Conclusie
Zalco) tot een procedure in cassatie. [1]
Glencore) een pandrecht bedongen op het door Zalco te produceren aluminium. De elektrolysefabriek waarvan de ovens onderdeel uitmaken behoort in eigendom toe aan North Sea Port Netherlands N.V. (hierna:
ZSP [2] ). De curatoren zijn met UTB Holding B.V. (hierna:
UTB) overeengekomen dat UTB de elektrolysefabriek zou slopen. ZSP en Amtrust International Underwriters DAC (hierna:
NB [3] , en samen met ZSP:
NB c.s.) hebben een overeenkomst gesloten krachtens welke NB zal delen in de opbrengst van het aluminium. Het aluminium is door ZSP verkocht aan UTB, die het aluminium in het kader van de sloop van de fabriek uit de ovens heeft verwijderd. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen curatoren en een aantal betrokken partijen is het verwijderde aluminium vervolgens op een veiling verkocht en is de opbrengst op een escrowrekening geplaatst.
1.Feiten en procesverloop
curatoren).
de elektrolysefabriek), een aluminiumgieterij en een anodefabriek. Het aluminium werd geproduceerd door elektrolyse van aluinaarde. Aluinaarde werd bij een temperatuur van 900 tot 1.000 graden Celsius opgelost in vloeibaar kryoliet. Deze oplossing werd door middel van elektrolyse gesplitst, een proces waarbij onder andere vloeibaar aluminium vrijkomt.
Basemet) en Panther Trading AG (hierna:
Panther), respectievelijk een moeder- en zustervennootschap van Zalco, een overeenkomst gesloten op grond waarvan Glencore aluinaarde leverde aan Zalco.
het pandrecht) ten gunste van Glencore gevestigd op, kort gezegd, het aluminium waarvan Zalco eigenaar is of zou worden. Het pandrecht strekte tot zekerheid van al hetgeen Glencore te vorderen had van Basemet en/of Panther.
ovens) van de elektrolysefabriek. Kort na het uitspreken van het faillissement, in de periode van 16 tot en met 19 december 2011, is het productieproces bij Zalco door curatoren gefaseerd stilgelegd. Gedurende de periode van stillegging is aluminium uit 10 ovens getapt. Het vloeibare aluminium dat zich toen nog in de overige 417 ovens bevond, is gestold. Het gestolde aluminium zal hierna
het aluminiumworden genoemd.
Century), een overeenkomst [10] tot stand gekomen ter zake van de verkoop van een aantal bedrijfsonderdelen van Zalco. In het kader van deze verkoopovereenkomst zijn de aluminiumgieterij en de anodefabriek overgedragen aan respectievelijk UTB en Century. NB en ZSP hebben in het kader van deze overeenkomst afstand gedaan van hun hypotheekrechten. Verder zijn het genoemde recht van erfpacht en het recht van opstal beëindigd. ZSP is daardoor onbezwaard eigenaar geworden van de elektrolysefabriek, terwijl het perceel waarop deze fabriek staat niet langer was bezwaard met beperkte rechten. In de overeenkomst van 11 juni 2012 is voorts onder meer bepaald dat UTB de elektrolysefabriek - waar zich op dat moment het aluminium bevond - volledig zal gaan slopen en het gehele terrein zal gaan saneren.
de winstdelingsovereenkomst). NB c.s. hebben geweigerd een afschrift van deze overeenkomst aan Glencore te verstrekken.
UTB c.s.) heeft/hebben in het kader van de sloop van de elektrolysefabriek het aluminium uit de ovens laten verwijderen.
het geding in de hoofdzaak).
mt). Het aluminium is onder de leveringsvoorwaarde
Free Carrier (Truck)verkocht aan Glencore voor een verkoopprijs van USD 1.250 per mt, dat is totaal USD 8.030.000. Dit was de door partijen bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bodemprijs. Voor die prijs zou het aluminium aan Glencore gegund worden als geen koper een hogere prijs zou bieden.
het escrowbedrag).
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
fysiekcriterium, gebaseerd op de schade die het (voorzienbare) gevolg is van, in dit geval, de verwijdering van het gestolde aluminium uit de ovens. [36] UTB voert aan dat vaststaat dat de ovens gesloopt zouden worden door hak- en breekwerk, ter verwijdering van het aluminium (rov. 4.20). Door dit slopen/tenietgaan van de ovens te kwalificeren als een afscheiding “zonder dat beschadiging van betekenis” aan de ovens wordt toegebracht, hanteert het hof volgens UTB de (verhoudingsgewijze) economische waarde of de ‘gebruikswaarde’ van (elk der) zaken ten onrechte als het enige, althans het doorslaggevende, criterium voor de vraag naar de bestanddeelvorming. Dat waarde-criterium valt niet meer als een invulling van het fysieke criterium te begrijpen. Het hof is daarmee buiten de maatstaf van art. 3:4 lid 2 BW Pro getreden, aldus de klacht.
alternatiefcriterium voor bestanddeelvorming. Geklaagd wordt dat het hof voor de vraag of er sprake is van bestanddeelvorming had moeten uitgaan van de (aard- en nagelvaste) verbinding van de ovens met het gestolde aluminium als feitelijk gegeven na het staken van het productieproces bij Zalco, ongeacht of die verbinding beoogd en/of functioneel was of als zodanig meerwaarde had in het economisch verkeer.
1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.
aard- of nagelvastmet de hoofdzaak was verbonden (art. 562 (oud) BW), dat wil zeggen: daaraan was vastgehecht door aard-, timmer- of metselwerk [41] of daarvan niet kon worden losgemaakt zonder het bestanddeel of de hoofdzaak te
breken of te beschadigen(art. 563 lid Pro 2 (oud) BW). [42] In de literatuur werd dit destijds opgevat als een criterium dat zag op de hechtheid van de verbinding en de vraag of afscheiding beschadiging aan een der samenstellende zaken zou toebrengen. [43]
Egbertha-arrest van 26 maart 1936. [44] Daarin opende uw Raad de mogelijkheid tot natrekking op de grond dat naar de
verkeersopvattingeen voorwerp door verbinding een “wezenlijk bestanddeel” is geworden van de hoofdzaak, waaraan niet in de weg staat dat de bijzaak (het bestanddeel) zonder beschadiging van de hoofdzaak kan worden gescheiden. [45] In 1953 werd in het
Stafmateriaal-arrest bevestigd dat van natrekking ook dan sprake kan zijn, indien een “aard- of nagelvaste” verbinding ontbreekt. [46]
Egbertha-arrest:
bijzakenin ieder gevalals bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak.
Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast.” [51]
Dit is evenwel, reeds gelet op lid 2, niet juist.
buiten twijfeldat hetgeen op de daar aangegeven wijze aan een (hoofd)zaak is verbonden,
steedsbestanddeel van die (hoofd)zaak is. Hier wordt de ruimte welke het eerste lid aan de verkeersopvatting toestaat, dus niet verleend. Deze ruimte zou voor aard- of nagelvaste onderdelen ongewenst zijn. De regel geldt van de oudste tijden af en de ondergetekende ziet geen aanleiding hem te wijzigen.” [54]
zelfstandige, alternatievecriteria, die niet cumulatief werken: indien aan één van de criteria is voldaan, is (reeds) sprake van bestanddeelvorming. [56]
vermoedenworden beschouwd; als een aanwijzing van wat de verkeersopvatting op dit punt inhoudt. Als er sterkere aanwijzingen zijn die in een andere richting wijzen, dan geven die volgens haar de doorslag.
beschadiging van betekeniswordt toegebracht
aan een der zaken.
fysiekebeschadiging van betekenis, onafhankelijk van het antwoord op de vraag hoe die beschadiging in
economischeof
vermogensrechtelijkezin als schade kan worden gekwantificeerd of begroot (rov. 4.21). Wat een ‘beschadiging van betekenis’ is, hangt volgens het hof af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere betekenis toekomt aan de waarde van de zaak en de daarvan af te scheiden zaak (rov. 4.21).
fysiekcriterium moet worden beschouwd (zoals bepleit door UTB) of als een
economischof
vermogensrechtelijk(schade)criterium (zoals gehanteerd door het hof).
Wetsgeschiedenis en tekst
Een zaak, die met een hoofdzaak zodanig verbonden is, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder de hoofdzaak te beschadigen of te breken, is een bijzaak en vormt een bestanddeel van die hoofdzaak”. [65]
bijzakenin ieder geval als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast. Naast de “beschadiging van de hoofdzaak”[
voetnoot 4] is “verbreking” afzonderlijk genoemd, om te doen uitkomen, dat ook al zou na de verbreking, de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is.
ernstige beschadiging” van de af te scheiden zaken. [70] Door de minister worden bestanddelen als bedoeld in lid 2 getypeerd als
wegens hun organische of mechanische verbinding” , zoals zaden en bollen waarbij “
door het uitlopen van de wortels een organisch verband is gelegd” [72] , respectievelijk planten in kwekerijen voor zover die “
in bepaalde jaargetijden zodanig met de grond zijn verbonden dat zij niet kunnen worden losgemaakt zonder schade van betekenis te lijden.” [73] Daarentegen zijn in de grond gefundeerde directieketen “
zeker” geen bestanddeel omdat “
bij verwijdering in het algemeen niet zal kunnen worden gezegd dat aan het toch nog te egaliseren bouwterrein daardoor ‘schade van betekenis’ zou worden toegebracht.” [74]
aard- en nagelvasteverbinding tussen het onderdeel en de hoofdzaak
beschadiging
zaken(hoofdzaak en/of onderdeel)
brekenvan een zaak omvat en
meerinhoudt dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel
niet meer geheel gaafis
herstelvan de zaak in de
onbeschadigde toestandgeen rol speelt.
fysiekbeschadigingscriterium op het oog heeft gehad. [75]
tekstvan de bepaling. Deze eist immers niet dat afscheiding enigerlei vorm van vermogensrechtelijke ‘schade’ in het algemeen tot gevolg heeft, maar spreekt met zoveel woorden van ‘
beschadiging’, die bovendien moet worden toegebracht ‘
aan een der zaken.’ Dit duidt op schade aan de fysieke zaak zelf, en niet aan haar waarde.
eenheidsbeginsel. [76] Dit beginsel van goederenrecht houdt in dat goederenrechtelijke rechten slechts een zaak als geheel kunnen betreffen, niet een of meer onzelfstandige onderdelen ervan. [77] Over de ratio achter het eenheidsbeginsel wordt verschillend gedacht.
rechtszekerheiden het handelsverkeer – hetgeen als een eenheid oogt, wordt ook rechtens als zodanig gekwalificeerd –, maar ook (of: uitsluitend) in de gedachte dat de waarde van het geheel veelal groter is dan die van de som der delen (het
waardemotiefof
kapitaalvernietigingsmotief) en/of dat afscheiding van het bestanddeel tegeldemaking in geval van beslag en faillissement bemoeilijkt. [78]
Gouderak/'t Delftsche Huys [89] stelde uw Raad vast dat de feitenrechter bestanddeelvorming had aangenomen op grond van ”
materiële verbinding”als bedoeld in art. 563 lid Pro 2 (oud) BW, waarin een omschrijving wordt gegeven van het – tot bestanddeelvorming leidende [90] – “aard- of nagelvast” zijn in de zin van art 562 (oud) BW-slot.
ABN Amro/Ontvanger [91] , werd geoordeeld dat met bouten en moeren vastgezette machines zonder breken of beschadigen van hetzij de machines hetzij het gebouw kunnen worden verwijderd, terwijl voor de vraag naar bestanddeelvorming c.q. aard- en nagelvastheid volgens het hof
nietrelevant is: de vraag of de machines slechts met grote inspanning en kosten kunnen worden losgemaakt en de kostbaarheid van herstel van het gebouw in de oude toestand. Dit oordeel was in cassatie niet aan de orde.
Straalcabine-arrest (in rov. 3.3.4) dat het hieronder geciteerde oordeel van het hof geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in art. 3:4 lid 2 BW Pro en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kon worden getoetst. Dit oordeel van het hof luidde (met mijn onderstrepingen):
wijze van bevestigingvolgt niet, dat verwijdering van de demontabele straalcabine c.a. tot beschadiging van betekenis van de bedrijfshal leidt. Evenmin volgt dit uit de omstandigheid dat bij verwijdering van de straalcabine c.a. enkele gaten in het dak en de muren zijn achtergebleven op de plaats waar openingen ten behoeve van de afzuiginrichtingen van de straalcabine c.a. waren aangebracht of uit de omstandigheid dat in de vloer kanalen voor een afzuiginrichting zijn achtergebleven. Daargelaten of die beschadigingen niet veeleer zijn ontstaan door het plaatsen van de straalcabine c.a. dan door het verwijderen daarvan, kan van beschadiging van betekenis niet worden gesproken. Hoewel dit voor Hendriks kosten meebrengt, is aannemelijk dat bedoelde gaten
op eenvoudige wijze kunnen worden gedicht, terwijl genoemde kanalen in de vloer
geen belemmering voor gewoon gebruikvan de vloer opleveren, nu daarop – naar door de President is vastgesteld en door Hendriks niet is bestreden – roosters liggen.”
