Conclusie
1.Overzicht van de zaak en van de conclusie
Eén conclusie in twee zaken; werkwijze
kern van deze zaakbetreft de vraag naar de
reikwijdte van het arrest HR BNB 2003/370. In dat arrest is de regel geformuleerd dat “indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, (…) niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb Pro achterwege [dient] te blijven.” Deze regel over de ontvankelijkheid is geformuleerd in de context van het Nederlandse (vennootschaps)recht van boek 2 BW. De vraag is of de regel (dienovereenkomstig) geldt in het geval sprake is van een ontbonden rechtspersoon naar het recht van Guernsey waarvan de vereffening
nietheropend kan worden.
cassatiemiddelkeert zich tegen
(i)de maatstaf van het Hof voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar, en
(ii)de opvatting van het Hof dat het die ontvankelijkheid ambtshalve moet onderzoeken.
onderdeel 4van deze conclusie ga ik in op de omstandigheid dat
het beroep in cassatie voorwaardelijk is ingesteld. De gestelde voorwaarden hebben betrekking op een andere zaak, namelijk de bij de Hoge Raad aanhangige zaak van de aandeelhouder. Een eerste vraag die rijst is of een (principaal) cassatieberoep voorwaardelijk kan worden ingesteld, hoewel de AWR niet met zoveel woorden in die mogelijkheid voorziet. Een tweede vraag die rijst is of een voorwaarde kan worden gesteld die
geenbetrekking heeft op de aanhangig gemaakte zaak zelf. Ik zie geen overwegend bezwaar om de eerste vraag bevestigend te beantwoorden. Met betrekking tot de tweede vraag meen ik dat er grenzen moeten worden gesteld aan de voorwaarde(n) waaronder een cassatieberoep kan worden ingesteld. Dat geldt vooral als het zo zou zijn dat de omstandigheid dat het instellen van een (principaal) cassatieberoep onder voorwaarde gebeurt, zou inhouden dat de Hoge Raad niet eerder op het cassatieberoep kan en mag beslissen dan nadat de voorwaarde is vervuld of vaststaat dat die niet wordt vervuld.
de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie, naar aanleiding van vragen die de Staatssecretaris opwerpt over wie het cassatieberoep heeft ingesteld. Ik meen dat het cassatieberoep is ingesteld door degene die daartoe bevoegd is.
onderdeel 6ga ik in op het
eerste middelonderdeel. In het arrest HR BNB 2003/370 ligt besloten dat degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken, tegen een belastingaanslag die is vastgesteld ten name van een ontbonden rechtspersoon met overeenkomstige toepassing van (thans) artikel 26a AWR beroep kan instellen, en bijgevolg bezwaar kan maken, op naam van de ontbonden rechtspersoon, voordat de vereffening is heropend (6.10). In dit geval is de aandeelhouder aan te merken als degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening van belanghebbende is betrokken. Niettemin meen ik met het Hof dat de aandeelhouder geen bezwaar kan maken, ook niet op naam van belanghebbende, tegen de navorderingsaanslag. Ik ben het met het Hof eens dat een relevant verschil met het geval waarop HR BNB 2003/370 ziet, is dat in dit geval de vereffening niet kan worden heropend. Dat is een relevant verschil omdat, anders dan in het geval waarop HR BNB 2003/370 ziet, de aandeelhouder daardoor geen rechtstreeks bij de navorderingsaanslag betrokken belang heeft (6.12-6.14). Het mogelijke belang van de aandeelhouder bij de beoordeling van de navorderingsaanslag in verband met een zaak van de aandeelhouder zelf betreffende een aan hem opgelegde boetebeschikking kan niet tot een andere conclusie leiden (6.16-6.18).
onderdeel 7komt het tweede middelonderdeel aan bod. Belanghebbende beroept zich op wat in HR BNB 2021/140 is geoordeeld over ambtshalve beoordeling in (hoger) beroep van de ontvankelijkheid in een vorige instantie. Dat oordeel heeft echter betrekking op de beoordeling van de ontvankelijkheid op het punt van tijdigheid van het rechtsmiddel. Het oordeel geldt naar mijn mening niet (dienovereenkomstig) voor de beoordeling of bezwaar is gemaakt door degene die daartoe bevoegd is (7.6).
onderdeel 8erin uit dat de middelonderdelen falen.
