Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[B BV](hierna: [B BV]), gevestigd te [plaats X],
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van een belanghebbende tegen een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2015. De aanslag was opgelegd aan een BV die inmiddels was ontbonden en waarvan de vereffening was beëindigd. Het beroepschrift was ingediend door de algemeen directeur van een andere BV waarin de activiteiten waren ondergebracht.
De rechtbank stelde vast dat de ontbonden BV was opgehouden te bestaan en dat er geen bewijs was dat de vereffening was heropend conform artikel 2:23c BW. Hierdoor kunnen geen rechtshandelingen meer op naam van de ontbonden BV worden verricht, waaronder het instellen van beroep. Ook indien het beroep was ingediend namens de BV waarin de activiteiten waren ondergebracht, was het beroep niet-ontvankelijk omdat de uitspraak op bezwaar aan de ontbonden BV was gericht.
De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk was en kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de belastingplicht. De belanghebbende was niet verschenen op de zitting, waardoor verificatie van heropening van de vereffening niet mogelijk was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag is niet-ontvankelijk verklaard omdat de BV is ontbonden en de vereffening niet is heropend.