ECCL Associates Inc./Claassen q.q. [93] overwoog uw Raad (rov. 3.8) dat het hof geen onjuiste maatstaf had gehanteerd en ook overigens niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de gestelde feiten en omstandigheden niet voldoende zijn om aan te nemen dat de spuitcabine-unit op zodanige wijze met de hal verbonden was dat zij niet zonder “
schade van wezenlijke betekenis aan de bedrijfshal”– waarmee het hof volgens uw Raad niets anders bedoelt dan beschadiging van betekenis in de zin van art. 3:4 lid 2 BW Pro – uit de hal kon worden verwijderd.
de mate van fysieke verbondenheid” c.q. “
materiële verbinding”, kan vooralsnog niet met zekerheid worden afgeleid hoe ruim het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ naar het oordeel van uw Raad kan worden opgevat. In de door uw Raad gesanctioneerde oordelen ging het de facto steeds om
fysiekebeschadiging van de betrokken zaken (zie onder 2.26, 2.30 en 2.31). In de feitenrechtspraak is daar een enkele keer aan toegevoegd dat de inspanning/kosten van het losmaken en de kosten van herstel niet relevant zijn (zie onder 2.29), hetgeen wijst op een zeer restrictieve, louter fysieke uitleg.
Literatuur
fysiekeopvatting en anderzijds een
vermogensrechtelijke of economischeopvatting van dit begrip.
fysiekbeschadigingsbegrip te worden uitgegaan, met name wanneer de bepaling wordt geïllustreerd met voorbeelden van fysieke schade en op de mogelijkheid van niet-fysieke beschadiging niet wordt gezinspeeld.
fysiekeschade” als bedoeld in lid 2.
afgemetenaan haar verhouding tot de waarde van de betrokken zaken.
fysiekeschade waarnaar de bepaling verwijst, ‘van betekenis’ moet zijn in die zin dat zij substantieel is in verhouding tot de waarde van de hoofdzaak of de waarde van de toegevoegde zaak.
vermogensrechtelijkof
economischgetint beschadigingsbegrip – al of niet naast een louter fysiek begrip – wordt uitgegaan door de hieronder genoemde auteurs. [100] In dit verband wordt dan ook doorgaans gesproken van ‘schade’ (en niet: beschadiging) van betekenis.
nieuwis. Het verwijderen van een drukmachine uit een gebouw kan bijvoorbeeld economisch verantwoord zijn, indien deze machine onlangs is geplaatst, maar zal wellicht niet meer de moeite waard zijn, indien de machine na tien jaren is afgeschreven. Het is niet in overeenstemming met de rechtszekerheid dat men de machine kort na plaatsing als een zelfstandige roerende zaak duidt, maar deze als een bestanddeel aanmerkt vanaf het moment dat verwijdering van de machine niet meer lonend is, aldus Kortmann.
afwegingvan de bij de opheffing van de verbinding verbonden
kosten en baten. Hieruit volgt dat het begrip ‘schade’ relatief is: het gaat om de hoogte van de te verwachten schade in verhouding tot de waarde van de zaken. Dit betekent dat hoe kostbaarder de af te scheiden zaak is, des te groter de kosten mogen zijn die verbonden zijn aan het verbreken van de verbinding. In zo’n geval weegt de waarde van het voorwerp als zelfstandige zaak op tegen de schade die het losbreken veroorzaakt. Slechts wanneer de baten van het afscheiden niet meer opwegen tegen de kosten die daarmee gepaard gaan, kan men spreken van ‘beschadiging van betekenis’ en moet de conclusie volgen dat er een eenheidszaak bestaat. Daarom zal volgens Ploeger ook niet te snel aangenomen worden dat er een eenheidszaak is ontstaan wanneer de verbinding leidt tot een volledig zinloos of ongebruikelijk geheel.
Beschadiging van betekenis aan een der zaken’ – slotsom
de mate van fysieke verbondenheid” en dat daaruit vooralsnog niet met zekerheid lijkt te kunnen worden afgeleid of het begrip ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ naar het oordeel van uw Raad naast zuiver fysieke schade ook vermogensrechtelijke of economische schade kan omvatten. De feitenrechter lijkt van een restrictieve lezing uit te gaan.
fysiekemaatstaf: de vraag of sprake is van een ‘beschadiging van betekenis aan een der zaken’ moet worden beantwoord aan de hand van de fysieke beschadiging van de betrokken zaken (waarvoor in ieder geval meer nodig is dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel ‘niet geheel gaaf’ meer zou zijn).
steedsbestanddeel van die (hoofd)zaak is, waarbij uitdrukkelijk geen ruimte is voor de verkeersopvatting als bedoeld in het eerste lid. In dit stelsel ligt besloten dat het zich kan voordoen dat op grond van lid 2 tot bestanddeelvorming moet worden geconcludeerd, al zou dat tegen de verkeersopvatting indruisen (zie hiervoor onder 2.12). Hieruit kan de bedoeling van de wetgever worden afgeleid om een heldere (fysieke) maatstaf te creëren, waarbij de verkeersopvatting omtrent hetgeen onderdeel van een zaak uitmaakt, niet relevant is. Nu de verkeersopvatting deze ruimte uitdrukkelijk is ontzegd, moet het mijns inziens ook niet mogelijk zijn haar de (aloude) maatstaf van art. 3:4 lid 2 BW Pro binnen te loodsen in de gedaante van een niet-fysiek ‘beschadigings’criterium, zoals de verhouding tussen de kosten en baten van de afscheiding, of zelfs het nut en/of de gebruikelijkheid dan wel de toevalligheid van de verbinding. Wat dat laatste betreft, wijs ik erop dat de wetgever de oorzaak van de verbinding uitdrukkelijk als niet relevant aanmerkt. [114]
fysiekcriterium behelst, dat ziet op
materiëlebeschadiging van betekenis, en (ii) door zijn toepassing van art. 3:4 lid 2 BW Pro daaraan ten onrechte alsnog zelfstandige betekenis ontneemt als alternatief criterium voor bestanddeelvorming naast dat van art. 3:4 lid 1 BW Pro. [125]
fysiekebeschadiging van betekenis. Het hof heeft dat miskend door de vraag of een beschadiging van betekenis is opgetreden als bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW Pro niet te beantwoorden aan de hand van een fysieke maatstaf, maar een vermogensrechtelijk en economisch (schade)criterium tot uitgangspunt te nemen en in dat kader relevantie toe te kennen aan de in rov. 4.22 genoemde omstandigheden, te weten dat (i) de verbinding tussen het aluminium en de ovens onbedoeld en zonder reden tot stand is gekomen, (ii) de afscheiding van het aluminium in de gegeven omstandigheden “koste wat kost” diende te gebeuren en (iii) met de instandhouding van de verbinding tussen het aluminium en de ovens geen enkel redelijk, praktisch of economisch belang is gediend.
