikking, doordat hij zijn grote handen voor de neus en mond had gehouden. De verdachte zei dat hij hem niet wilde doodmaken.
het hof begrijpt: de politie) afluisterapparatuur bij zijn zus hadden geplaatst. Voorts had de verdachte verhalen verteld over zijn reizen naar andere landen, waaronder Pakistan, India en Polen. Verder wist [getuige 13] dat de verdachte survivalde en planten en paddenstoelen at. Hoewel de door [getuige 13] gestelde uitlatingen van de verdachte geen betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten, vinden deze wel steun in het dossier. [301]
het hof begrijpt: 20 november 2020, de datum waarop het beroepen vonnis is gewezen) op de tv-zender L1 de zitting in de zaak Nicky Verstappen had gevolgd. De getuige heeft daarover tegen zijn broer gezegd: “
Die man heeft geen tbs gekregen, alleen maar omdat het PBC zegt: kans op recidive wordt niet hoog ingeschat. Terwijl hij al twee keer eerder heeft vastgezeten voor misbruik van jongetjes, hij heeft de afgelopen tijd kinderporno opgezocht van jongens tussen de 10 en 12 jaar, en hij heeft een kind van 11 jaar ontvoerd, misbruikt en verkracht. En dan zeggen ze tegen hem ‘alleen gevangenisstraf’. Weet je hoeveel hij heeft gekregen? Twaalf jaar”. [306] Het hof leidt hieruit af dat de getuige in ieder geval kennis had van (een deel van) de inhoud van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte.
8.Eindconclusie over de samenhang en de betrokkenheid van de verdachte terzake van de feiten 1, 2 en 3
9.Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van feit 4
het hof begrijpt: 28 april 2016) tot en met 22 januari 2018), bewezen zal verklaren. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat strafbaar bezit een zekere beschikkingsmacht vereist en dat zij menen dat de beschikkingsmacht van de verdachte voortduurde tot het moment waarop hij zich van de harde schijf ontdeed, te weten het moment waarop hij die naar zijn zus stuurde op 22 januari 2018.
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door smorend geweld op en/of tegen het hoofd van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden;
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen, geboren op 13 maart 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten;
primair
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die Verstappen op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en die Verstappen gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.
- het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
- het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
het hof begrijpt: gegevensdragers) strafbare feiten of handelingen staan.
(6.870 kilometer x € 0,235 per kilometer): € 1.164,45
het hof begrijpt: in de fase van eerste aanleg) ter hoogte van een bedrag van € 1.443,37 (6.142 kilometer x € 0,235 per kilometer) en toekomstige reiskosten in hoger beroep ter hoogte van een bedrag van € 200,00.
het hof begrijpt: 2.400 kilometer ten behoeve van het bijwonen van de terechtzittingen (16 x route Heibloem/ [woonplaats benadeelde partij] – Maastricht à 150 kilometer retour) en 110 kilometer ten behoeve van het bijwonen van de schouw (route Heibloem – Brunssum à 110 kilometer retour) en een bedrag van € 0,235 per kilometer.
het hof begrijpt: 10.502 kilometer x € 0,235 per kilometer, namelijk 6.142 + 6.870 – 2.510 kilometer) heeft de rechtbank als materiële schade aangemerkt.
het hof begrijpt: kosten uitvaart à € 2.066,98 + kosten grafrechten à € 1.200,00 + reiskosten à € 2.467,97 + overige kosten à € 200,00) aan materiële schade toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2019 tot aan de dag van volledige voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, begroot op een bedrag ter hoogte van € 589,85.
het hof begrijpt: waarin de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk werd verklaard). Met betrekking tot de gemaakte reiskosten in hoger beroep is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat dit een bedrag van € 467,90 behelst, te weten een bedrag ter hoogte van € 88,82 aan materiële schade (2 x route [woonplaats benadeelde partij] – ’s-Hertogenbosch à 145,8 kilometer retour x € 0,26 per kilometer en 1 x route [woonplaats benadeelde partij] – Roermond à 50 kilometer retour x € 0,26 per kilometer ten behoeve van gesprekken met het Openbaar Ministerie) en een bedrag ter hoogte van € 379,08 aan proceskosten (10 x route [woonplaats benadeelde partij] – ’s-Hertogenbosch à 145,8 kilometer retour x € 0,26 per kilometer ten behoeve van het bijwonen van de terechtzittingen). Voorts is namens de benadeelde partij verzocht dat het hof het op voorhand gevorderde bedrag van € 450,00 aanvullend zal toewijzen, waarbij is verzocht dat het bedrag ter hoogte van € 88,82 zal worden toegewezen als materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte voor het overige zal worden veroordeeld in de proceskosten.
(10.502 kilometer x € 0,235 per kilometer):
Reiskosten bestaande uit proceskosten à € 589,85 (2.510 kilometer x € 0,235 per
het hof begrijpt: tot een bedrag van € 6.823,77), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met de daarbij horende gijzeling en te vermeerderen met de gevorderde proceskosten voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen.
het hof begrijpt: van (een van) de onder 1, 2 en/of 3 tenlastegelegde feiten) komt, met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van het hof.
kosten van de uitvaart(post 1) van het slachtoffer heeft gemaakt. Het hof wijst in dit verband op het als bijlage 1 bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde e-mailbericht van [uitvaartverzorging] d.d. 9 maart 2020. Uit de aantekeningen van het opdrachtformulier uit het archief blijkt dat aan kosten een bedrag van in totaal ƒ 4.555,03 is genoteerd. Het namens de benadeelde partij gevorderde bedrag ter hoogte van € 2.066,98 komt omgerekend naar guldens overeen met het genoteerde bedrag. Het hof is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Dit toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 1998, zijnde de dag van de uitvaart en derhalve het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
kosten van de grafrechten(post 2) overweegt het hof als volgt. Ter onderbouwing van deze kosten zijn als bijlage 2 bij het verzoek tot schadevergoeding de tarieven van de [Parochie] gevoegd, waaruit blijkt dat het tarief in 2015 voor grafrechten ten behoeve van een enkel en dubbel diep graf voor 20 jaren € 600,00 behelst. Het hof gaat ervan uit dat ten tijde van de begrafenis op 15 augustus 1998 grafrechten verschuldigd waren en dat die grafrechten – na ommekomst van een periode van 20 jaren – in 2018 zijn vernieuwd. Ten aanzien van de kosten van de grafrechten voor de eerste 20 jaren ziet het hof zich niet in staat de daadwerkelijke omvang van de geleden schade nauwkeurig vast te stellen en derhalve zal het hof voor de begroting van deze kosten op grond van artikel 6:97 BW Pro gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof begroot de geleden schade op een bedrag van € 300,00. Met betrekking tot de kosten van de grafrechten voor de daaropvolgende 20 jaren zoekt het hof aansluiting bij de hiervoor vermelde tarieven en bepaalt deze kosten op een bedrag ter hoogte van € 600,00. De totaal geleden schade voor wat betreft de kosten van de grafrechten behelst derhalve een bedrag ter hoogte van € 900,00. Het hof zal de benadeelde partij in het meer gevorderde bedrag niet-ontvankelijk verklaren. Het toe te wijzen bedrag ter hoogte van € 300,00 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 1998, zijnde de dag van de uitvaart en derhalve het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening en het bedrag van € 600,00 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2018, zijnde het moment dat naar verwachting de grafrechten zijn verlengd en derhalve het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
kosten van de grafsteen(kostenpost 3) zal het hof eveneens op grond van artikel 6:97 BW Pro gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat het gevorderde bedrag ter hoogte van een bedrag van € 1.000,00 in redelijkheid gemaakte kosten betreffen, zodat het hof de geleden schade ten aanzien van deze kostenpost zal begroten op een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof gaat uit van een latere ingangsdatum dan de datum van de uitvaart, omdat een grafsteen later dan de dag van de uitvaart wordt geplaatst. De ingangsdatum van de renteverplichting heeft het hof om die reden bepaald op 1 januari 1999.
3.966,98.
reiskosten als materiële schadeoverweegt het hof het navolgende.
het hof begrijpt: plaats van aantreffen van het slachtoffer) direct na de vermissing en voor televisieprogramma’s (440 kilometer, onder b), bezoeken aan (de redactie van) Peter R. de Vries in Amsterdam voor overleg, interviews en de bespreking van de stand van zaken (4.320 kilometer, onder e), bezoeken aan Maastricht in verband met evaluaties van de vorderingen en de persconferenties (600 kilometer, onder f), bezoeken aan ‘s-Hertogenbosch voor overleg en evaluaties (592 kilometer, onder g), bezoeken aan Wijchen en Ewijk ten behoeve van overleg met het Openbaar Ministerie en het rechercheteam (2.550 kilometer, onder h) en bezoeken aan het Openbaar Ministerie in hoger beroep (2 x 145,8 kilometer + 50 kilometer à € 0,26 per kilometer). Het hof is van oordeel dat dit evenmin kosten betreffen die kunnen worden beschouwd als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Een wettelijke basis om deze kosten ten laste van de verdachte te brengen, ontbreekt. Derhalve zal de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.
reiskosten als proceskostenals volgt.
€ 200,00 niet zijn gehandhaafd. Derhalve zal het hof ten aanzien van deze kosten geen beslissing nemen.
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) jaren.
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een zwarte desktop, merk Packard Bell, type Imedia S3800, serienummer 00414874727, voorzien van SIN AAFF9235NL;
- een externe harde schijf, MIC, voorzien van SIN AAFF9232NL;
- een externe harde schijf, Samsung, serienummer E213JJ0B91871, SIN AAFF9233NL;
- een externe harde schijf, WD Elements, serienummer WXP1E754KP8E, SIN AAFF923NL.
€ 3.966,98 (drieduizend negenhonderdzesenzestig euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
van € 3.966,98 (drieduizend negenhonderdzesenzestig euro en achtennegentig cent)
als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
- 15 augustus 1998 over de bedragen € 2.066,98 (kosten van de uitvaart) en € 300,00 (kosten van de grafrechten periode 1998 – 2018);
- 1 januari 1999 over een bedrag van € 1.000,00 (kosten van de grafsteen);
- 15 augustus 2018 over een bedrag van € 600,00 (kosten van de grafrechten periode 2018 – 2038).
Het proces-verbaal d.d. 10 oktober 2019 (map 1 index met inleiding deel 1 van het digitale einddossier, pg. 1-105), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 10] :
Op 12 augustus 1998 werd het eerste grootschalige onderzoek door het recherche bijstandsteam (RBT) Heikop opgestart. Dit team deed onderzoek naar de toedracht van de vermissing en het later levenloos aantreffen van het slachtoffer Nicky Verstappen.
het hof begrijpt hierna telkens: Verstappen) een tent deelde, bestond uit de volgende personen: [tentgenoot 1] , [tentgenoot 2] , [tentgenoot 3] , [tentgenoot 4] en Nicky Verstappen.
Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 1 februari 2001 (map 12 van het digitale einddossier, pg. 4348-4351), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 19] :
Op dinsdag 11 augustus 1998 ben ik in de auto naar het kamp (
het hof begrijpt: tentenkamp) gereden. Omstreeks 16.00/17.00 uur kwamen allerlei zoekploegen. Omstreeks 20.00 uur hebben we ons weer gegroepeerd tot een grote zoekploeg.
We hebben ons met zijn allen opgesteld in de richting van Nieuwenhagen. Nadat we ongeveer een half uur hadden gelopen, hebben we een kwartslag gemaakt en liepen we verder door bebost gebied. We kwamen toen uit bij een korenveld en vervolgens een aardappelveld en toen liep ik tegen de afrastering aan van het sparrenbosje. Ter hoogte van die afrastering is ook halt geroepen door de commandant van de ploeg om opnieuw de linie te herstellen. Terwijl ik voor de afrastering stond, keek ik wat rond en ik zag iets liggen achter de omheining. Ik zei tegen [getuige 20] dat ik wat zag liggen. Ik zei tegen [getuige 20] dat dat wel een been kon zijn, waarop [getuige 20] zei van ja. Ik riep toen meteen de commandant, welke ook kwam vanaf een afstand van ongeveer 50 meter. Vlak bij ons stond de tweede commandant, die [verbalisant 11] (
het hof begrijpt: [verbalisant 11]) heette. Die [verbalisant 11] ging toen de draad over waarna die [verbalisant 11] meteen de commandant waarschuwde, welke toen kwam aanrennen. Die commandant zei toen tegen ons dat alle mensen terug naar het kamp moesten. Ook die commandant is over de afrastering geklommen, alsmede [getuige 21] .
het hof begrijpt: geval) een rode broek en een stuk van zijn ontblote bovenlichaam. Ook [getuige 20] heeft hem gezien, alsmede [getuige 21] en die twee commandanten. Voor de rest heeft niemand hem gezien.
Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 17 augustus 1998 (map 12 van het digitale einddossier, pg. 4066-4069), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 20] :
Op dinsdag 11 augustus 1998 ben ik naar ‘ [naam kampeerterrein] ’ gegaan. [getuige 19] heeft Nicky gevonden. Die zag hem in ieder geval daar liggen. Ik liep drie meter naast [getuige 19] . Het was omstreeks 21.00 uur toen [getuige 19] tegen mij riep: “
[getuige 20] , hier ligt een lijk”. Hierop ben ik zijn richting opgelopen. Ik heb even gekeken en zag iemand liggen. Ik zag een klein jongetje liggen. Gelijk kwam er een agent aangelopen die over het hekje sprong om te kijken of er nog tekenen van leven aanwezig waren. Ik hoorde hem toen zeggen: “
Die is allang dood, hij vertoont al lijkplekken”.
Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanherkenning slachtoffer Verstappen d.d. 17 augustus 1998 (map 16 van het digitale einddossier, pg. 5573), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] :
Verstappen ging vervolgens met politiemensen dan wel met personeel van de Marechaussee naar de vindplaats en zag dat zijn neefje Nicky Verstappen, liggend op zijn rug, tussen de kerstbomen lag. Verstappen verklaarde dat hij op dat moment onmiddellijk zijn neefje Nicky Verstappen herkende. Verstappen verklaarde dat hij zijn neefje herkende aan de kleding en dat hij zijn gezicht kon zien.
Het proces-verbaal relaas van onderzoek inzake vermissing persoon, lijkvinding onnatuurlijke dood d.d. 20 augustus 1998 (map 16 van het digitale einddossier, pg. 5769 en 5770), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 14] :
Op dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, bevond ik mij op de Schinvelderweg gelegen in de Brunssummerheide in de gemeente Landgraaf.
Omstreeks 21.00 uur gaf [verbalisant 15] (
het hof begrijpt hierna telkens: [verbalisant 15] , gelet op map 20 van het digitale einddossier, pg. 7620), opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, werkzaam bij de brigade Heerlen, mondeling door dat hij hem (doelende op Nicky Verstappen) vermoedelijk had gevonden. Ik zag dat [verbalisant 15] bij een perceel sparren stond, dat omheind was middels een draadafrastering. Gekomen bij de groep personen wees [verbalisant 15] mij het levenloze lichaam van een jongen aan, die op een afstand van ongeveer 2 meter van de draadafrastering op zijn rug tussen de sparren lag. De jongen was slechts gekleed in een lange rode pyjamabroek. Verder droeg deze jongen geen andere kleding. Het onbedekte gedeelte van het lichaam was al blauw verkleurd. Meteen werden de aanwezige vrijwilligers ter plaatse weggestuurd. In afwachting van het verdere onderzoek werd door enkele leden van de Koninklijke Marechaussee te Heerlen de plaats van het aantreffen bewaakt, totdat de Technische Recherche ter plaatse arriveerde.
Het proces-verbaal relaterende het sporenonderzoek op en rond de plaats waar het slachtoffer N. Verstappen werd aangetroffen [PD1] d.d. 23 augustus 1998 (map 2 van het digitale einddossier, pg. 156-159), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van het Bureau Technische Recherche:
Vanaf dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, werd door ons een sporenonderzoek ingesteld op en rond de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen.
Ligging slachtoffer:Het slachtoffer lag op zijn rug. Het hoofd lag met de rechterzijde nagenoeg op de grond dicht naast de stam van een dennenboom. De beide benen waren vrijwel geheel gestrekt, waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant dicht naast elkaar. Op die plaats was de begroeiing verschoven en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven. De linkerarm van het lichaam lag geheel gestrekt in het verlengde van zijn linkerschouder. De rechterarm lag naast het lichaam waarbij zijn rechterhand en rechterpols onder zijn zitvlak lagen.
het hof begrijpt: van het lichaam) bevonden zich lijkvlekken. Deze lijkvlekken bevonden zich op de plaatsen overeenkomstig de positie waarin het lichaam lag en waren op die plaatsen gefixeerd. Het lichaam voelde koud. Bij de navel was een lichtgroene verkleuring aanwezig.
Positie kleding en sporen in kleding:Het slachtoffer droeg een rode stoffen trainingsbroek (
het hof begrijpt hierna telkens: pyjamabroek). Aan de uiteinden van de broekspijpen bevond zich een blauw boord. Onder deze trainingsbroek droeg hij een donkerblauwe onderbroek. Beide broeken waren binnenstebuiten gekeerd. Het etiket in de onderbroek was duidelijk zichtbaar. Uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevonden de achterzijden van de beide broeken zich aan de voorzijde.
Bemonstering slachtoffer:
Het proces-verbaal relaterende de ligging en omschrijving van de plaats delict d.d. 23 september 1998 (map 2 van het digitale einddossier, pg. 151-154), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Plaats aantreffen slachtoffer PD1:
Het proces-verbaal relaterende de inbeslagneming van het stoffelijk overschot van N. Verstappen, de overbrenging hiervan naar een mortuarium en de vrijgave van het stoffelijk overschot d.d. 19 augustus 1998 (map 2 van het digitale einddossier, pg. 171), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
het hof begrijpt: dinsdag) 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, werd door ons het stoffelijk overschot van N. Verstappen in beslag genomen. Het stoffelijk overschot werd in opdracht van de [inspecteur van politie Limburg-Zuid] , overgebracht en geplaatst in een koelcel, in gebruik bij justitie, in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis Maastricht. De koelcel werd afgesloten.
Het verslag betreffende een niet-natuurlijke dood (art. 10 Wet Pro op de Lijkbezorging) d.d. 12 augustus 1998 (map 1 onderzoek deel 2 van het digitale einddossier, pg 14-17), in onderling verband en samenhang bezien met het bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2014 als bijlage gevoegde uitgetypte schouwverslag van Nicky Verstappen (map 20 van het digitale einddossier, pg. 7561-7563), voor zover inhoudende als relaas van dr. [gemeentelijk lijkschouwer] :
De ondergetekende [gemeentelijk lijkschouwer] , lijkschouwer der gemeente Landgraaf, verklaart het lijk van Nicky Verstappen, geboren op 13 maart 1987 te [geboorteplaats slachtoffer] en gevonden op 11 augustus 1998, persoonlijk te hebben geschouwd en bericht de officier van justitie bij de rechtbank te Maastricht er NIET van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.
het hof begrijpt: 1998) heb ik samen met de TR (
het hof begrijpt: Technische Recherche) een verkorte schouw gedaan op de PD (
het hof begrijpt hierna telkens: plaats van aantreffen) onder suboptimale omstandigheden (lichaam is niet verplaatst of gedraaid).
Bevindingen:
het hof begrijpt: Nicky Verstappen) lag in rugligging met het hoofd naar rechts gedraaid. Rechterarm iets onder lichaam gedraaid;
het hof begrijpt: 1998) uitgebreide schouw mortuarium AZM.
Hoofd/hals:
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 mei 2014 (map 20 van het digitale einddossier, pg. 7525-7536), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor getuige [gemeentelijk lijkschouwer] :
V = Vraag verbalisanten
A = Antwoord getuige [gemeentelijk lijkschouwer]
In de hoedanigheid van schouwarts ben ik betrokken geweest bij de schouw van het lichaam van Nicky Verstappen.
A: Op PD heeft een verkorte schouw plaatsgevonden. Dit hield in de dood vaststellen
V: Welke postmortale verschijnselen zag u tijdens de ‘verkorte schouw’?
A: De verkleuring rond zijn navel en lijkvlekken. De verkleuring zie ik als rotting.
Het proces-verbaal relaterende de lijkschouw op het stoffelijk overschot van N. Verstappen d.d. 26 augustus 1998 (map 1 onderzoek deel 2 van het digitale einddossier, pg. 18-19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] :
Op woensdag 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, heeft de gemeentelijk lijkschouwer, dr. [gemeentelijk lijkschouwer] , in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, in het bijzijn van ons, [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , de lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van N. Verstappen. Tijdens deze lijkschouw bleek dat het ontbindingsproces reeds ver gevorderd was.
Het proces-verbaal relaterende de gerechtelijke sectie op het stoffelijk overschot van N. Verstappen d.d. 13 augustus 1998 (map 2 van het digitale einddossier, pg. 176-177), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op woensdag (
het hof begrijpt: donderdag) 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur, heeft de patholoog-anatoom dr. G. van Ingen, verbonden aan het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, in aanwezigheid van mij, verbalisant [verbalisant 1] , in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, in opdracht van de [officier van justitie] , sectie verricht op het stoffelijk overschot van N. Verstappen.
- een rode trainingsbroek [spoor S-12];
- een donker blauwe slip [spoor S-13].
Het Pro Justitia verslag d.d. 21 december 1998 met no. 98-337/I069, met bijlagen (map 1 van het digitale einddossier, pg. 20-25), voor zover inhoudende als verslaglegging van G. van Ingen:
Op 13 augustus 1998 heeft ondergetekende, G. van Ingen, arts en patholoog, als beëdigd deskundige, in samenwerking met A. Maes, in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk Z.H., de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van Nicky Verstappen, geboren op 13 maart 1987 en dood aangetroffen op de Brunssummerheide te Brunssum op 11 augustus 1998, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.
Het lijk van N. Verstappen voornoemd, werd mij aangewezen en daarna overhandigd door [verbalisant 1] van de regiopolitie Limburg Zuid en na gedane schouwing aan genoemde [verbalisant 1] teruggegeven.
Uitwendige schouwing1. Het lijk was dat van een jongen van gemiddelde bouw ter lengte van 148 centimeter.
Op het lijk bevonden zich de navolgende kledingstukken: een rode pyjamabroek en
De kleding werd aan de politie overhandigd.
Aan beide voetzolen was enig gelig zand.
Er was tevens groenverkleuring van de huid van hals, borst en buik en verspreid
marmertekening van de huid.
De ogen waren dicht.
De oogkleur was niet te beoordelen.
De pupillen waren niet te beoordelen; de hoornvliezen waren troebel.
Het oogwit en het bindvlies van de oogleden was fletsrood.
De lippen waren paarsrood, deels ingedroogd en gaaf; het wangslijmvlies was
Het tandvlees was bruin en in de mond waren veel maden.
Inwendige schouwing8. Het onderhuidse vetweefsel aan de buik- en borstwand was wat groenig verkleurd.
De borstvliezen waren lakrood, glad en gaaf.
12. Hals: deze werd in situ uitgeprepareerd. De halsspieren waren deels groen en deels
Het onderhuidse weefsel was iets groenig. De weke delen toonden donkerrode
31. Schedelhuid: er was marmertekening.
Definitieve bevindingenB. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood konden
C. Toxicologisch onderzoek werd verricht. Er werd 0,12 promille alcohol in het bloed
aangetroffen waarvan een onbekend deel als gevolg van postmortale rotting kan zijn
In de lijkdelen werden geen geneesmiddelen en/of drugs aangetoond.
Er werd behalve een zeer geringe hoeveelheid alcohol geen lichaamsvreemde stof in het lichaam aangetoond. Gezien het bovenstaande was bij het postmortale onderzoek geen doodsoorzaak aanwijsbaar. Mede gezien de postmortale verandering sluit dit bepaalde doodsoorzaken (b.v. belemmering van de ademhaling) echter niet uit.
Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 22 oktober 2021, voor zover inhoudende als verklaring van G. van Ingen:
De jongste raadsheer houdt de deskundige G. van Ingen het volgende voor:
De brief van G. van Ingen, gericht aan regiopolitie Limburg-Zuid, District Maastricht, Basiseenheid Valkenburg/Margraten te Maastricht, ter attentie van [verbalisant 1] , met als onderwerp aanvullende vraagstelling inzake N. Verstappen d.d. 30 januari 2001 (map 3 van het digitale einddossier, pg. 510), voor zover inhoudende:
Het proces-verbaal relaterende het sporenonderzoek naar aanleiding van de mogelijke gewelddadige dood van Nicky Verstappen, gepleegd in augustus 1998 te Brunssum d.d. 11 september 2001 (map 3 van het digitale einddossier, pg. 397-432), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 9] en [verbalisant 8] :
DOODSOORZAKEN:Geraadpleegde deskundigen:Patholoog R. Visser, NFI;
Professor Barend Cohen, forensisch deskundig, Nederlandse school voor Public Health;
Patholoog Nuyen, forensisch deskundige, Laboratorium voor de Volksgezondheid te Leeuwarden.
Hierover zijn zeer weinig gegevens bekend. Het doodschrikken van een kind is heel extreem.
Mogelijke doodsoorzaken aangegeven door NuyenDoodschrikken:
Ernstig schrikken ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval, eventueel in combinatie met het QT-tijdsyndroom, kan een doodsoorzaak zijn. Bij kinderen is hier echter geen gedegen onderzoek naar verricht.
De brief van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch patholoog, tevens forensisch kinderpatholoog, verbonden aan het NFI, gericht aan de rechter-commissaris van de rechtbank Limburg [rechter-commissaris] d.d. 10 februari 2015 met als onderwerp aanvullende vragen inzake de sectie van N. Verstappen (map 4 van het digitale einddossier, pg. 834-848), voor zover inhoudende:
Welke doodsoorzaak/oorzaken kan/kunnen op grond van de schouwbevindingen, sectiebevindingen en foto’s het overlijden van Nicky verklaren?Antwoord. Er is bij sectie (inclusief aanvullend lichtmicroscopisch onderzoek) en toxicologisch onderzoek geen doodsoorzaak gebleken. Uit deze onderzoeken is evenmin een bijdrage aan het overlijden gebleken. Daarbij wordt opgemerkt dat het lichtmicroscopisch onderzoek was bemoeilijkt vanwege postmortale veranderingen.
Er zijn mogelijke doodsoorzaken die geen objectiveerbare letsels/verschijnselen hoeven achter te laten aan een lichaam en dus niet aantoonbaar zijn bij een sectie. Deze mogelijke doodsoorzaken kunnen niet worden uitgesloten in het onderhavige geval. Een mogelijke oorzaak is de volgende:
Verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus)of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie). Wel wordt opgemerkt dat N. Verstappen ten tijde van de sectie 11 jaren oud was en dat de praktijk leert dat een kind van die leeftijd bij een normaal bewustzijn zich doorgaans niet laat smoren zonder daar weerstand tegen te bieden en daardoor letsels aan de mond/neus te ontwikkelen (tenzij er door bijvoorbeeld fixatie geen weerstand mogelijk was). Dit sluit smoren echter niet uit.
Het verslag d.d. 14 juli 2016 (map 4 van het digitale einddossier, pg. 950-974), voor zover inhoudende als relaas van prof. dr. med. W. van de Voorde, arts-specialist in de pathologische anatomie en de gerechtelijke geneeskunde – buitengewoon hoogleraar gerechtelijke geneeskunde en criminalistiek aan de KU Leuven:
Vraag. Welke doodsoorzaak/oorzaken kan/kunnen op grond van de schouwbevindingen, sectiebevindingen en foto’s het overlijden van Nicky verklaren?Antwoord. Op grond van de beschikbare medicolegale bevindingen is er geen doodsoorzaak aanwijsbaar. Nicky was slechts 11 jaar oud, zijn medische voorgeschiedenis was zonder bijzonderheden, er waren geen aanwijzingen voor genetische ziekten en er waren tevens geen voorafbestaande patholoog-anatomische afwijkingen met doodsoorzakelijke relevantie.
Het rapport ‘Beantwoording aanvullende vraagstelling n.a.v. het overlijden in 1998 van een jongen van 11 jaar’ d.d. 29 mei 2019 (map 4 van het digitale einddossier, pg. 1002-1017), voor zover inhoudende als relaas van R.A.C. Bilo, forensisch arts:
Discussies en interpretatie van bevindingen door/conclusies van ondergetekende (2001)Consult SIGCA
In 2001 werd door ondergetekende een consult gevraagd bij SIGCA. Hierop werd door diverse collega’s gereageerd.
- Patholoog:
- Kinderarts 2:
Discussie doodsoorzaak 2001
Vecht- of vluchtreactie leidend tot de dood is voor zover bekend nooit beschreven bij kinderen.
Conclusies ondergetekende 2001
- Vecht- of vluchtreactie is onwaarschijnlijk, maar niet uitgesloten.
- Subtiel smoren kan niet worden uitgesloten.
- Ook combinaties van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie bij een reeds bestaande lichamelijke aandoening, kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld een status asthmaticus als stressreactie bij een CARA-kind). Hierbij behoeft op zich de lichamelijke reactie niet tot overlijden aanleiding te geven. Het overlijden is het gevolg van het niet zoeken van medische hulp.
Het proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 6 juli 2020 (map 30 van de digitale map, RC-stukken deel 2, niet zijnde het digitale einddossier, pg. 325-342), voor zover inhoudende als verklaring van getuige W. van de Voorde, forensisch patholoog:
Daarnaast hebben we de mogelijkheid van smoring, door afsluiting van neus en mond. Dat kan gebeuren met een plastic zak, dat kan gebeuren door een kussen of een zacht voorwerp of een hand, door het duwen van het gelaat tegen de grond of door iets op het gelaat te duwen. Ook daarvan is bekend dat het de typische asfyxie tekenen niet veroorzaakt, dus ook geen puntbloedinkjes in de oogbindvliezen.
Het deskundigenrapport ‘Aanvullend bloedspoorpatroononderzoek, haaronderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen op de Brunssummerheide op 11 augustus 1998’ d.d. 11 augustus 2008, met bijlage, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 022, 023 en 028 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1091-1183), voor zover inhoudende als relaas van rapporteurs ing. P.E. de Vreede en dr. A.B. Raggers-Schroeijers:
Onderzoeksmateriaal
Onderzoek 2008In het kader van het biologische sporen en het DNA-onderzoek van 2008 heeft dr. A.B. Raggers-Schroeijers (NFI) in juli 2008 verzocht om het haaronderzoek te inventariseren en te onderzoeken of anno 2008 aanvullend haaronderzoek mogelijk is.
In dit deskundigenrapport zijn de resultaten en conclusies vermeld van alle onderzoeken die naar aanleiding van onderstaande vraagstellingen zijn uitgevoerd.
Vraagstelling (3.3)‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek’Verzocht is om het volgende, reeds eerder onderzochte, onderzoekmateriaal te onderwerpen aan een aanvullend onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek.
2. HaaronderzoekInventarisatie haarsporen: de resultaten van de inventarisatie zijn in tabelvorm (tabel 1) weergegeven.
Tabel 1: Inventarisatie haaronderzoek
x
een lichaamshaardeel
Mogelijkheden aanvullend onderzoekWanneer referentiemonsters hoofd- en/of lichaamshaar van nieuwe betrokkenen en/of verdachten beschikbaar worden gesteld, kunnen de volgende morfologische haaronderzoeken worden uitgevoerd.
het hof begrijpt: lichaamshaardeel) x) kunnen worden vergeleken met referentiemonsters lichaamshaar van nieuwe betrokkene(n) en/of verdachte(n).
3. Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoekRode pyjamabroek [ABR034] van het slachtoffer N. VerstappenOnderzoek naar biologische sporen 2006SpeekselDe pyjamabroek is onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is, gebruik makend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 17 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen (17) locaties zijn als [ABR034]#81 tot en met [ABR034]#91 en [ABR034]#93 tot en met [ABR034]#98 bemonsterd (i.e. met de onderliggende stof uit de pyjamabroek verwijderd).
DNA-onderzoek 2008In juni 2008 zijn alle DNA-extracten van de sporen, die n.a.v. het onderzoek van 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.
Ook het resterende deel van het spoor [ABR034]#93, dat bij het onderzoek van 2006 nog niet was verbruikt, is in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.
- het overleden slachtoffer N. Verstappen [RFE330];
- de onbekende mannelijke celdonor (man 2), in onderhavig deskundigenrapport gekoppeld aan o.a. het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de slip van het slachtoffer.
Tabel 2 (vervolg) Pyjamabroek [ABR034]
(resterend deel spoor)
[ABR034]#93
onvolledig DNA-mengprofiel
slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten
geen aanwijzingen op een 3e persoon
Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer N. VerstappenOnderzoek naar biologische sporen 2006
het hof begrijpt: slip c.q. onderbroek) verwijderd) voor een DNA-onderzoek.
Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en de buitenzijde van de slip in zones verdeeld. De 31 zones (
het hof begrijpt: 30 van de 31 zones) zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt (een deel van) het onderzoeksmateriaal (i.e. de pyjamabroek (
het hof begrijpt: slip c.q. onderbroek)) met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape (i.e. de stub) wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen [ABR035]#5 tot en met [ABR035]#19 en [ABR035]#21 tot en met [ABR035]#35 zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Het gebied rondom bloedspoor [ABR035]#1, de tailleband, de randen en het kruis van de slip zijn bij de indeling in zones als afzonderlijke zones beschouwd, omdat dit plaatsen zijn waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen.
Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de slip, welke in het geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De zones beslaan vrijwel de gehele slip.
Onderzoek naar biologische sporen 2008SpeekselBij het DNA-onderzoek van 2006 (zie ‘DNA-onderzoek 2006’ hieronder) is voor 11 bemonsteringen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50 niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. De resterende delen van deze sporen zijn in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruik gemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. De aanwijzing op de aanwezigheid van speeksel is in 10 resterende delen van de sporen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #49 bevestigd.
Dit betreft 8 van de 52 sporen: [ABR035]#2, [ABR035]#8, [ABR035]#11, [ABR035]#20, [ABR035]#23, [ABR035]#36, [ABR035]#38 en [ABR035]#45.
Ook de resterende delen van de 11 sporen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50, die bij het onderzoek van 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.
Resultaten en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek 2006 & 2008De resultaten en conclusies van het vergelijkend DNA-onderzoek uit 2006 en 2008 staan vermeld in tabel 3.
- het overleden slachtoffer N. Verstappen [RFE330];
- de onbekende mannelijke celdonor (man 2), in onderhavig deskundigenrapport gekoppeld aan o.a. het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de slip van het slachtoffer.