Het cassatieberoepis mijns inziens
ongegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
indienbelanghebbende naar het recht van Guernsey is opgehouden te bestaan en volgens dat recht nimmer meer kan herleven, dat geval zich wezenlijk onderscheidt van het geval aan de orde in HR BNB 2003/370;
3.Het geding in cassatie
Processtukken
de Inspecteursuccesvol om heropening zou kunnen verzoeken.
4.Voorwaardelijk cassatieberoep
incidenteelcassatieberoep voorwaardelijk in te stellen. Dit volgt uit de schakelbepaling van art. 29 AWR Pro in verbinding met art. 8:112 Awb Pro betreffende incidenteel hoger beroep. Het eerste lid van dat laatste artikel bepaalt dat “incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is”. Het tweede lid bepaalt onder meer dat “een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep (…) ongegrond is”.
geenbetrekking heeft op de aanhangig gemaakte zaak. Die tweede vraag rijst met name omdat bij het wél geregelde geval van een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep specifiek is bepaald dat een incidenteel cassatieberoep kan worden ingesteld onder de – naar haar strekking uit te leggen [15] – voorwaarde dat het cassatieberoep gegrond is. Een aanwijzing dat de wetgever daarbij geen andere voorwaarde voor ogen heeft gehad, is dat de wetgever specifiek heeft geregeld dat het voorwaardelijk ingestelde cassatieberoep vervalt, indien het (principale) cassatieberoep ongegrond is. De rechtspraktijk is op dit punt overigens niet strak. [16] Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, rijzen overigens allerlei vervolgvragen, zoals (i) of indien de voorwaarde betrekking kan hebben op een andere zaak bij de Hoge Raad, de voorwaarde wat anders of wat meer kan inhouden dan de enkele (on)gegrondheid van het cassatieberoep in de andere zaak, en (ii) of de voorwaarde ook betrekking kan hebben op een zaak die niet bij de Hoge Raad aanhangig is (zie nader 4.12).
incidenteelcassatieberoep aan de orde is, waarbij de gestelde voorwaarde (kennelijk) betrekking heeft op een andere zaak. [19] Deze gevallen dateren overigens van vóór de invoering van de wettelijke regeling inzake het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. [20]
geenbetrekking heeft op de aanhangig gemaakte zaak, althans of wel een voorwaarde kan worden gesteld die wat anders of meer inhoudt dan dat in een andere aanhangige zaak het cassatieberoep gegrond of ongegrond wordt verklaard. Er is naar mij voorkomt ook een concreet aanknopingspunt om het arrest uit 1991 niet meer zonder meer richtinggevend te achten, namelijk de invoering van de wettelijke regeling inzake het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep (4.2-4.3).