UTB c.s. de in rov. 4.40 genoemde vermengingsdiscussie en het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 niet in hun memorie van antwoord aan de orde hebben gesteld(rov. 4.41), en
de genoemde hypothetische situatie(waarin Glencore ongehinderd in staat was geweest zich als separatist op het aluminium te verhalen, en wel, gelet op de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 tussen Glencore en curatoren, op
alhet aluminium in de ovens)
niet alleen geldt in de verhouding tussen Glencore en curatoren, maar ook in de relatie tussen Glencore en NB c.s. en UTB(rov. 4.70).
beperkingvan het pandrecht van Glencore, waaraan het hof ten onrechte voorbij is gegaan.
subonderdeel 2.2is althans oordeel (b) onjuist, dan wel bij gebrek aan (nadere) motivering onbegrijpelijk, omdat het hof heeft miskend dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 tussen de curatoren en Glencore in zoverre niet kan worden tegengeworpen aan UTB. Ook in de hypothetische situatie (zonder fout) immers blijft staan dat UTB zich in het geding op het standpunt heeft gesteld dat Glencore louter een pandrecht heeft op het aluminium dat zich op 13 december 2011 te 0:00 uur in de ovens bevond. Voor zover het hof zijn oordeel (b) (mede) heeft doen rusten op zijn overweging (a) dat UTB niet bij memorie van antwoord is ingegaan op de vermengingsdiscussie, heeft het hof volgens UTB over het hoofd gezien dat UTB in appel haar standpunt uit de eerste aanleg over de vermengingsdiscussie heeft gehandhaafd, dan wel heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend.
nietdoor de ovens is nagetrokken (rov. 4.15-4.23). Zie ook de openingszin van rov. 4.40: “
Ervan uitgaande dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken, is tussen partijen niet in geschil dat Glencore een pandrecht had op het aluminium dat zich in de ovens heeft gevormd tot aan het moment van het intreden van het faillissement.”. Vervolgens gaat het hof in op de vraag of – en in hoeverre – Glencore ook een pandrecht heeft verkregen op het aluminium dat zich na faillietverklaring heeft gevormd.
eerste aanlegheeft UTB aangevoerd dat zij op basis van voortschrijdend inzicht van oordeel is dat het pandrecht van Glencore reeds voorafgaand aan de stolling is tenietgegaan, en wel door een combinatie van zaaksvorming en vermenging (akte uitlating gerechtelijke plaatsopneming tevens houdende akte aanvulling conclusie van antwoord [128] , onder 66). Onder 73 voert UTB aan:
Zalco N.V. was eigenaar het van vloeibaar aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond. Tevens werd zij eigenaar van het vloeibare aluminium dat na 0:00 uur werd geproduceerd. Het vloeibare aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond, was verpand aan Glencore. Het aluminium dat ná 0:00 uur werd gevormd is niet aan Glencore verpand. Te gelden heeft namelijk dat Zalco N.V. vanaf 13 december 2011 te 0:00 uur niet langer beschikkingsbevoegd was. Bij gebreke van beschikkingsbevoegdheid kon het aluminium dat na 0:00 uur werd gevormd niet meer ten gunste van Glencore worden verpand, noch kon het bij voorbaat gevestigde pandrecht op dit aluminium tot stand komen.”,
81. Primair stellen UTB c.s. zich aldus op het standpunt dat het pandrecht van Glencore op het vloeibare aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond teniet is gegaan door vermenging c.q. zaaksvorming van na 0:00 uur gevormd aluminium. Subsidiair nemen UTB c.s. het standpunt in dat Glencore louter een pandrecht heeft op het aluminium dat zich om 0:00 uur in de ovens bevond. (…) Het is aan Glencore om te duiden wat de omvang van het aandeel is, waarop haar pandrecht rust. Indien zij daarin niet slaagt heeft te gelden dat zij überhaupt geen pandrecht geldend kan maken. (…)
Zalco-arrest van 14 augustus 2015 [130] met betrekking tot vermenging als volgt geoordeeld:
hoger beroep(nadat uw Raad het
Zalco-arrest had gewezen) heeft UTB in haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel [131] op de in het middel genoemde vindplaatsen aangevoerd (onder 37):
subonderdelen 2.1 en 2.2geformuleerde klachten betekent dit het volgende.
in rov. 4.41, gelet op de devolutieve werking van het appel, ten onrechte niet is ingegaan op de hiervoor (onder 2.60) weergegeven stellingen van UTB in eerste aanleg, faalt de klacht reeds bij gebrek aan belang. Dat laat zich als volgt toelichten.
in rov. 4.70ten onrechte is voorbijgegaan aan het beroep van UTB op vermenging, faalt de klacht eveneens bij gebrek aan belang. Dat houdt verband met het volgende.
alhet aluminium in de ovens. Dit is het geval, omdat curatoren in de vaststellingsovereenkomt van 23 december 2011 het pandrecht onvoorwaardelijk hebben erkend en zich daarom ten tijde van de executie niet meer op het standpunt zouden hebben kunnen stellen dat het pandrecht als gevolg van vermenging was tenietgegaan of slechts op een aandeel in het aluminium rustte. Dit geldt, aldus het hof in het bestreden oordeel (b), niet alleen in de verhouding tussen Glencore en curatoren, maar ook in de relatie tussen Glencore en NB c.s. en UTB.
niet relevantis. Het hof verwerpt immers – in cassatie onbestreden – het (wél opgevoerde) standpunt van NB c.s. dat de vraag naar vermenging bepalend is voor de omvang van de jegens NB c.s. toewijsbare schade. Volgens het hof staat de vaststellingsovereenkomst van 23 december 2011 daaraan in de weg, waarbij het hof kennelijk uitgaat van de begrijpelijke gedachte dat NB c.s., nu zij geen goederenrechtelijke aanspraak op het aluminium hebben (rov. 4.15-4.23), zich niet tegen verhaal overeenkomstig de afspraak tussen de rechthebbende op het aluminium (de boedel/curatoren) en de pandhouder zouden hebben kunnen verzetten. Dit geldt eveneens voor UTB, die door het hof in het bestreden oordeel (b) dan ook met NB c.s. op één lijn wordt gesteld.
onderdeel 4met betrekking tot het causaal verband), merk ik op dat het oordeel van het hof omtrent het onrechtmatig handelen van UTB en de daardoor ingetreden schade (in rov. 4.56-4.62) voortbouwt op zijn oordeel dat het aluminium niet door de ovens is nagetrokken (rov. 4.15-4.23). De vordering die is ingesteld tegen UTB ziet immers op de schade die is ingetreden doordat UTB de executie van
het pandrecht van Glencoreheeft verhinderd (rov. 4.58), hetgeen het hof onrechtmatig acht onder meer omdat
UTB zelf geen recht op het aluminium geldend kon maken(rov. 4.60).
door de executie van het pandrecht te verhinderen”, terwijl zij zelf “
geen recht” op het aluminium geldend kon maken (rov. 4.60). UTB heeft de verhindering van de executie van het pandrecht bewerkstelligd door een reconventionele vordering in te stellen in de kortgedingprocedure bij de rechtbank Middelburg, waarin zij, naast opheffing van het pandhoudersbeslag, een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of te verkopen heeft gevorderd, welke vordering is toegewezen en heeft “
geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore” (rov. 4.59).