Tabel 3 Slip [ABR035]
[ABR035]#5
DNA-mengprofiel
match slachtoffer en onbekende man 2 en nog een onbekende persoon; geen aanwijzingen op een 4e persoon
[ABR035]#6
onvolledig DNA-mengprofiel
match slachtoffer en onbekende man 2
aanwezigheid derde persoon niet uitgesloten
[ABR035]#7
onvolledig DNA-mengprofiel
ten minste 2 personen
[ABR035]#8
DNA-mengprofiel
hoofdprofiel match slachtoffer
nevenprofiel match onbekende man 2; aanwezigheid tweede onbekende in nevenprofiel niet uitgesloten
[ABR035]#9
onvolledig DNA-mengprofiel
ten minste 2 personen
[ABR035]#11
reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel
match onbekende man 2; slachtoffer niet uitgesloten
geen aanwijzingen op een 3e persoon
DNA-mengprofiel
onvolledig hoofdprofiel match onbekende man 2
nevenprofiel match slachtoffer
nevenprofiel geen aanwijzingen op een 2e persoon
(
het hof begrijpt, mede gelet op het resultaat van de toepassing van de LCN-methode in 2006: geen aanwijzingen op een 3e persoon)
[ABR035]#12
onvolledig DNA-mengprofiel
onvolledig hoofdprofiel match onbekende man 2
nevenprofiel ten minste 2 personen
[ABR035]#14
DNA-mengprofiel
ten minste 3 personen
onbekende man 2 niet uitgesloten
[ABR035]#16
onvolledig DNA-mengprofiel
ten minste 2 personen
[ABR035]#18
DNA-mengprofiel
match slachtoffer en onbekende man 2
geen aanwijzingen op een 3e persoon
[ABR035]#20
reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel
slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten
geen aanwijzingen op een 3e persoon
[ABR035]#23
reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2
[ABR035]#24
onvolledig DNA-mengprofiel
ten minste 3 personen
match slachtoffer en onbekende man 2
[ABR035]#36
reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel
match slachtoffer; onbekende man 2 niet uitgesloten
geen aanwijzingen op een 3e persoon
(resterend deel spoor)
[ABR035]#36
DNA-mengprofiel
ten minste 3 personen;
slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten
[ABR035]#38
reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel
match slachtoffer; onbekende man 2 niet uitgesloten
geen aanwijzingen op een 3e persoon
(resterend deel spoor)
[ABR035]#38
DNA-mengprofiel
hoofdprofiel match slachtoffer
nevenprofiel onbekende man 2 niet uitgesloten; aanwezigheid tweede onbekende in nevenprofiel niet uitgesloten
(resterend deel spoor)
[ABR035]#39
ten minste 2 personen
slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten
[ABR035]#45
reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2
onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2
(resterend deel spoor)
[ABR035]#45
onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2
(resterend deel spoor)
[ABR035]#46
onvolledig DNA-profiel
[ABR035]#47
geen DNA-profiel
(resterend deel spoor)
[ABR035]#47
DNA-mengprofiel
ten minste 2 personen
slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten
SamenvattingIn deze samenvatting zijn de DNA-matches die bij het vergelijkend DNA-onderzoek zijn gevonden nog een keer genoemd.
Het DNA-profiel van deze onbekende man 2 is vergeleken met alle DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen in deze zaak. Hierbij is gevonden dat nog 17 sporen van de slip van het slachtoffer en één spoor van de pyjamabroek van het slachtoffer celmateriaal van de onbekende man 2 kunnen bevatten. Het betreft de sporen: van de slip [ABR035]#5, #6, #8, #12, #14, #18, #20, #23, #24, #36, resterend deel spoor #36, #38, resterend deel spoor #38, resterend deel spoor #39, #45, resterend deel spoor #45, resterend deel spoor #47 en van de pyjamabroek [ABR034]#93.
Het NFI-rapport ‘Haaronderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen op de Brunssummerheide op 11 augustus 1998’ d.d. 2 maart 2015, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 074 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1202-1207), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur ing. P.E. de Vreede:
In deze zaak is het volgende verzocht:
- inventarisatie van de haarsporen aangetroffen op/bij het slachtoffer N. Verstappen;
- de lengte bepalen van de haarsporen.
Inventarisatie haarsporen en lengte van de haarsporenHaren van pyjamabroek van het slachtoffer ABR034De humane haren e2) en x) hebben een lengte van respectievelijk circa 0.9 en 0.8 centimeter.
De haarcodering van de haarsporen is overeenkomend met de haarcodering zoals gebruikt in het NFI-deskundigenrapport van 11 augustus 2008. De haarsporen zijn in 2005 voorzien van een SIN, zie onderstaande tabel.
Het NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen op de Brunssummerheide op 11 augustus 1998’ d.d. 17 juli 2015, met bijlage, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 077 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1208-1210), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur dr. B. Kokshoorn:
VraagstellingIn de aanvraag onderzoek van de politie eenheid Oost-Nederland van 18 maart 2015 is verzocht om de bemonstering ABR035#45 van de onderbroek van slachtoffer N. Verstappen te onderwerpen aan een aanvullend DNA-onderzoek. Dit met als doel meer genetische informatie te verkrijgen van onbekende man 2.
ABR035#45 een bemonstering van een onderbroek.
Resultaten, interpretatie en conclusieHet DNA-profiel van de volgende persoon is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Van het DNA in de bemonstering ABR035#45 is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel ABR035#11 gekoppeld aan onbekende man 2. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
Het herzien NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen op de Brunssummerheide op 11 augustus 1998’ d.d. 17 september 2015, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 079_herzien rapport (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1215-1218), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur dr. J.H.A. Nagel:
In deze zaak iseen mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA) uitgevoerd aan de daarvoor geschikte haren. Tevens is de bemonstering ABR035#45 van de slip onderworpen aan een Y-chromosomaal en een mtDNA-onderzoek en in dit rapport betrokken bij het vergelijkend mtDNA-onderzoek.
(pagina’s 1215-1216)
DNA-onderzoekOnderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een mitochondriaal DNA-onderzoek:
Om technische redenen is een nieuw SIN toegekend aan haarsporen vanaf trainingsbroek/pyjamabroek AAHK4706NL, namelijk AAHU3889NL, zodat een DNA-onderzoek kon worden uitgevoerd.
Mitochondriaal DNA-onderzoekVan de haarsporen AAHU3889NL#02 en #03 en ABR035#55 en van de bemonstering ABR035#45 zijn mtDNA-profielen verkregen die met elkaar en met het eerder verkregen mtDNA-profiel van het slachtoffer N. Verstappen zijn vergeleken.
Het NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen in Brunssum op 11 augustus 1998’ d.d. 19 februari 2016, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 082 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1222-1240), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur dr. S. van Soest:
Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal
Verzocht is de pyjamabroek en de onderbroek nogmaals te onderzoeken op humane biologische sporen. De hieronder opgesomde eerder bemonsterde locaties zullen bij het onderzoek naar biologische contactsporen worden betrokken. Het textiele materiaal van deze locaties zal worden opgerekt, om zo eventueel aanwezig celmateriaal tussen de garen te kunnen bemonsteren. Het doel van het onderzoek is om meer celmateriaal te verzamelen van de eerder aangetroffen onbekende man 2.
Voor de pyjamabroek ABR034/AAGD5405NL
ABR034#26, #27, #28, #32, #33, #39, #58, #59, #60, #68, #69, #70 en #93.
ABR035#5, #6, #7, #8, #9, #11, #12, #14, #15, #18, #21, #23, #24, #25, #26, #27, #30, #31, #32, #36, #38, #39, #46 en #47.
Onderzoek naar biologische sporenPyjamabroek ABR034/AAGD5405NLDe in de aanvraag onderzoek genoemde gebieden zijn onderworpen aan een onderzoek naar de aanwezigheid van biologische contactsporen. Hierbij is het elastische textiele materiaal opgerekt waarna het is bemonsterd met de stubmethode. Voor de duidelijkheid zijn de eerder onder het DNA-zegel ABR034 bemonsterde locaties gekoppeld aan de huidige bemonsteringen onder SIN AAGD5405NL. De hieronder vermelde bemonsteringen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek:
Binnenkant pyjamabroek:De rand van de eerdere bemonstering ABR034#93 is gestubd en veiliggesteld als AAGD5405NL#17.
Onderbroek ABR035/AAGD5406NLDe in de aanvraag onderzoek genoemde gebieden zijn onderworpen aan een (
het hof begrijpt: onderzoek) naar de aanwezigheid van biologische contactsporen. Hierbij is het (elastische) textiele materiaal per locatie opgerekt waarna het is bemonsterd middels de stubmethode. Voor de duidelijkheid zijn de eerder onder het DNA-zegel ABR035 bemonsterde locaties gekoppeld aan de huidige bemonsteringen onder SIN AAGD5406NL. De hieronder vermelde bemonsteringen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek:
Binnenkant onderbroek:Gebied ABR035#5 is gestubd en veiliggesteld als AAGD5406NL#01.
Gebied ABR035#18 is gestubd en veiliggesteld als AAGD5406NL#10.
Buitenkant onderbroekGebied ABR035#24 is gestubd en veiliggesteld als AAGD5406NL#14.
Gebied ABR035#30 is gestubd en veiliggesteld als AAGD5406NL#18.
(pagina 1236)
DNA-onderzoekDe veiliggestelde bemonsteringen AAGD5405NL#01 tot en met #17 van de pyjamabroek en AAGD5406NL#01 tot en met #25 van de onderbroek zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.
Resultaten, interpretatie en conclusieHet DNA-profiel van N. Verstappen RFE330 (geboren op 13 maart 1987) en het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering ABR035#45 (gekoppeld aan onbekende man 2) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Tabel 3 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
Het NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen op de Brunssummerheide op 11 augustus 1998’ d.d. 22 augustus 2017, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 124 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1241-1244), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur dr. S. van Soest:
VraagstellingIn de aanvraag onderzoek van de politie eenheid Oost-Nederland van 23 mei 2017 is verzocht om onderstaande folies te onderzoeken op de aanwezigheid van huidschilfers en mogelijke huidschilfers te bemonsteren en te onderwerpen aan een DNA-onderzoek.
DNA-onderzoekOnderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
borst
borst
pyjamabroek
Het NFI-rapport ‘DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen’ d.d. 7 september 2018, met bijlage, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 152 (map 6 van het digitale einddossier, pg. 1652-1655), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur drs. C. van Kooten:
Vraagstelling[zaaksofficier van justitie 1] heeft op 7 september 2018 verzocht het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] op te nemen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en te vergelijken met de hierin aanwezige DNA-profielen.
Voornamen: [voorletters verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag] 1962
Geboorteplaats: Venlo
Identiteitszegel: WAAD6718NL
De berekende frequentie van de autosomale DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen ABR035#45 en ABR035#11 is kleiner dan 1 op 1 miljard. Ofwel, de kans dat het autosomale DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze autosomale DNA-profielen is kleiner dan 1 op 1 miljard.
Het herzien NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van N. Verstappen’ d.d. 20 december 2018, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 153_herzien (map 6 van het digitale einddossier, pg. 1656-1662), voor zover inhoudende als relaas van rapporteurs dr. S van Soest en dr. J.H.A. Nagel:
Vraagstelling[officier van justitie 2] van het arrondissementsparket Limburg heeft op 13 september 2018 verzocht:
- om het autosomale DNA-profiel van verdachte [verdachte] (geboren op [geboortedag] 1962) te vergelijken met het autosomale DNA-profiel van onbekende man 2 in deze zaak;
- om een Y-chromosomaal DNA-profiel te vervaardigen van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] en dit DNA-profiel te vergelijken met het Y-chromosomale DNA-profiel van onbekende man 2;
- om een mitochondriaal DNA-profiel (mtDNA-profiel) te vervaardigen van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] en dit DNA-profiel te vergelijken met de mitochondriale DNA-profielen gekoppeld aan onbekende persoon mito-A.
Vergelijkend autosomaal DNA-onderzoekHet eerder verkregen autosomale DNA-profiel van verdachte [verdachte] WAAD6718NL is vergeleken met het autosomale DNA-profiel van een onbekend persoon in deze zaak.
ABR035#11
(gekoppeld aan onbekende man 2)
Vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoekHet Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte [verdachte] WAAD6718NL is vergeleken met het onderstaande eerder verkregen Y-chromosomale DNA-profiel van een onbekende persoon in deze zaak.
(gekoppeld aan onbekende man 2)
Vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoekHet mtDNA-profiel van verdachte [verdachte] WAAD6718NL is vergeleken met onderstaande eerder verkregen mtDNA-profielen van onbekende persoon mito-A in deze zaak.
(gekoppeld aan onbekende persoon mito-A)
(gekoppeld aan onbekende persoon mito-A)
(gekoppeld aan onbekende persoon mito-A)
(gekoppeld aan onbekende persoon mito-A)
Bewijskracht van het vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoekVoor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijskracht van de match tussen de mtDNA-profielen van haarsporen AAHU3889NL#02, #03 en ABR035#55 en het mtDNA-profiel van de verdachte [verdachte] WAAD6718NL is het van belang om te weten hoe zeldzaam het mtDNA-profiel van de haarsporen is. Hoe zeldzamer het matchende mtDNA-profiel hoe groter de bewijskracht van het mtDNA-onderzoek. Om inzicht te verkrijgen in het aantal personen dat hetzelfde mtDNA-profiel bezit als de mtDNA-profielen van haarsporen AAHU3889NL#02, #03 en ABR035#55, is gebruik gemaakt van de EMPOP-databank van de internationale forensische werkgroep die zich bezig houdt met mtDNA-onderzoek. Hiertoe is op 7 november 2018 het mtDNA-profiel van haarsporen AAHU3889NL#02, #03 en ABR035#55 vergeleken met circa 26 duizend mtDNA-profielen in deze databank. De personen in deze databank zijn afkomstig van verschillende en over de gehele wereld verspreide populaties.
