ECLI:NL:RVS:2025:3690
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Uitspraak Raad van State over tegemoetkoming in planschade bij wijziging bestemmingsplan en risicoaanvaarding
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
De zaak betreft een besluit van 16 september 2021 waarbij de aanvraag van appellant om tegemoetkoming in planschade werd afgewezen, en een daarop volgend bezwaar en beroep dat eveneens ongegrond werd verklaard. De Afdeling heeft de zaak op 13 maart 2025 behandeld en het onderzoek heropend om een meervoudige kamer te betrekken.
De uitspraak bevat een uitgebreid overzicht van de rechtspraak over planschade onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die per 1 januari 2024 is vervangen door de Omgevingswet. Het overgangsrecht bepaalt dat het oude planschaderecht nog van toepassing is op lopende zaken.
De Afdeling bespreekt de bevoegdheid van bestuursorganen, limitatieve opsomming van schadeoorzaken, planologische vergelijking, onderscheid tussen directe en indirecte planschade, betekenis van overgangsrecht, flexibiliteitsbepalingen, uit te werken bestemmingen, en het vereiste van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen planologische maatregel en schade.
Verder komen aan bod de beoordeling van schade in de vorm van waardevermindering en inkomensderving, peildatum van schade, risicoaanvaarding (actief en passief), normaal maatschappelijk risico met een drempel van 2%, vergoedbaarheid, compensatie in natura, kosten van rechtsbijstand, wettelijke rente, procedurele aspecten, bewijslast en toetsing door de bestuursrechter.
In de concrete zaak is appellant eigenaar van een pand te Utrecht en vordert tegemoetkoming vanwege een omgevingsvergunning voor woningbouw op een nabijgelegen perceel. Het college baseert zich op advies dat appellant het risico op schade bij aankoop heeft aanvaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellant voert in hoger beroep aan dat de oude regeling onvoldoende concreet was om risicoaanvaarding te rechtvaardigen.
De uitspraak biedt een gedetailleerd en actueel overzicht van de juridische kaders en criteria voor planschade, waarbij het belang van objectieve voorzienbaarheid, zorgvuldige planvergelijking, en een zorgvuldige toetsing door bestuursorganen en rechter wordt benadrukt.
Uitkomst: Het hoger beroep betreft de afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade wegens risicoaanvaarding en onvoldoende concreet beleidsvoornemen.