1. het door Glencore op 30 juli 2012 gelegde (pandhouders)beslag op te heffen,
Glencore te verbieden om op voet van haar vermeende pandrecht tot sloop van de in de aluminiumsmelterij aanwezige ovens over te gaan en het daarin aanwezige gestolde aluminium om te laten smelten en/of te verkopen”,
een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of het te verkopen”) en waarvan de toewijzing, versterkt met een dwangsom, zou hebben geleid “
tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore” (rov. 4.59), in werkelijkheid niet door UTB maar door ZSP is gevorderd. Het oordeel van het hof in rov. 4.59 berust derhalve op een feitelijke misslag en is daarmee onbegrijpelijk. Eveneens is daarom onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.60 tot het oordeel komt dat UTB onrechtmatig jegens Glencore heeft gehandeld door de executie van het pandrecht te verhinderen. De betreffende kortgedingprocedure heeft immers voor wat betreft UTB slechts geleid tot de opheffing van het door Glencore gelegde pandhoudersbeslag, hetgeen – zonder nadere motivering die ontbreekt – niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat sprake is van een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore.
door de executie van het pandrecht te verhinderen” terwijl zij zelf “
geen recht” op het aluminium geldend kon maken, welke verhindering UTB heeft bewerkstelligd door het instellen van een reconventionele vordering in de kortgedingprocedure, waarin zij (onder meer) een verbod voor Glencore om het aluminium uit de ovens te verwijderen en/of te verkopen heeft gevorderd, welke vordering is toegewezen en aldus heeft “
geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore”. Hieruit valt niet af te leiden dat het hof aan dit onrechtmatigheidsoordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat UTB verweer heeft gevoerd in de kortgedingprocedure en zich op het standpunt heeft gesteld dat Glencore geen rechtsgeldig pandrecht heeft.
op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s.” UTB onrechtmatig heeft gehandeld “
door de executie van het pandrecht te verhinderen” ofwel “
door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen”. Anders dan geldt voor NB c.s., waarover het hof oordeelt in rov. 4.54-4.55, heeft UTB (zoals blijkt uit rov. 4.59) noch in rechte gevorderd dat de veiling van 10 september 2012 zou worden verboden noch heeft zij daarmee bemoeienis gehad, zo voert UTB aan. UTB heeft de executie van het pandrecht naar eigen zeggen dus niet verhinderd, noch heeft zij laten verbieden dat Glencore haar rechten als separatist zou uitoefenen. UTB heeft het er in de kortgedingprocedure enkel toe geleid dat de voorzieningenrechter het door Glencore op 30 juni 2012 gelegde pandhoudersbeslag heeft opgeheven, terwijl Glencore haar recht van parate executie/als separatist ook zonder voorafgaand pandhoudersbeslag had kunnen uitoefenen. [143] Glencore kon uitwinning en de daarmee gepaard gaande verkoop tot stand brengen terwijl de zaak zich nog bij de pandgever bevond. [144] Glencore was ook niet in staat om zelf het aluminium uit de ovens te verwijderen, reeds omdat Glencore, anders dan UTB, niet in aanmerking kwam voor de benodigde vergunningen van overheidswege om tot verwijdering van het aluminium (met het toxische kryoliet) uit de ovens over te mogen gaan. [145] Tegen deze achtergrond valt volgens UTB zonder nadere motivering, die ontbreekt, geenszins in te zien dat UTB onrechtmatig (in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt) jegens Glencore zou hebben gehandeld.
op overeenkomstige gronden als geldt voor NB c.s.” UTB onrechtmatig heeft gehandeld “
door de executie van het pandrecht te verhinderen” ofwel “
door Glencore te laten verbieden haar rechten als separatist uit te oefenen” onbegrijpelijk, zodat ook subonderdeel 3.4 slaagt.
subonderdelen 3.5, 3.6 en 3.7lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdeel 3.5dat het hof in rov. 4.60 oordeelt dat UTB door “
(dreiging met) executie van het kort-gedingvonnis” Glencore heeft “
gedwongen” om zich aan dat vonnis te houden. UTB heeft het er naar eigen zeggen in de kortgedingprocedure immers enkel toe geleid dat de voorzieningenrechter het door Glencore op 30 juni 2012 gelegde pandhoudersbeslag heeft opgeheven (zonder een dwangsom of ander drukmiddel), zodat wat UTB betreft van executie van het kortgedingvonnis of het dreigen daarmee helemaal geen sprake kán zijn, laat staan dat daarvan sprake is geweest. Glencore heeft daarbij op 14 en 15 oktober 2013 opnieuw beslag gelegd op het aluminium (UTB wijst in dit verband op rov. 3.22 (aangehaald hiervoor onder 1.1-(xxii)), zodat ook in dat licht volgens UTB niet valt in te zien dat UTB Glencore zou hebben “
gedwongen” om zich aan het kort-gedingvonnis te houden.