De resultaten van het mtDNA-onderzoek zijn beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
veel waarschijnlijkerals hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.
Op grond van het aantal keren dat een bepaald mtDNA-profiel is waargenomen in de populatie genetische databank van een internationale wetenschappelijke werkgroep (EMPOP) die zich bezig houdt met mtDNA-onderzoek is het mogelijk om de wetenschappelijke bewijskracht van de match te formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid. De deskundige beschouwt daartoe de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek in het licht van twee hypothesen op bronniveau. Bij het biologisch sporen- en DNA-onderzoek van de afdeling HBS wordt in gevallen als deze voor de interpretatie van de wetenschappelijke bewijskracht gebruik gemaakt van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen (met bijbehorend likelihood ratio interval):
De bevindingen van het onderzoek zijn…
Het rapport forensisch DNA-onderzoek van het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO) d.d. 11 november 2019, met zaaknummer 1998.08.13.034, aanvraag 176 (map 30 van de digitale map, RC-stukken deel 2, niet zijnde het digitale einddossier, pg. 205-216), voor zover inhoudende als relaas van drs. T. Kraaijenbrink, adjunct hoofd FLDO, en prof. dr. P. de Knijff, hoofd FLDO:
Ontvangen materiaalOp 15 augustus 2019 werd via IPKD koeriers het in tabel 1 genoemde onderzoeksmateriaal ontvangen.
Tabel 1: Ontvangen onderzoeksmateriaal
Vergelijking van sporen ABR035#5, ABR035#6, ABR035#7, ABR035#8, ABR035#9, ABR035#12, ABR035#14, ABR035#16, ABR035#18, ABR035#24, ABR035#36b, ABR035#38a, ABR035#38b, ABR035#39b, ABR035#46b, ABR035#47a, ABR035#47b en AAGD5405NL#17 met referentiepersonen RFE330#01 en WAAD6718NL#02.De voor bovengenoemde sporen verkregen MPS-DNA-mengprofielen zijn met behulp van de software LRmix Studio vergeleken met de MPS-DNA-profielen van het slachtoffer RFE330#01 en de referentiepersoon WAAD6718NL#02. De in deze vergelijkingen gebruikte hypothesen en de resultaten van deze vergelijkingen staan samengevat in tabel 4.
Tabel 4: Samenvatting LRmix Studio berekeningen
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#5.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#6.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#7.
Volledigheidshalve: De berekeningen in LRmix Studio zijn voor dit spoor uitgevoerd op basis van de twee PCRs welke resultaat hebben opgeleverd.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#8.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#9.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#12.
Tabel 4: Samenvatting LRmix Studio berekeningen
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#14.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#16.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#18.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#24.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#36b.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#38a.
Tabel 4: Samenvatting LRmix Studio berekeningen
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#38b.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#39b.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#46b.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#47a.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
2 onbekenden
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering ABR035#47b.
WAAD6718NL#02
1 onbekende
Op grond van de resultaten van dit MPS-DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat WAAD6718#02 de donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in bemonstering AAGD5405NL#17.
Volledigheidshalve:
Het in LRmix Studio veronderstelde aantal donoren in de hypothesen komt niet altijd overeen met het in eerste instantie vermelde minimale aantal donoren in een spoor. De reden hiervoor is dat het minimale aantal donoren in een DNA-profiel gedurende het onderzoek op verschillende manieren wordt bepaald:
- Voor een spoor wordt in eerste instantie enkel op basis van het aantal waargenomen allelen per STR bepaald van hoeveel donoren deze minimaal afkomstig moeten zijn: één of twee allelen kunnen afkomstig zijn van (minimaal) één donor, drie of vier allelen van minimaal twee donoren, enz. Hierbij wordt dus geen rekening gehouden met eventuele overeenkomsten of verschillen met de DNA-profielen van de referentiepersonen.
- Het minimale aantal donoren in de hypothesen in LRmix Studio wordt bepaald op basis van de vergelijking van het spoor met de referentiepersoon of -personen: indien bij deze vergelijking allelen in het DNA-profiel van het spoor worden waargenomen welke niet zijn waargenomen in de DNA-profielen van de referentiepersoon of -personen, moeten deze allelen ofwel zijn veroorzaakt door een artefact, zoals allelic drop-in, ofwel afkomstig zijn van één of meerdere onbekende DNA-donoren. Hoe meer allelen in het spoor welke niet bij de referentiepersoon of -personen zijn waargenomen, hoe aannemelijker het wordt dat deze allelen afkomstig moeten zijn van één of meerdere onbekende DNA-donoren.
Het proces-verbaal van samenvatting van DNA-onderzoeken d.d. 2 oktober 2019 (map 5 van het digitale einddossier, pg. 1018-1069), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 16] , met als bijlage een ander geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Wetboek van Strafvordering, te weten de door de advocaten-generaal ter terechtzitting van het hof van 10 november 2021 overgelegde inhoud van een usb-stick [316] , met daarop een Excel-bestand ter vervanging van het Excel-bestand (het hof begrijpt: op pagina 1254 van map 5) in het digitale einddossier:
Bijlage 1: Overzicht in Excel-bestand van de verkregen DNA-profielen op A3 formaat.
#5
NL#01)
match met het slachtofferN. Verstappen RFE330 match met NN2 WAAD6718NL ( [verdachte] )
#6
het hof begrijpt: band links)
match met het slachtofferN. Verstappen RFE330match met NN2 WAAD6718NL ( [verdachte] )
#7
het hof begrijpt: band rechts)
#8
#9
het hof begrijpt: links)
#11
#12
#14
het hof begrijpt: links)
#16
het hof begrijpt: links)
#18
#20
#23
#24
NL#14)
#36a
#36b/36 resterend
#38a
#38b/38 resterend
#39b/39 resterend
#45a
#45b/45 resterend
#46b/46 resterend
#47a
#47b/47 resterend
#01
#14
#18
match met NN2 WAAD6718NL ( [verdachte] )
#55
#93
#02
#03
#17
#48
man
#37
man
#47
man
De brief van dr. B. Kokshoorn, Principal Scientist NFI en Deskundige Humane biologische sporen en DNA, gericht aan de rechter-commissaris van de rechtbank Limburg, d.d. 10 maart 2020 (map 29 van de digitale map, RC-stukken deel 1, niet zijnde het digitale einddossier, pg. 1-3), voor zover inhoudende:
In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact. Ook recentere wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp bevestigt deze algemene trend. De aanvullende onderzoeken uit 2015, 2016, 2017 en 2019 geven geen aanleiding om die conclusie te herzien.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 augustus 1998 (map 11 van het digitale einddossier, pg. 3817-3823), voor zover inhoudende als verklaring van [tentgenoot 4] :
Ik ben op vakantie gegaan met een vereniging die Jeugdwerk [kampoudste] heet. Op zaterdagmiddag (
het hof begrijpt: 8 augustus 1998) kwamen wij op het kamp ‘ [naam kampeerterrein] ’ in Brunssum. Wij hadden van tevoren afgesproken dat ik samen met Nicky Verstappen, [tentgenoot 3] , [tentgenoot 2] en [tentgenoot 1] in een tent zou gaan slapen.
De tweede avond (
het hof begrijpt: op zondagavond 9 augustus 1998) lag ik op dezelfde plaats. Wij hadden dezelfde pyjama aan als de eerste nacht (
het hof begrijpt: van zaterdag 8 augustus 1998 op zondag 9 augustus 1998). Nicky had ook nog dezelfde rode pyjama aan en een blote buik.
Ik heb gezien dat Nicky twee nachten die rode broek aan had.
het hof begrijpt: 10 augustus 1998) om 05.30 uur wakker. Ik wist dat het zo laat was omdat ik op de klok keek die achter een van de bedden stond. Ik ging toen even plassen. Ik zag dat Nicky nog in de tent was. Toen ik terugkwam, zag ik dat Nicky nog steeds in de tent lag. Nicky werd wakker. Ik ‘zei’ (
het hof begrijpt: vroeg) toen tegen (
het hof begrijpt: aan) hem of hij lekker had geslapen. Toen zei hij ‘ja’. Ik was weer even in slaap gevallen en toen ik wakker werd, was Nicky weg.
Het proces-verbaal van het 2e verhoor getuige d.d. 17 augustus 1998 (map 11 van het digitale einddossier, pg. 3824-3827), voor zover inhoudende als verklaring van [tentgenoot 4] :
Ik heb een half uurtje of een kwartiertje geslapen. Het was 05.55 uur toen ik wakker werd. Ik zag dat bij [tentgenoot 1] op de klok.
Het proces-verbaal verhoor ouders Nicky Verstappen d.d. 31 januari 2001 (map 12 van het digitale einddossier, pg. 4333-4337), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [moeder van Nicky Verstappen] , en [vader van Nicky Verstappen] :
Op woensdag 31 januari 2001 hoorden wij, verbalisanten, in haar woning de moeder van het slachtoffer.
Verbalisanten toonden een foto van de rode pyjamabroek, welke Nicky droeg toen hij werd aangetroffen. U vraagt mij of deze broek waarin Nicky werd aangetroffen daadwerkelijk van Nicky was?
Nadat de getuige haar verklaring had doorgelezen, volhardde zij daarbij en ondertekende deze te Heibloem op 31 januari 2001.
Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 augustus 1998 (map 12 van het digitale einddossier, pg. 4316-4317), voor zover inhoudende als verklaring van [vader van Nicky Verstappen] :
Afgelopen zaterdag, 8 augustus 1998, is mijn zoon Nicky (
het hof begrijpt hierna telkens: Verstappen) op zomerkamp gegaan vanuit Heibloem, onze woonplaats. Het kamp is opgeslagen op het terrein van ‘ [naam kampeerterrein] ’ te Brunssum. Sinds gisteren, maandag 10 augustus (
het hof begrijpt: 1998), wordt hij vermist.
Nicky zou nooit vreemde mensen aanspreken met uitzondering van kinderen. Als hij door een andere persoon zou worden aangesproken, zou hij die persoon wel aanhoren.
Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 24 januari 2001 (map 14 van het digitale einddossier, pg. 5203-5204), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Over het schooljaar augustus 1997 tot 1998 ben ik onderwijzer geweest van Nicky Verstappen.
Nicky was bang voor vreemden. Ik geloof niet dat hij vrijwillig met een vreemde is meegegaan op de hei.
Het proces-verbaal d.d. 31 juli 1985 (map 8 van het digitale einddossier, pg. 2251-2265), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 17] , [verbalisant 18] en [verbalisant 19] :
Melding:Op vrijdag 5 juli 1985, omstreeks 15.10 uur, kregen wij, [verbalisant 18] en [verbalisant 19] , respectievelijk wachtmeester der rijkspolitie 1e klasse en wachtmeester der rijkspolitie, beiden behorende tot de groep Beek (L), Nuth, de mobilofonische melding te gaan naar de [naam school] te Wijnandsrade, gemeente Nuth.
Aldaar aangekomen werden wij aangesproken door onderwijzer [betrokkene 3] , die ons mededeelde dat hij die middag met de 5e klas van die school in het Wijnandsraderbos te Wijnandsrade, gemeente Nuth, was geweest. Aldaar hadden twee van zijn leerlingen zich van de rest van de klas afgezonderd en waren toen door een onbekende man lastiggevallen, welke ontuchtige handelingen met de twee kinderen had gepleegd. Verder deelde [betrokkene 3] mede dat door hem het kenteken van een personenauto was opgenomen, welk voertuig in de berm van de Putweg te Wijnandsrade had gestaan, kort nadat vorenstaande had plaatsgevonden. De Putweg is de toegangsweg vanaf de Kersboomkensweg naar het Wijnandsraderbos. Het betrof hier een personenauto, merk Citroën, voorzien van het kenteken [kenteken] .