vooralals het zo zou zijn dat de omstandigheid dat het instellen van een (principaal) cassatieberoep onder voorwaarde gebeurt, zou inhouden dat de Hoge Raad niet eerder op het cassatieberoep kan en mag beslissen dan nadat de voorwaarde is vervuld of vaststaat dat die niet wordt vervuld. Indien dan ook nog – anders dan de wettelijke regeling voor voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep – een voorwaarde wordt toegestaan die
geenbetrekking heeft op de aanhangig gemaakte zaak, is er het risico dat de regie uit handen wordt gegeven en – samenhangend – dat de rechtszekerheid en ook het belang van de wederpartij worden aangetast. In dit geval zien de aanvankelijk gestelde voorwaarde en de aanvullende voorwaarden nog op een zaak (van een andere partij) die aanhangig is bij de Hoge Raad, maar waar ligt de grens? Kan de voorwaarde bijvoorbeeld ook betrekking hebben op een zaak die mogelijk pas over enige tijd aanhangig wordt gemaakt bij de Hoge Raad omdat de zaak nog wordt behandeld door een hof? En op een zaak die elders aanhangig is, bijvoorbeeld bij het Hof van Justitie? Op die manier zou een partij materieel aanhouding kunnen afdwingen. Dat lijkt me bezwaarlijk, zowel uit oogpunt van het algemene belang dat geschillen binnen een redelijke termijn worden beslist, als uit oogpunt van het belang van de wederpartij bij een voortvarend verloop van de procedure. [25]
incidenteelcassatieberoep. Een middel van zo’n incidenteel cassatieberoep wordt in voorkomende gevallen, ofschoon voorwaardelijk ingesteld, om goede redenen beoordeeld vóór het principale middel. [27] Ik heb overigens nauwelijks voorbeelden kunnen vinden van fiscale arresten waarin de middelen/klachten van een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn behandeld vóór de middelen/klachten van het principale cassatieberoep. [28]
niethoeft te worden behandeld als een ‘harde’ opschortende voorwaarde, dan laten de in 4.12-4.14 vermelde bezwaren zich niet of in mindere mate gelden. De Hoge Raad heeft dan in zekere zin wel de lusten (niet hoeven beslissen als vaststaat dat de voorwaarde niet is vervuld) maar niet de lasten (geen beperking bij de behandeling door de voorwaarde). De wederpartij kan overigens nog wel lasten ondervinden (rechtsonzekerheid [29] en kosten voor het voeren van verweer terwijl wellicht niet eens behandeling van het cassatieberoep volgt [30] en onduidelijk is of die kosten bij niet-behandeling voor (forfaitaire) vergoeding in aanmerking komen [31] ). Bovendien is het de vraag wat dan nog de meerwaarde is van het instellen van principaal cassatieberoep onder voorwaarde voor degene die het cassatieberoep instelt, ook ten opzichte van bijvoorbeeld een verzoek tot aanhouding.
daarnaaanvullende voorwaarden zijn gesteld, niet kan meebrengen dat het cassatieberoep wederom voorwaardelijk wordt. Wel kunnen die aanvullende voorwaarden zo worden uitgelegd dat de Hoge Raad geen oordeel hoeft te geven indien – bijvoorbeeld – het cassatieberoep in de andere zaak ongegrond wordt verklaard.
5.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep: bevoegd ingesteld cassatieberoep?
6.Cassatieberoep inhoudelijk (I): bezwaar niet-ontvankelijk?
relevantverschil is, blijft echter wat impliciet. Ik begrijp het oordeel van het Hof in ieder geval zo dat het Hof meent dat gelet op het genoemde verschil de rechtsregel van HR BNB 2003/370 niet toepasselijk is.
voorwaardenvan HR BNB 2003/370 is voldaan (waarbij volgens de Staatssecretaris met name niet is voldaan aan de voorwaarde “als voordat de vereffening is heropend”). Anderzijds betoogt de Staatssecretaris dat er geen belang meer is bij (door)procederen indien de vereffening niet meer kan worden heropend.
eerderbezwaar te maken (indien de vereffening (nog) niet is heropend). Verder kan dit de doelmatigheid dienen. Zo schrijft Kan: [47]
nietop de toepassing van het relatief nieuwe art. 26a(1)(d) AWR. Zou de navorderingsaanslag zijn vastgesteld met toepassing van het (eveneens relatief nieuwe) art. 8(2) IW, dan zou op grond van art. 26a(1)(d) AWR de aandeelhouder beroep mogen instellen (en dus ook bezwaar mogen maken). Het komt mij echter wel voor dat in een geval als dit dan nog steeds getoetst moet worden of wel sprake is van een procesbelang (vgl. 6.19 hierna).