subonderdeel 3.7dat het hof in rov. 4.60 tevens heeft miskend dat het
op een andere grondslagdan de (wel degelijk) verstreken termijn van art. 58 Fw Pro (die door Glencore tot in cassatie vergeefs is bestreden, waarbij UTB wijst op rov. 3.17, 3.25, 4.32-4.33) waarvan UTB is uitgegaan – namelijk, op grond van misbruik van bevoegdheid door de curatoren – alsnog tot de slotsom is gekomen dat Glencore haar positie als separatist heeft behouden (onder verwijzing naar rov. 4.35-4.38), zodat onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat UTB ten onrechte is uitgegaan van het verlies van de positie als separatist door de toepassing van art. 58 Fw Pro. Ook klaagt UTB dat onbegrijpelijk is dat het hof (de gevolgen van) misbruik van bevoegdheid door de curatoren naar verkeersopvattingen voor rekening van UTB laat komen. UTB heeft met de termijnstelling door de curatoren immers niets van doen gehad, zo betoogt zij. [147]
komt krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening.Degene die door (dreiging met) executie van het kort-gedingvonnis zijn wederpartij dwingt om zich aan dat vonnis te houden, weet of behoort te weten dat hij zich baseert op een voorlopige maatregel. Dat rechtvaardigt dat hij als in de bodemzaak anders wordt beslist aansprakelijk is voor de schade die bij zijn wederpartij is ontstaan doordat deze zich aan het vonnis heeft gehouden. (…)”
toegerekend(art. 6:162 lid 3 BW Pro) op de grond dat zij er bij het instellen van de reconventionele vordering respectievelijk ten tijde van de uitspraak in kort geding van mocht uitgaan dat Glencore – wegens natrekking van het gestolde aluminium door de ovens [148] – geen pandrecht had respectievelijk dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw Pro hoe dan ook haar positie als separatist had verloren [149] , welk verweer het hof verwerpt met een argument ontleend aan het leerstuk van de aansprakelijkheid voor (dreiging met) executie van een later door een uitspraak in de bodemzaak achterhaald gebleken kort gedingvonnis: het behoren te weten dat het om een voorlopige uitspraak gaat. [150]
onrechtmatigheidvan het handelen van UTB niet in stand kan blijven.
subonderdeel 4.2wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.59
in relatie tot UTBde uitspraak in kort geding kwalificeert als “
in resultaat minstens zo verregaand als het verbod op de veiling [dat] op vordering van NB c.s. is toegewezen”. UTB voert hiertoe aan dat van de reconventionele vordering van UTB enkel de opheffing van het pandhouderbeslag is toegewezen [151] , hetgeen evident minder verregaand is dan het veilingverbod dat op vordering van andere partijen dan UTB door de rechter is toegewezen. Onbegrijpelijk is volgens UTB ook het oordeel van het hof dat de reconventionele vordering van UTB heeft geleid tot een algeheel verbod tot executie van het pandrecht door Glencore; volgens UTB heeft het slechts geleid tot opheffing van het pandhoudersbeslag (en niet tot doorkruising van verkoop van het aluminium via een voorgenomen veiling).
een dag latergeen gevolgen meer heeft kunnen hebben voor de executie door Glencore als pandhouder en separatist. [152] Het eigen standpunt van Glencore is ook dat haar schade is ontstaan doordat de executieveiling van 10 september 2012 geen doorgang heeft kunnen vinden, aldus UTB (waarbij zij wijst op rov. 4.71).
subonderdeel 4.4wordt geklaagd dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.60 (kennelijk) oordeelt dat het door UTB ingenomen standpunt dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw Pro hoe dan ook haar positie als separatist was verloren, niet in de weg staat aan aansprakelijkheid van UTB voor door Glencore geleden schade. De door de curatoren gestelde termijn van art. 58 Fw Pro liep af op 10 september 2012 (zie rov. 3.17), en Glencore heeft hiertegen tevergeefs gestreden tot in cassatie (zie rov. 3.25, 4.32-4.33), zodat in relatie tot UTB het kortgedingvonnis van 11 september 2012 ook om die reden niet tot schade bij Glencore heeft kunnen leiden, zo voert UTB aan. [153] Daaraan kan volgens de klacht niet afdoen dat het hof in het bestreden arrest alsnog tot de slotsom is gekomen dat Glencore haar positie als separatist heeft behouden, nu dit oordeel van het hof rust op een
andere grondslag– misbruik van bevoegdheid door de curatoren (rov. 4.35-4.38) – dan de (wel degelijk) verstreken termijn van art. 58 Fw Pro waarvan UTB is uitgegaan. [154]
doorbrokendoordat het door het hof vastgestelde behoud van Glencore’s positie als separatist berust op het handelen van
derden, te weten het misbruik van bevoegdheid door curatoren van hun bevoegdheden ex art. 58 Fw Pro. De gevolgen van misbruik van bevoegdheid door curatoren kunnen immers rechtens niet aan UTB worden toegerekend, aldus UTB.
art. 6:162 lid 3 BW Pro –op de grond dat zij ervan mocht uitgaan dat Glencore door toepassing van art. 58 Fw Pro hoe dan ook haar positie als separatist had verloren (zie hiervoor onder 2.92). Het hof beschouwt dit standpunt van UTB derhalve niet als een onrechtmatige daad waaraan de door Glencore gestelde schade kan worden toegerekend in de zin van
art. 6:98 BW Pro(causaal verband).
Subonderdeel 4.5neemt tot uitgangspunt dat UTB onrechtmatig zou hebben gehandeld met de bij vonnis van 11 september 2012 door de voorzieningenrechter toegewezen reconventionele vordering. Voor dat geval bestempelt het als onjuist, althans onbegrijpelijk, dat het hof in rov. 4.70
in relatie tot UTBin het kader van de vergelijkingsmaatstaf beslissend acht op welk aluminium Glencore zich op 10 september 2012 – ten tijde van het veilingverbod op vordering van N.B. c.s. – had kunnen verhalen.
subonderdeel 4.6geklaagd dat ook de conclusie die het hof in rov. 4.85 bereikt – de vaststelling van de aan de gedragingen van UTB toerekenbare schade, toev. A-G [155] – geen stand kan houden: met het afblazen van de veiling van 10 september 2012 [156] heeft UTB naar eigen zeggen geen bemoeienis gehad (zie rov. 4.59), zodat causaal verband tussen de vermeende fout van UTB en de door het hof begrote schade (gebaseerd op de hypothetische situatie zonder fout waarin de geplande veiling van 10 september 2012 doorgang had gevonden), ontbreekt. Daar komt volgens UTB bij dat het hof ten onrechte de hypothetische situatie waarin Glencore zich zou hebben bevonden zonder fout
van UTBgelijkstelt met het doorgang hebben kunnen vinden van de aangekondigde veiling van 10 september 2012. UTB klaagt dat niet valt in te zien waarom het handhaven van het pandhoudersbeslag noodzakelijk was voor Glencore teneinde haar verkooprecht alsof er geen faillissement was, te kunnen uitoefenen. [157] Het hof had dat laatste ten minste moeten onderzoeken, hetgeen het heeft verzuimd te doen, zodat zijn oordeel dat de (vermeende) fout van UTB in causaal verband staat met de gestelde schade van Glencore hoe dan ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, aldus UTB.