Uit informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek het kenteken [kenteken] te zijn afgegeven voor een personenauto, merk Citroën, ten name van: [verdachte] , wonende te [voormalig adres van de verdachte] .
Op vrijdag 5 juli 1985, omstreeks 17.00 uur, nam ik, [verbalisant 18] , telefonisch contact op met de rijkspolitie te Simpelveld, met het verzoek een onderzoek in te stellen met betrekking tot voornoemde [verdachte] .
Na telefonisch te zijn uitgenodigd op het bureau der rijkspolitie te Simpelveld, bleek voornoemde [verdachte] te voldoen aan het door de slachtoffers opgegeven signalement en bekende hij op vrijdag 5 juli 1985, omstreeks 14.45 uur, ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met twee kinderen, in het Wijnandsraderbos te Wijnandsrade, gemeente Nuth.
Verhoor verdachte:Op vrijdag 5 juli 1985, omstreeks 22.15 uur, hoorde ik, [verbalisant 17] , in het groepsbureau der rijkspolitie te Beek (L), de in verzekering gestelde verdachte: [verdachte] , voornoemd.
“Op vrijdag 5 juli 1985, omstreeks 14.45 uur, kwam ik met mijn personenauto, merk Citroën, kenteken [kenteken] , in Wijnandsrade, gemeente Nuth, aan. Ik ging daar in Wijnandsrade naar een bos. Ik was vaker in dat bos geweest. Ik heb mijn auto langs de toegangsweg in de berm geparkeerd en ben het bos ingelopen. Ik was op dat moment gekleed in een bruin/beige pantalon en een overhemd van dezelfde kleur. Op dat moment had ik een baard. Deze baard heb ik vandaag, na de middag, thuis afgeschoren. Toen ik in het bos aan het wandelen was, hoorde ik in het struikgewas gekraak. Ik ben toen in dat struikgewas gaan kijken. Ik hoorde stemmen en ben gaan kijken. Ik zag toen dat er in die struiken twee kleine jongens op de grond zaten. Ik schatte de leeftijd van die jongens rond de 10 jaar. Ik ben toen naar die jongens toegelopen en ik ben bij die jongens op de grond gaan zitten. De jongens vroegen mij toen of ik de boswachter was. Ik heb toen ontkennend geantwoord, maar gezegd dat ik aan de natuurbescherming meedeed.
De kinderen vertelden dat ze met de school verstoppertje aan het spelen waren.
De twee jongens zaten op de grond en ik zat schuin achter hen. Ze zaten dus met de rug naar mij toe. Ik heb deze jongens toen van achteren vastgepakt en hen de hand op de mond gehouden. Ik heb toen gezegd dat ik met mijn hand bij hen in de broek wilde en dat zij zich rustig moesten houden. Ik heb toen mijn handen van hun mond gedaan en ben met mijn rechterhand bij het jongetje, dat links voor mij zat, onder de onderbroek gegaan en heb aan zijn geslachtsdeel gevoeld. De jongens droegen beiden een korte sportbroek. Ik heb toen die jongen losgelaten. Deze jongen is toen meteen weggerend. Ik ben toen wederom met mijn rechterhand bij de jongen die rechts voor mij zat, onder de onderbroek gegaan en heb ook zijn geslachtsdeel vastgepakt. Deze jongen riep toen de naam van de andere jongen die was weggerend en dat hij moest wachten. Door het roepen van deze jongens ben ik geschrokken van hetgeen ik aan het doen was en heb ik de jongen losgelaten. Ik moet nog verklaren dat op het moment dat ik de jongens kenbaar heb gemaakt wat ik wilde, dus voordat ik hen heb betast, één van de jongens nog heeft geprobeerd weg te rennen. Ik heb die jongen toen bij zijn arm vastgepakt en hem terug op de grond getrokken. Nadat de kinderen waren weggerend, heb ik nog een tijdje op die plaats gezeten. Ik was helemaal in de war. Hierna ben ik weggerend en heb ik minstens een uur ergens in het veld liggen huilen. Hierna ben ik naar mijn ouderlijk huis in Simpelveld gereden. Het was toen ongeveer 18.30 uur. Thuis heb ik mijn baard afgeschoren. Later op de avond ben ik toen door de politie aangehouden, nadat ik had verteld wat ik had gedaan.
Ik wist dat ik met kinderen van ongeveer 10 jaar te doen had en dat ik uiteraard met deze kinderen geen ontuchtige handelingen mocht plegen en mij zodoende strafbaar maakte”.
Aangever I:Op zaterdag 6 juli 1985, omstreeks 11.05 uur, hoorde ik, [verbalisant 17] , een persoon, die aangifte wenste te doen en verklaarde te zijn genaamd [vader getuige 2] . Hij verklaarde: “Ik wil hierbij aangifte doen van het plegen van ontuchtige handelingen, onder bedreiging gepleegd door een man, ten opzichte van mijn minderjarige, 11-jarige zoontje [getuige 2] . Dit feit heeft plaatsgevonden in het Wijnandsraderbos te Wijnandsrade, gemeente Nuth, op 5 juli 1985.
Hij ontkende dit, maar vertelde dat hij van de natuurbescherming was en veel door de bossen liep.
Wij hebben toen over het bos gepraat. Opeens pakte deze man [getuige 3] en mij van achteren met zijn hand voor onze monden vast. Ik zat links voor die man en [getuige 3] rechts voor die man. De man zei toen dat hij met zijn hand bij ons in de broek zou gaan. [getuige 3] verplaatste zich toen. De man trok [getuige 3] toen bij zijn arm terug op de plaats waar [getuige 3] van tevoren zat. Ik hoorde toen dat de man zei: “Het kan ook anders”. Dit zei hij tamelijk nors. Op dat moment voelde ik mij bedreigd en werd heel erg bang, omdat ik niet wist wat er met mij zou gebeuren. De man pakte met zijn linkerhand mijn rechterarm vast en ging met zijn rechterhand onder mijn onderbroek. Hij voelde toen aan mijn geslachtsdeel. De man hield mij stevig vast. De man heeft mij toen losgelaten en ik heb die man gevraagd of ik terug naar de klas mocht. Deze man vond dit kennelijk goed en ik ben toen opgestaan. De man heeft toen [getuige 3] vastgepakt en heeft toen kennelijk [getuige 3] aan zijn geslachtsdeel gevoeld. Ik hoorde toen dat [getuige 3] op (
het hof begrijpt: tegen) mij riep, dat ik op hem moest wachten en dat die man hem los moest laten. De stem van [getuige 3] klonk toen alsof hij in paniek was. Toen hoorde ik dat die man zei: “Jij hebt een lekkerdere”. Dit zei hij op het moment dat hij mij had losgelaten en bij [getuige 3] begon te voelen. [getuige 3] is toen weer bij mij gekomen. De man had [getuige 3] kennelijk losgelaten. Wij zijn toen samen heel hard weggerend in de richting van de plaats waar de rest van onze klas was. Ik was, evenals [getuige 3] , behoorlijk overstuur en erg bang. [getuige 3] en ik hadden korte sportbroeken aan, waaronder wij een onderbroek droegen. Ik ben erg bang geweest en voelde mij door die man bedreigd. Het signalement van die man was: zwart krullerig haar, donkere baard, droeg een bruin hemd en een bruine broek.
Zij verklaarde:
Ik wil hierbij aangifte doen van ontuchtige handelingen, onder bedreiging gepleegd door een man ten opzichte van mijn minderjarige zoontje [getuige 3] , leeftijd 10 jaar. Dit feit vond plaats in het Wijnandsraderbos te Wijnandsrade, op 5 juli 1985.
De man zei toen: “ja” en [getuige 2] is toen opgestaan en een paar meter verder gaan staan.
De man pakte mij toen bij mijn arm vast en ging met zijn hand onder mijn onderbroek en voelde aan mijn geslachtsdeel. Ik heb toen tegen [getuige 2] geroepen dat hij moest wachten. De man heeft nog gezegd dat ik een lekkerdere had. De man heeft mij toen losgelaten en wij zijn toen weggerend naar de rest van de klas. Ik was behoorlijk overstuur en huilde. Ik was erg bang, doordat die man ons heeft bedreigd. Op het moment dat het gebeurde, was ik gekleed in een korte sportbroek en een T-shirt. Na het gebeurde hebben wij de meester het verhaal verteld. Door hetgeen is gebeurd, ben ik erg geschrokken en heb ik mij bedreigd gevoeld. De lengte van de man was ongeveer tussen de 1.70 en 1.80 meter. Hij had krullend donker haar en had een baard en droeg bruingekleurde kleding”.
Vanaf de Kersboomkensweg te Wijnandsrade loopt de Putweg, die uit voornoemde weg in de richting Vink loopt, in de richting van het Wijnandsraderbos. Het verlengde van de Putweg is een onverharde weg, die het bos inloopt. In het begin van dit bos komt dit onverharde gedeelte van de Putweg uit op een open plek, waar een zitbank staat. Vanaf die plaats lopen meerdere smalle wandelpaadjes het bos in. De plaats delict was ongeveer 400 meter van voornoemde plaats gelegen richting het hart van het bos, buiten de eerdergenoemde wandelpaadjes. Het betrof een ruimte van ongeveer één vierkante meter oppervlakte, onder dichtbegroeid struikgewas. De vrije ruimte onder het struikgewas was ongeveer één meter hoog. Deze plaats was voor onbekenden ter plaatse moeilijk te vinden.
Spiegelconfrontatie slachtoffer II:Op zaterdag 6 juli 1985, omstreeks 14.10 uur, confronteerden wij, [verbalisant 17] en [verbalisant 18] , in het groepsbureau der rijkspolitie te Beek (L), middels de confrontatiespiegel verdachte [verdachte] met slachtoffer [getuige 3] . Hij verklaarde: “Ik herken de man met wie u mij confronteert aan de vorm van zijn gezicht terug en aan zijn haren. Dit is de man die met mij ontuchtige handelingen heeft gepleegd. De man had gisteren wel een baard, die hij nu niet meer heeft”.
Zij waren behoorlijk overstuur en vertelden dat een onbekende man hen op hun verstopplaats had aangesproken.
De man had hen even later vastgepakt en de jongens betast aan hun geslachtsdelen. Ik heb toen meteen de klas bij elkaar geroepen en heb het bos verlaten. In de berm van de verharde weg die vanuit het bos in de richting Kersboomkensweg loopt, zag ik een personenauto, merk Citroën, kleur blauw, staan. Bij deze auto bevond zich verder niemand. Ik heb het kenteken van deze auto opgeschreven. Dit kenteken was [kenteken] . Deze auto stond onbeheerd. Ik heb niemand bij dit voertuig gezien. Het kenteken heb ik later aan de politie doorgegeven.
“Ik ben er ongeveer 4 à 5 jaar geleden achter gekomen dat ik geheel niet geïnteresseerd ben in meisjes. Ik merkte dat mijn interesse uitging naar kinderen, speciaal jongetjes. Ik voelde mij seksueel aangetrokken tot kleine jongens.
Toen ik, zoals ik eerder heb verklaard, in het struikgewas die twee jongetjes aantrof, heb ik eerst met hen gepraat.
Toen kwam opeens de drang om deze jongetjes aan hun geslachtsdelen te voelen. Ik weet dat ik strafbaar ben wanneer ik ontuchtige handelingen met minderjarige kinderen pleeg, maar ik kon mij niet meer inhouden”.
het hof begrijpt: door of namens [getuige 5]), oud 12 jaar, wonende te Wijlre.
Nadat hem was medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, verklaarde hij:
“Ik wil het navolgende aan mijn eerder afgelegde verklaringen toevoegen. Afgelopen jaar heb ik ergens in het IJserbos (
het hof begrijpt: Eyserbos, een bosgebied in de provincie Limburg, gelegen ten oosten van Wijlre) gezeten. Ik was toen behoorlijk overstuur en heb zitten huilen. Ik weet dat ik toen heb gerend en dat ik in dezelfde paniek was als afgelopen vrijdag (
het hof begrijpt: 5 juli 1985), nadat ik in het Wijnandsraderbos met twee jongetjes ontuchtige handelingen heb gepleegd. Verder kan ik mij iets herinneren van Wijlre, van een jongetje, dat daar met een vlieger bezig was. Ik heb een hele tijd met die jongen gepraat. Deze jongen was ongeveer 12 jaar. U deelt mij mede dat op donderdag 9 augustus 1984 in Wijlre twee jongens van 12 jaar, die aldaar met een vlieger aan het spelen waren, zijn lastiggevallen door een man, waarvan het signalement overeenkomt met mijn signalement. Ik neem aan dat ik dat ben geweest, omdat ik mij bepaalde dingen weer voor ogen kan halen. Ik weet dat ik op een bepaald moment met dat jongetje ben gaan lopen. Ik ben toen nog in het prikkeldraad gevallen. Die jongen is toen ook over het prikkeldraad geklommen en is met mij meegelopen. Volgens mij ben ik toen met dat jongetje op een verharde weg terechtgekomen. Die jongen had in een plastic zak een vlieger bij zich. Ik weet dat ik toen een baard had”.
Op zondag 7 juli 1985, omstreeks 14.36 uur, hoorde ik, [verbalisant 17] , in het groepsbureau der rijkspolitie te Beek (L), de inverzekeringgestelde [verdachte] .
Nadat hem was medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, verklaarde hij:
“Aan mijn zojuist afgelegde verklaring wil ik het navolgende toevoegen. In 1984 ben ik, zoals gezegd, in Wijlre geweest. Ik wilde, omdat het zulk mooi weer was, van Wijlre naar Simpelveld lopen. Ik zag toen in een weiland, ergens buiten de bebouwde kom, een ongeveer 12-jarige jongen met een vlieger spelen. Ik ben toen bij deze jongen gaan zitten en heb met hem gesproken. Na een tijdje kwam het touw van deze vlieger door elkaar en is deze jongen gestopt en heeft zijn vlieger opgeruimd. Ik heb toen tegen deze jongen gezegd dat hij met mij mee moest. Dit heeft hij gedaan, omdat ik de indruk had, dat ik zijn vertrouwen gewonnen had. Hij is toen met mij meegelopen. Wij zijn toen het weiland uitgegaan, waarbij ik in het prikkeldraad ben gevallen. Buiten het weiland kwamen wij op een verharde weg. Wij zijn toen nog een stuk verder gelopen en kwamen op een T-kruising terecht. Hier heb ik die jongen bij zijn arm vastgepakt en heb ik tegen hem gezegd dat ik met hem wilde vrijen. Ik meen dat die jongen zich losrukte, waarna ik hem weer vastpakte en een hand voor zijn mond hield. Hij stond toen met zijn gezicht naar mij toe. Ik heb toen geprobeerd de ritssluiting van zijn broek los te maken. Ik heb hem toen op de broek aan zijn geslachtsdeel gevoeld. De ritssluiting kreeg ik niet los, omdat de jongen zijn armen ervoor hield en zich even later liet vallen. Dit gebeurde in het gras, langs die weg. Hij is toen op zijn zijkant gaan liggen. Ik heb toen geprobeerd met mijn hand onder de broek aan zijn achterwerk te komen. Dit lukte gedeeltelijk. De jongen was behoorlijk bang en angstig en zei toen: “Oh God”. Aan zijn manier van doen merkte ik uiteraard dat hij niet wilde hebben wat ik deed. Ik heb die jongen toen losgelaten en hij is weggerend en heeft zijn vlieger achtergelaten. Ik ben toen in paniek geraakt en ook weggerend. Ik wist dat ik met een minderjarige jongen te doen had en dat ik met deze jongen geen ontuchtige handelingen mocht plegen. Het was mij duidelijk dat ik mij op die manier strafbaar maakte”.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 november 2018, met bijlagen (map 22 van het digitale einddossier, pg. 8743-8755), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor getuige [getuige 4] , geboren op 22 juni 1972:
Het verhoor wordt weergegeven in vraag- en antwoordvorm:
V: vraag/opmerking verbalisanten;
A: antwoord/opmerking [getuige 4] .
V: Op welke wijze ben jij over de aanhouding van [verdachte] , de verdachte in het
A: Ik herkende hem gelijk (
het hof begrijpt: als de dader van de feiten gepleegd in
A: Op TV was het toen hij werd gezocht. Het ging om de eerste beelden op TV.
het hof begrijpt: 2018).
A: Ik herkende hem aan zijn gezicht, zijn baard. Het was echt zijn gezicht. Ik ben
A: [getuige 5] en ik waren aan het vliegeren in Wijlre. Het was in het weiland aan de
Dikkebuiksweg.
A: Het was ’s middags. Het was in de zomer, ik denk juli of augustus. Ik denk
A: Het was goed weer, de zon scheen.
V: Waar waren jullie toen?
A: We waren in het weiland, vlakbij de kruising van de Kruisweg en de
A: De man was op de grond gaan zitten. Hij zat naar ons te kijken en we hadden een
A: Slank, hij had een baardje. Voor mij was hij toen een ‘oud’ iemand, een volwassene.
A: Een beetje een ‘koetjes en kalfjes gesprek’. Ik weet niet waar het over ging. Behalve
A: We hebben de vlieger opgevouwen, opgeruimd in de tas. Toen wilden we weglopen.
A: [getuige 5] en ik liepen naast elkaar. Ik had de tas met de vlieger in mijn hand. We hadden
A: Ik voelde dat de hand heel stevig voor mijn mond werd gehouden. Tegelijkertijd
A: Het was zo dat [getuige 5] en ik tegelijkertijd werden vastgepakt en dat er een hand voor
A: Toen hoorde ik een stem zeggen: “Jullie moeten rustig zijn, meekomen. Naar de
A: [getuige 5] en ik hebben even zo op de grond gelegen en de man lag dus meer tussen ons
A: Nee, daar was ik ook nog niet mee bezig. Ik was op dat moment heel bang, ‘wat
A: Dat is een veldweg, wel verhard, maar niet met asfalt.
A: Tijdens het lopen bleef de man ons vasthouden. Hij liep achter ons. De man hield
A: Ik denk dat we ongeveer 100 meter hadden gelopen, toen ik voelde dat de grip van
Op het moment dat de man mij iets losser liet, heb ik met mijn linkerhand naar
A: Ik ben de Kruisweg afgerend, tot ik aankwam op de kruising met de Elkenraderweg.
A: We kwamen [getuige 5] tegen. [getuige 5] liep al op die Kruisweg.
V: En [getuige 5] ?
A: Hij is bij ons in de auto gestapt.
A: We zijn teruggegaan naar het politiebureau. Daar hebben we nog even gepraat.
V: Wat heeft [getuige 5] jou verteld over wat er is gebeurd met de onbekende man?
A: [getuige 5] heeft mij verteld dat die man in zijn broek heeft gegrepen en dat hij aan zijn
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 november 2018, met bijlagen (map 22 van het digitale einddossier, pg. 8759-8770), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor getuige [getuige 5] , geboren op 31 december 1971:
Het verhoor wordt weergegeven in de vraag- en antwoordvorm:
V: vraag/opmerking verbalisanten;
A: antwoord/opmerking getuige [getuige 5] .
V: Wij werken in het rechercheteam dat onderzoek doet naar de dood van Nicky
A: Nee. Het ging mij erom wat ik kan doen om te helpen. Je schrikt als je dat
A: Er stond op een gegeven moment in een artikel van L1 een verwijzing naar een
A: Vlak na zijn aanhouding.
A: Van [verdachte] .
het hof begrijpt: 2018)?
A: Ja.
A: Ja.
A: Ik gaf destijds een redelijk goede beschrijving van de verdachte op het moment dat
A: [getuige 4] en ik wilden een activiteit gaan ondernemen. We wilden gaan vliegeren.
het hof begrijpt: het maïsveld)
A: Op de Kruisweg.
V: Hoe oud was je in 1984?
A: 12 jaar.
A: Ik meen dat het in de zomervakantie was.
A: Op de Kruisweg. Het is een veldweg, een weg van zand/modder met een groene
A: Plotseling kwam er een man uit het maïsveld.
A: Op de helft van de Kruisweg naar de Elkenraderweg.
A: Hij pakte [getuige 4] en mij bij de mond vast. De man stond achter ons en had beide
A: Naar de kant van de Elkenraderweg. Wij probeerden beiden los te komen. [getuige 4]
A: Ik riep echt om hulp.
A: Het moet van achteren zijn geweest, want hij deed zijn rechterhand vanaf achteren
A: Mijn plasser.
A: Hij was met zijn blote hand op mijn blote plasser en heeft deze vastgehad.
V: Wat deed de man nadat hij zijn hand op jouw plasser had?
A: Hij deed zijn hand uit mijn broek en liep weg in het maïsveld.
A: Ik liep verder naar de Elkenraderweg en toen bleek dat [getuige 4] daar een auto had
A: Een man alleen.
V: Hoe zag die man (
het hof begrijpt: de dader) eruit?
A: Slank postuur, iets groter dan [getuige 4] en ik, nou ja een stuk groter.
V: [getuige 4] verklaarde dat de man plotseling achter jullie stond, de handen voor jullie
A: Nu ik het hoor, kan ik mij die val wel herinneren.
V: Weet je nog wat na het vallen gebeurde?
A: Wij zijn inderdaad overeind gekomen. Volgens mij is [getuige 4] toen weg kunnen
A: Ruim anderhalve kop groter.
A: Via de app op 28 augustus (
het hof begrijpt: 2018) of we zo snel mogelijk met
A: Een dag later schreef [getuige 4] dat het over “die en die man ging, klopt dat?”. [getuige 4]
V: [getuige 4] zei tegen jou dat hij [verdachte] herkende. Hoe is dit voor jou?
A: Op grond van het krantenartikel en wat [getuige 4] zei, kan het bijna niet anders dan dat
A: Ik zag de foto op internet. Die foto heeft mij wel aan het denken gezet, dat hij het
Het proces-verbaal van bevindingen 7e verhoor [verdachte] d.d. 14 september 2018 (map 8 van het digitale einddossier, pg. 2507-2513), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 20] :
Aan [verdachte] werd een kaart van de Brunssummerheide getoond en gevraagd of hij het gebied kende, waarop [verdachte] “Ja” antwoordde.
Het proces-verbaal van bevindingen 11e verhoor [verdachte] op 9 november 2018, d.d. 13 november 2018 (map 9 van het digitale einddossier, pg. 2742-2756), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 21] :
Zaak 1998 Nicky VerstappenZover nu bekend is, kende Nicky [verdachte] niet en kende hij Nicky niet. Het rechercheteam had dit onderzocht en hijzelf verklaarde er niet over.
De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 2019, voor zover inhoudende:
Ik heb al in het begin aangegeven dat ik Nicky (
het hof begrijpt: Verstappen) niet ken.
Het proces-verbaal bevindingen inbeslagneming gegevensdragers d.d. 7 mei 2018 met proces-verbaalnummer 201477898 (map 26 van het digitale einddossier, pg. 10.488-10.489), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 6] :
Op woensdag 18 april 2018 heeft [betrokkene 1] , in het kader van de vermissing van [verdachte] , een drietal harde schijven overhandigd gekregen van [zus van de verdachte 1] (zus van [verdachte] ). Bij het bekijken van deze harde schijven ontdekte [betrokkene 1] veel kinderfoto’s. [betrokkene 1] wilde vervolgens van de harde schijven af en wilde deze overhandigen aan de politie.