Onderdeel 5keert zich tegen rov. 4.88. Daarin overweegt het hof ten aanzien van de ingangsdatum van de door Glencore in appel gevorderde wettelijke rente:
subonderdeel 5.1is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat (zoals volgt uit rov. 4.56) Glencore schadevergoeding van UTB heeft gevorderd over de periode vanaf 10 september 2012. Het hof relateert in rov. 4.59 zelf de onrechtmatig geachte handeling van UTB aan het kortgedingvonnis van 11 september 2012. Het hof heeft in rov. 4.88 dan ook miskend dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op een eerder moment kan ingaan dan het (gestelde) aanvangsmoment van de onrechtmatige gedraging van UTB en de daaruit (beweerdelijk) ontstane schade bij Glencore. Dat is dus ook niet afhankelijk (te stellen) van het moment in de procedure waarop UTB voor het eerst verweer tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft gevoerd, aldus de klacht.
opeisbaaris. [161]
op het moment dat de schade wordt toegebrachtopeisbaar, ook al staat het bedrag van de schade op dat moment nog niet vast. [162] De wettelijke rente begint dan terstond, op het moment van schadetoebrenging, te lopen. [163] De vordering tot vergoeding van schade door onrechtmatig handelen kan niet opeisbaar zijn geworden vóór de onrechtmatige gedraging, zodat de wettelijke rente dus ook niet verschuldigd kan zijn vóór de datum van de verweten onrechtmatige daad, zo volgt uit rechtspraak van uw Raad. [164]
subonderdeel 5.1slaagt. Nu het hof:
subonderdeel 5.2geen bespreking meer. Ten overvloede merk ik op dat UTB mijns inziens niet te laat was met haar verweer.
12.18 Glencore stelt in de randnummers 295 tot en met 309 dat NB en ZSP reeds sinds 19 december 2011 rente is verschuldigd omdat per die datum de executie is aangezegd.
wat de omvang van de schade is die Glencore pretendeert ten gevolge van het feit dat zij op 10 september 2012 niet heeft kunnen veilen”. [173] Tijdens het pleidooi van 16 april 2018 merkt UTB vervolgens op: [174]
UTB is pas een paar maanden na faillissement ten tonele verschenen, dus de gemaakte verwijten over de eerdere periode, met rente vanaf december 2011, gaan UTB Holding niet aan c.q. UTB Holding betwist haar aansprakelijkheid en gehoudenheid tot schadevergoeding.”
Onderdeel 6is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de andere partijen in het geding bij het hof die daar mogelijk belang bij hebben (NB, ZSP en/of curatoren) in hun cassatieprocedure(s) een onvoorwaardelijke klacht richt(en) tegen rov. 2.2-2.3 van het bestreden arrest met de strekking dat het eindvonnis nietig is.
Onderdeel 7behelst twee voortbouwklachten.
Subonderdeel 7.1betoogt dat als een of meer van de voorgaande klachten doel treft/treffen, ook de voortbouwende overwegingen en oordelen van het hof in rov. 5 (o.a. rov. 5.1, 5.6, 5.12-5.14) en het dictum (rov. 6) die op UTB betrekking hebben, geen stand kunnen houden.
subonderdeel 7.2klaagt UTB dat voor zover het hof in het dictum in rov. 6, derde, vierde en zesde alinea, heeft bedoeld dat Glencore recht heeft op uitbetaling van
zowelhet volledige escrowbedrag (van USD 6.034.096,18, rov. 4.13)
alsde (hoofdelijke) schadevergoeding van UTB (van USD 6.068.963,88), dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat de schade van Glencore hoe dan ook niet méér omvat dan het bedrag waarop de hoofdelijke veroordeling ziet (rov. 4.85).
verminderdmet het bedrag dat zij uitgekeerd krijgt van de escrowrekening (welk standpunt wordt aangetroffen in de gedingstukken [176] ). Nadat het hof de (van de fictieve veilingopbrengst afgeleide, rov. 4.84) aan UTB toerekenbare schade heeft vastgesteld op USD 6.068.963,88 (rov. 4.85) en heeft gerecapituleerd dat Glencore recht heeft op het volledige escrowbedrag (rov. 5.13 jo. 4.52), benadrukt het hof, alvorens het dictum te formuleren, met zoveel woorden (rov. 5.20, met mijn onderstreping):
verminderenmet hetgeen zij van de escrowrekening heeft ontvangen.”
verschiltussen de toegewezen schadevergoeding en het op instructie van o.m. UTB vrij te geven escrowbedrag.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
nietop basis van art. 3:4 BW Pro een bestanddeel is gaan vormen van de ovens. Glencore kan zich vinden in de uitkomst van die beoordeling – dat van bestanddeelvorming geen sprake is – maar kan zich niet verenigen met een aantal specifieke schakels van de daartoe gebezigde redenering. Glencore richt door middel van vier subonderdelen klachten tegen deze schakels.
anders dan Glencore verdedigt, (…) lid 2 van artikel 3:4 BW Pro ook toegepast (kan) worden als een zaak naar verkeersopvattingen niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden beschouwd.”.
bepaalde (bijzondere) omstandighedenbij de beoordeling van het natrekkingsvraagstuk de verkeersopvatting leidend is en dat dergelijke (bijzondere) omstandigheden zich in het onderhavige geval voordoen. Het klaagt dat zulks onbegrijpelijk is, omdat Glencore dit laatste standpunt namelijk wel degelijk (ook) heeft ingenomen. [177]
verworpen, getuigt dit volgens Glencore van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die verwerping ontoereikend gemotiveerd. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat bij de beoordeling of zich bestanddeelvorming heeft voorgedaan in de bijzondere omstandigheden van een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een
gemis aan verbandtussen de beide zaken, de verkeersopvatting (mede gelet op de ratio van art. 3:4 BW Pro) leidend is en – na de constatering dat van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 1 BW Pro geen sprake is – aan toepassing van art. 3:4 lid 2 BW Pro niet wordt toegekomen, zodat met genoemde constatering reeds gegeven is dat geen bestanddeelvorming (en dus ook geen natrekking) heeft plaatsgevonden. [178] Indien het hof dit niet heeft miskend, is de verwerping van het standpunt van Glencore onbegrijpelijk, nu Glencore heeft gesteld dat er in casu een gebrek aan verband bestaat tussen enerzijds het aluminium en anderzijds de ovens/het fabrieksgebouw en dat om die reden voor bestanddeelvorming op de voet van art. 3:4 lid 2 BW Pro geen plaats is, op welke essentiële stelling het hof niet (voldoende kenbaar) heeft gerespondeerd. [179]
gemis aan verband” dat aan bestanddeelvorming in de weg staat. Ik citeer deze toelichting nogmaals (met mijn onderstreping):
bijzakenin ieder geval als bestanddeel zijn aan te merken. Bijzaken zijn zaken, die – onverschillig door wie of door welke oorzaak – met een hoofdzaak zodanig zijn verbonden, dat zij niet kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging of verbreking van de hoofdzaak. Wat aard- en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast. Naast de “beschadiging van de hoofdzaak”[
voetnoot 4] is “verbreking” afzonderlijk genoemd, om te doen uitkomen, dat ook al zou na de verbreking, de hoofdzaak weer geheel in onbeschadigde toestand worden hersteld, toch de bepaling van toepassing is.