Daarnaast heeft [betrokkene 1] , in het kader van de vermissing van [verdachte] , vanuit het chalet in de Vogezen, een desktop meegenomen, welke eigendom is van de Stichting, die de verhuur van het chalet beheert. Van deze stichting is [betrokkene 1] de voorzitter en [verdachte] de penningmeester.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018 met proces-verbaalnummer 866 (map 26 van het digitale einddossier, pg. 10.909-10.910), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 22] en [verbalisant 23] :
In het digitaal beslag afkomstig van goed met SIN AAFF9235NL, zijnde de Packard Bell PC, aangetroffen in het chalet in Frankrijk, hebben wij, verbalisanten, digitaal onderzoek verricht. [verbalisant 23] zag een bestand staan genaamd "URL.db". Wij, verbalisanten, zagen dat dit een database bestand was welke over URL's beschikte inclusief tijdstempels. Deze file wordt door Avast Antivirus gebruikt om alle links naar gedownloade bestanden in op te slaan om te gebruiken voor het scannen naar mogelijke virussen. Het volledige pad waar dit bestand aangetroffen was, is: IMAGE.E01\Partition2\NONAME[NTFS]\[root] \ProgramData\AVAST Software\Avast\URL.db.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2016 met proces-verbaalnummer 870 (map 26 van het digitale einddossier, pg. 10.936), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 22] :
Het proces-verbaal Downloaden URL d.d. 13 september 2018 met proces-verbaalnummer 20180913.11.00, met bijlage (map 24 van het digitale einddossier, pg. 9518-9520), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 23] :
Naar aanleiding van de aangetroffen URL's in de database van Avast, ontving ik van collega [verbalisant 22] een script met bijbehorend csv bestand waarin de URL's uit de database waren opgenomen. In overleg met de officier van justitie werd dit script gebruikt om de foto's te downloaden.
Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek pornografische afbeeldingen d.d. 11 september 2018 met proces-verbaalnummer 2018-01 (map 28 van het digitale einddossier, pg. 11.790), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 24] :
het hof begrijpt steeds: te relateren aan de in het vorige bewijsmiddel genoemde 170 pornografische afbeeldingen) aangetroffen in dit bestand. Ik, verbalisant, heb vervolgens op 11 september 2018 onderzoek verricht naar deze afbeeldingen en deed daarbij de volgende bevindingen.
het hof begrijpt: het hierna weer te geven proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 18 november 2018 met proces-verbaalnummer 2018-03).
Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek kinderpornografische afbeeldingen d.d. 14 september 2018 met proces-verbaalnummer 2018-02 (map 28 van het digitale einddossier, pg. 11.791-11.792), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 24] :
Ik, [verbalisant 24] , werkzaam bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van politie eenheid Limburg, kinderpornorechercheur en gecertificeerd voor beoordelen beeldmateriaal kinderporno, verklaar het volgende:
het hof begrijpt: het hierna weer te geven proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 18 november 2018 met proces-verbaalnummer 2018-03).
Naast de pornografische afbeeldingen werd er in de collectie een groot aantal afbeeldingen aangetroffen waarvan uit de bestandsnaam bleek dat deze vermoedelijk van de internetsite [website] afkomstig waren. Een voorbeeld hiervan: [website] . Op deze afbeeldingen waren met name jongens te zien, voornamelijk in een leeftijd van ongeveer 12 jaar oud en jonger. Deze jongens waren veelal gefotografeerd in een natuurlijke omgeving waarbij regelmatig sprake was van een ontbloot bovenlichaam
Het proces-verbaal van bevindingen zoektermen internethistorie d.d. 14 september 2018 met proces-verbaalnummer 892 (map 26 van het digitale einddossier, pg. 10.938-10.939), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 22] :
In het veiliggesteld bestand "URLs.db", zoals omschreven in proces-verbaal 866, heb ik nader onderzoek verricht. Ik heb hier gekeken naar zoektermen die gebruikt zijn in de loop van de tijd, enopvallende websites en/of benamingen.
Het rapport analyse url's computer [verdachte] d.d. 19 november 2018 met documentcode 19112018-1040 (map 26 van het digitale einddossier, pg. 10.902-10.906), voor zover inhoudende als relaas van [rapporteur] :
Door [zus van de verdachte 1] , zijnde de zus van [verdachte] , werd verklaard dat [roepnaam verdachte] de beschikking had over een computer en hij deze meenam toen hij medio september 2017 naar Frankrijk verhuisde. [roepnaam verdachte] woonde tot de verhuizing in de woning aan [voormalig adres van de verdachte] , alwaar hij verbleef samen met zijn [moeder verdachte] .
Op 12 juli 2018 werd een overzicht verstrekt met daarin de bij Flixbus bekende gegevens. Hieruit blijkt dat in 2017 diverse busreizen werden geboekt ten name van [verdachte] . Om meer inzicht te krijgen in wie de gebruiker was van de genoemde desktop heb ik onder andere de lijst met url's bekeken in de periodes waarin [verdachte] volgens de informatie van Flixbus op reis zou moeten zijn.
Flixbus reis 1:Vertrek 07-06-2017 18:50 uur in Maastricht - Aankomst 08-06-2017 16:00 uur in KrakowVertrek 01-08-2017 14:50 uur in Krakow - Aankomst 02-08-2017 12:10 uur in Maastricht
Een mogelijke verklaring hiervoor is het volgende. Op 10 juli 2018 werd de mobiele telefoon van [zus van de verdachte 1] , zijnde de zus van [verdachte] , veiliggesteld en werd van de gegevens een extractie gemaakt. Uit het WhatsApp-verkeer van 11-06-2017 aangetroffen op deze telefoon, kan worden opgemaakt dat [zus van de verdachte 1] op deze datum al 2,5 week in Limburg is vanwege de gezondheidstoestand van haar moeder. Het is niet ondenkbaar dat [zus van de verdachte 2] (
het hof begrijpt: [zus van de verdachte 1]) [verdachte] tijdens het verblijf bij haar moeder heeft gebruikgemaakt van de computer van [verdachte] . [zus van de verdachte 1] is overigens woonachtig in [woonplaats zus van de verdachte 1] . Dit komt overeen met de gezochte treinkaartjes.
Te zien is dat er onder andere werd gezocht op de Amstel Gold race lus. Er zijn in ieder geval geen url's zichtbaar die doorgaans worden bekeken (bushcraft, geocache, scouting etc.)
Een mogelijke verklaring hiervoor is het volgende. Op 25-09-2018 werd tijdens een buurtonderzoek [buurvrouw] verhoord, zijnde de voormalige buurvrouw van [verdachte] .
Zij toonde tijdens dit verhoor de chatgesprekken tussen [zus van de verdachte 1] en haarzelf. Uit deze chatgesprekken blijkt dat de buurvrouw [buurvrouw] op 27-07-2017 aan [zus van de verdachte 1] vraagt of ze thuis is bij mam. [zus van de verdachte 1] reageert dat [voornaam] en [voornaam] dit zijn en dat zij tot zondag blijven en in de heuvels gaan fietsen. Aannemelijk is dus dat de toenmalige echtgenoot van [zus van de verdachte 1] , [toenmalige echtgenoot] , op 27-07-2017 aanwezig was in de woning van [verdachte] . Het is waarschijnlijk dat hij toen gebruik heeft gemaakt van de computer van [verdachte] .
het hof begrijpt: 02-08-2017).
[afbeelding 1]
20-11-2016 23:53 uur: aanvang porno url's
[afbeelding 2]
[afbeelding 3]
[afbeelding 4]
[afbeelding 5]23-01-2017 01:56 uur: einde porno url's
31-01-2017 01:57 uur:
[afbeelding 6]
Tijdens het bekijken van de totale URL lijst, viel mij, rapporteur, op dat vanaf de start van de URL lijst op 28-04-2016 tot 22-05-2017 met regelmaat veelvuldig pornografische URL's te zien waren.
Na 23-05-2017 zijn deze tot het eind van de lijst op 26-10-2017 niet meer te vinden.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 juli 2018 (map 21 van het digitale einddossier, pg. 8368-8383), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor getuige [zus van de verdachte 2] :
Het verhoor werd opgenomen in de vraag- en antwoordvorm.
V = Vraag of opmerking verbalisant.
A = Antwoord of opmerking getuige.
V: Had [roepnaam verdachte] (
het hof begrijpt hierna telkens: [verdachte]) altijd de beschikking
A: Computer stond bij moeder thuis.
A: [roepnaam verdachte] zat altijd op de computer, was met foto’s bezig, scouting/bloemen/natuurfoto’s/
personen.
Het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 18 november 2018 met proces-verbaalnummer 2018-03, met bijlagen (map 7 van de digitale map, pv stand van zaken (pg. 1885-1961), niet zijnde het digitale einddossier, pg. 1947-1961), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 25] en [verbalisant 24] :
Wij, verbalisanten, [verbalisant 24] , inspecteur van politie, en [verbalisant 25] , hoofdagent van politie, beiden werkzaam als kinderpornorechercheur en gecertificeerd voor het beoordelen van beeldmateriaal kinderporno, verklaren het volgende.
Er werden van de zeventien threads een achttal threads deels geanalyseerd en beoordeeld
Beoordeling kinderpornografisch materiaalIn de periode van 12 september 2018 tot en met 14 november 2018 hebben wij, verbalisanten, een nader onderzoek ingesteld naar de aangeleverde afbeeldingen. Alle 294.839 afbeeldingen betroffen foto’s.
De bepaling van de kennelijke (zoals bedoeld in art. 240b Sr) leeftijden van de afgebeelde personen hebben wij, verbalisanten, gebaseerd op de algemeen bekende criteria en kenmerken betreffende lichaamskenmerken, lichamelijke ontwikkeling en ontwikkelingsstadia van uitwendige geslachtskenmerken.
4.
5.
8.
Met betrekking tot de seksuele handelingen door en/of tussen de tienerjongens zijn bijvoorbeeld handelingen te zien die bestaan uit het vasthouden van de penis, het in de mond hebben of likken aan de penis en anale penetratie door de penis. Daarnaast zijn er enkele foto’s waarbij de focus ligt op de ejaculatie en er bijvoorbeeld een sperma-achtige substantie te zien is op het lichaam van de betreffende tienerjongen. Naast de seksuele handelingen en poseerfoto's zijn er ook verschillende foto’s te zien waarbij is ingezoomd op de penis en deze veelal in erecte toestand is afgebeeld. Verder zijn er nog een tweetal series als kinderpornografisch aangemerkt, waarbij sprake is van bondage. Daarop zijn deels
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 12 december 2018.
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 november 2021:
1.Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van de feiten 1, 2 en 3pg. 11
Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1: (gekwalificeerde) doodslagpg. 20
2.3.2. De schouw pg. 22
2.3.4.4. Ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) pg. 28
3.Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair:seksueel binnendringen/plegen van ontuchtige handelingenpg. 37
3.1.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie pg. 37
3.1.3.3. De constatering van (een) vormverzuim(en) pg. 46
3.2. Vrijspraak van feit 2 primair: seksueel binnendringen van het lichaam
van Nicky Verstappen pg. 49
3.2.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie pg. 49
3.2.2. Het standpunt van de verdediging pg. 50
3.2.3. Het oordeel van het hof pg. 50
3.2.3.1. De bevindingen en interpretaties van G. van Ingen en A. Maes pg. 50
3.2.3.2. De bevindingen, interpretaties en conclusies van M.A. Green pg. 51
3.2.3.3. De bevindingen, interpretaties en conclusies van R.A.C. Bilo pg. 53
3.2.3.4. De bevindingen, interpretaties en conclusies van W. van de Voorde pg. 55
3.2.3.5. De bevindingen, interpretaties en conclusies van
3.2.3.7. Conclusies pg. 58
3.3.2.1 Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2006 pg. 60
3.3.2.2. Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2008 pg. 61
3.3.5. Autosomaal DNA-onderzoek in 2018 pg. 63
3.3.6. MPS-DNA-onderzoek in 2019 pg. 63
3.3.7. Mitochondriaal DNA-onderzoek aan haren, een haardeel en bemonstering
[ABR035]#45 pg. 64
3.3.8. Onderzoek aan huidschilfers en DNA-onderzoek pg. 65
3.5.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie pg. 68
3.5.2. Het standpunt van de verdediging pg. 69
3.5.3. De proceshouding van de verdachte gedurende de onderzoeksperiode en
3.5.4.5. Conclusie pg. 82
sporenbeeld pg. 82
3.6.1. De verweren van de raadslieden pg. 82
3.6.2. Het oordeel van het hof pg. 83
3.6.2.1. De ‘chain of custody’pg. 83
3.6.2.3. Contaminatie in het algemeen pg. 91
3.6.2.3.7. Conclusie pg. 97