gemis aan verband), ook niet mosselschelpen die zich op palen hebben vastgehecht (H.R. 6 October 1902, W. 7811, mogelijkheid deze af te steken zonder beschadiging van de palen).”
fysiekeverbondenheid zoals die voor de toepassing van art. 3:4 lid 2 BW Pro vereist is. Dit blijkt heel duidelijk uit de tegenstelling die in het citaat wordt gemaakt tussen enerzijds
wortel geschotenhebbende bollen (die wel fysiek met de grond zijn verbonden) en anderzijds
ingekuildeaardappelen (niet fysiek verbonden). Ik wijs ook op vindplaatsen in de toelichting waar duidelijk wordt gemaakt dat aardappels en andere knol- of bolgewassen die ter bewaring zijn ingekuild geacht worden niet met de grond te zijn ‘verenigd’; eerst nadat zij wortel hebben geschoten zijn zij wel met de grond verenigd en vindt onder meer bestanddeelvorming plaats. [181] Het “gemis aan verband” doelt dus (slechts) op een gebrek aan fysieke verbondenheid, en niet op een gemis aan verband volgens verkeersopvatting (ideëel verband).
nietfysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW Pro (althans niet in voldoende mate), heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel dienaangaande ontoereikend gemotiveerd.
alleen met hak- en breekwerk” uit de ovens kon worden verwijderd. Het daarin besloten liggende oordeel dat de betrokken zaken – anders dan Glencore betoogt – wel fysiek verbonden zijn zoals bedoeld in art. 3:4 lid 2 BW Pro geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘verbonden’.
subonderdeel 1.3richt Glencore haar pijlen op rov. 4.20, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat het toetsingsmoment voor het bepalen of het aluminium al of niet is nagetrokken, het moment is waarop het aluminium is gestold in de ovens en vervolgens oordeelt:
crash-restartvan de ovens uit te voeren.
crash-restartin wezen niet meer mogelijk was vanwege de daaraan verbonden hoge kosten, de aanmerkelijke kans dat de ovens daardoor beschadigd zouden raken en het ontbreken van de daarvoor vereiste vergunningen.
oordeel achter (a)is volgens Glencore onbegrijpelijk, nu UTB niet heeft betwist dat een dergelijke
crash-restartmogelijk was. Meer concreet heeft zij niet betwist (de stellingen van Glencore) dat (i) het technisch mogelijk was om nadat het aluminium was gestold in de ovens het elektrolyseproces op enig moment na het stilleggen daarvan weer op te starten, (ii) de methode van
crash-start [194] in de praktijk in de industrie ook wordt toegepast en (iii) een
crash-startin concreto door betrokkenen ten tijde van de stolling van het aluminium ook werd gezien als een reële mogelijkheid. [195]
crash-startniet relevant te achten voor de te geven beslissingen (zie onder (b)).
oordelen onder (c) en (d)zijn volgens Glencore (eveneens) onbegrijpelijk [196] , aangezien Glencore nu juist heeft gesteld dat
op het toetsingsmomentwel degelijk een
crash-startmogelijk was, dat het aluminium op die manier zonder beschadiging (van betekenis) uit de ovens kon worden verwijderd, dat daar minimale kosten mee gepaard zouden gaan en dat een
crash-startkon worden uitgevoerd onder de vigerende vergunningen. [197] Glencore gaat dus níet uit van het achter (c) gestelde; en het achter (d) gestelde is dus wél in geschil.
overigensvan uitgaan dat een
crash-restartin wezen niet meer mogelijk was), die bovendien betrekking heeft op een niet-dragende factor (zie hiervoor onder 3.9).
oordeel van het hof onder (a)-(d)blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof daarmee zou hebben geoordeeld dat de mogelijkheid van een
crash-startniet relevant is voor beantwoording van de vraag of sprake is van bestanddeelvorming
wegens de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen. Volgens Glencore miskent het hof in dat geval dat de vraag of sprake is van bestanddeelvorming, naar Glencore heeft gesteld [198] , moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven, zodat van dergelijke concrete omstandigheden moet worden geabstraheerd.
crash-startniet relevant is voor de te nemen beslissingen (onder (a) en (b)) heeft gebaseerd op de daaraan verbonden kosten en/of het ontbreken van de vereiste vergunningen.
achter (d) weergegeven oordeelbesloten ligt dat volgens het hof niet in geschil is dat bij verwijdering van het aluminium na de stolling (anders dan door een
crash-start) substantiële fysieke beschadigingen (aan de ovens en/of het aluminium) optreden. Geklaagd wordt dat dat oordeel (in zoverre) onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Glencore heeft naar eigen zeggen immers gesteld en uitvoerig onderbouwd dat bij verwijdering van het aluminium uit de ovens hooguit
geringefysieke beschadigingen zullen optreden. [199] Indien in rov. 4.20 een verwerping van die stelling besloten zou liggen, is die verwerping volgens Glencore ontoereikend gemotiveerd nu het hof niet (voldoende kenbaar) ingaat op de door Glencore aangedragen essentiële argumentatie dienaangaande.
omvangvan de fysieke schade die het gevolg zou zijn van een met ‘hak- en breekwerk’ te verrichten verwijdering kennelijk in het midden gelaten. De enkele verwijzing – in het kader van de economische benadering van het hof – naar “de fysieke beschadiging van de ovens” (rov. 4.22) maakt dit naar mijn mening niet anders.
alleen na de afscheiding [van het aluminium, toev. A-G] de ovens een functie (kunnen) vervullen en daarmee waarde hebben in het economische verkeer”. Indien in dit oordeel besloten ligt dat volgens het hof de ovens op het moment van stolling nog enige andere waarde hadden dan schrootwaarde mits het aluminium zou worden afgescheiden, is dat volgens Glencore (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk. Het hof zou in dat geval niet (voldoende kenbaar) hebben gerespondeerd op de essentiële stelling van Glencore dat de ovens op het moment van de stolling nog slechts schrootwaarde hadden. [202]
going concernte verkopen, waarna de koper het aluminium in alle rust kon verwijderen en de ovens kon repareren;
alleen na de afscheiding kunnen de ovens een functie vervullen en daarmee waarde hebben in het economisch verkeer”;